Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY7320

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
01-02-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
47581 HA ZA 2005/191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijzing naar ander gerecht vanwege voeging met identieke zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 1 februari 2006 in de zaak van:

rolnr: 191/05

[eiser],

wonende te Vlissingen,

eiser in het incident tot verwijzing,

gedaagde in het voorwaardelijke incident tot verwijzing,

gedaagde in de hoofdzaak,

procureur: mr. E.H.A. Schute,

advocaat: mr. J. Braaksma;

tegen:

De naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland N.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde in het incident tot verwijzing,

eiseres in het voorwaardelijke incident tot verwijzing,

eiseres in de hoofdzaak,

procureur: mr. C.J. IJdema,

advocaat: mr. W.A.K. Rank.

1. Het verloop van de procedure

In het incident tot verwijzing en in het voorwaardelijk incident tot verwijzing

Partijen worden aangeduid als [eiser] en Dexia.

In het incident zijn de volgende processtukken gewisseld:

- Incidentele conclusie tot verwijzing zijdens [eiser] d.d. 8 juni 2005;

- Voorwaardelijke incidentele conclusie tot verwijzing zijdens Dexia d.d. 8 juni 2005;

- Incidentele conclusie van antwoord zijdens [eiser] d.d. 22 juni 2005.

- Conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing wegens verknochtheid zijdens Dexia d.d. 22 juni 2005;

2. De feiten

In het incident tot verwijzing en in het voorwaardelijk incident tot verwijzing

2.1. [eiser] heeft op 14 december 2000 een effectenlease-overeenkomst gesloten met (de rechtsvoorgangster van) Dexia.

Bij brief van 30 september 2003 heeft [eiser] Dexia verzocht om inzage in de persoonsgegevens op grond van art. 35 lid 1 jo lid 2 Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP).

Door [eiser] is een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Bankzaken (GCB). Hij heeft daarin gevorderd dat Dexia inzage zou verschaffen in zijn persoonsgegevens.

Bij bindend advies van 4 februari 2005 heeft de GCB deze klacht gegrond verklaard en Dexia bevolen om [eiser] op grond van artikel 35 lid 1 jo lid 2 WBP inzage te verschaffen in zijn persoonsgegevens.

2.2. Op 4 februari 2005, verzonden 10 februari 2005, heeft de GCB ook in twee andere zaken, tussen Dexia en [betrokkene] als gedaagden – verder [betrokkene 1]. -, en tussen [bedragtrokkene] als gedaagde – verder [betrokkene 2] –,een bindend advies gegeven. Deze zaken betroffen evenals die van [eiser] een verzoek aan Dexia om inzage op grond van artikel 35 WBP. De bindende adviezen in deze zaken zijn nagenoeg identiek aan het bindend advies van [eiser].

2.3. Op grond van artikel 25 lid 1 Reglement Geschillencommissie Bankzaken – verder het Reglement - kan het bindend advies van de CGB binnen twee maanden na de verzending van de uitspraak aan partijen aan de gewone rechter ter vernietiging worden voorgelegd.

Op grond van artikel 25 lid 2 van het Reglement kan het geschil binnen twee maanden na ontvangst van het bindend advies door partijen, in volle omvang en met terzijde lating van het bindend advies, door de bank aan de gewone rechter worden voorgelegd indien het een geschil betreft met een financieel belang beneden € 60.000,--, waarvan de bank naar het oordeel van de gewone rechter aannemelijk maakt dat de uitspraak zo principieel moet worden geacht dat het daarmee gemoeide belang voor de bank en/of de bedrijftak in haar algemeenheid de grens van € 500.000,-- zal overschrijden.

2.4. Dexia heeft zich met het oordeel van de GCB niet kunnen verenigen en heeft [eiser] op 6 april voor deze rechtbank gedagvaard.

In de hoofdzaak vordert Dexia primair te verklaren voor recht dat Dexia heeft voldaan aan art. 35 WBP door het overzicht van 21 oktober 2003 aan [eiser] te versturen en voorts dat Dexia op rechtmatige wijze verdere inzage aan [eiser] heeft geweigerd en, voor zover daarvoor naar het oordeel van de Rechtbank is vereist, het bindend advies van de GCB van 4 februari 2005 te vernietigen, waarbij Dexia, overeenkomstig het bepaalde in art. 25 lid 2 van het Reglement, de kosten van rechtsbijstand en proceskosten van [eiser] zal voldoen.

Subsidiair vordert Dexia in de hoofdzaak het bindend advies van de GCB van 4 februari 2005 op de voet van art. 7:902 jo. 7:904 BW in verbinding met art. 25 lid 1 van het Reglement te vernietigen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding, deze laatste veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

2.5. Dexia heeft zich evenmin met het oordeel van de GCB in de zaken tegen [betrokkene 1]. en [betrokkene 2] kunnen verenigen. Dexia heeft [betrokkene 1]. gedagvaard voor de rechtbank Breda en [betrokkene 2] voor de rechtbank Arnhem.

3. Het geschil

In het incident tot verwijzing en in het voorwaardelijke incident tot verwijzing

3.1. [eiser] verzoekt de zaak te verwijzen naar de rechtbank Breda in verband met de verknochtheid daarvan aan de zaak tussen Dexia als eiseres en [betrokkene 1]. als gedaagden, aldaar behandeld ter zitting van 8 juni 2005 en bekend onder rolnummer 145548/HAZA 05-713.

Hij stelt daartoe het navolgende.

3.2.1. De in de zaak van [betrokkene 1]. in de procedure bij de GCB gewisselde processtukken zijn nagenoeg identiek aan de processtukken die in de zaak van [eiser] bij de GCB zijn gewisseld. Ook het bindende advies van de GCB in die zaak is nagenoeg identiek aan het bindend advies in de zaak van [eiser].

Ook in de zaak van [betrokkene 1]. heeft Dexia zich niet met het bindend advies van de GCB kunnen verenigen heeft zij [betrokkene 1]. gedagvaard, maar dan voor de rechtbank Breda. Dexia vordert in deze zaak exact hetzelfde als in de onderhavige zaak op exact dezelfde gronden en argumenten.

In beide zaken zijn de feitelijke en juridische geschilpunten identiek en de samenhang tussen de zaken is zo nauw dat de beslissing in de zaak tussen Dexia en [betrokkene 1]., de beslissing in de onderhavige zaak zal beïnvloeden. Bij gescheiden behandeling bestaat een (aanzienlijke) kans dat er (deels) tegenstrijdige beslissingen worden genomen in twee identieke zaken, hetgeen zeer onwenselijk zou zijn.

Verwijzing leidt voorts tot bevordering van de goede procesorde. Gedaagden hebben dezelfde advocaat. Doordat Dexia de zaken bij verschillend rechtbanken heeft aangebracht hebben de gedaagden een verschillende procureur. Verwijzing leidt dan ook tot lagere kosten en het hanteren van dezelfde termijnen, hetgeen de behandeling van de zaken praktisch en procedureel vereenvoudigt.

3.2.2. Onbegrijpelijk is volgens [eiser] dat Dexia de drie zaken aan drie verschillende rechters voorlegt met de kans op drie verschillende uitspraken. Dit is in strijd met de rechtszekerheid voor gedaagden. Die is er niet mee gediend dat in identieke zaken de ene gedaagde wel recht op inzage zou hebben en de andere niet. Artikel 220 lid 2 Rv beoogt dat te voorkomen door gelijktijdige behandeling bij één rechtbank mogelijk te maken.

De omstandigheid dat de zaken bij één rechtbank worden behandeld staat er niet aan in de weg om in alle zaken hoger beroep en zo nodig cassatie in te stellen.

[eiser] bestrijdt dat er sprake is van “forumshopping”, gelet op het betoog van Dexia is haar vordering tot verwijzing naar Arnhem veeleer ingegeven door “forumshopping”.

Het kostenaspect is welk degelijk ook een geldig argument voor verwijzing, zeker nu Dexia tot op heden weigert aan de voor haar op grond van artikel 25 lid 2 van het Reglement bestaande verplichting de met deze procedure samenhangende kosten voor rechtsbijstand en proceskosten aan [eiser] te voldoen. Nog afgezien daarvan heeft Dexia sowieso het standpunt ingenomen dat [eiser] deze kosten zelf dient te voldoen indien en voor zover de zaak op grond van de subsidiaire vordering zou worden afgedaan.

De omstandigheid dat de rechtbank Arnhem al eerder inhoudelijk in zaken op grond van de WBP heeft geoordeeld is ook geen geldig argument voor verwijzing naar Arnhem nu ook de rechtbank Breda inhoudelijk oordeelde in procedures op grond van artikel 35 WBP.

3.3. Voor de zaak die dient voor de rechtbank Arnhem tussen Dexia als eiseres en [betrokkene 3] als gedaagde geldt het vorenstaande volgens [eiser] evenzeer. Ook in die zaak is dan ook verwijzing naar de rechtbank Breda verzocht.

3.4.1. Dexia erkent dat inhoudelijk de zaken van [eiser], [betrokkene 1]. en [betrokkene 3] wat betreft de juridische geschilpunten vrijwel gelijk zijn.

Dexia verzet zich tegen verwijzing van deze zaak naar de rechtbank Breda. Zij stelt er bewust voor gekozen te hebben de zaken tegen [eiser], [betrokkene 1]. en [betrokkene 3] aan drie verschillende rechtbanken voor te leggen en deze niet gevoegd te doen behandelen. Zij stelt daartoe dat zij omtrent de principiële rechtsvragen die in de drie procedures spelen het oordeel van drie verschillende rechtbanken wil vernemen. Ook wil zij daardoor de mogelijkheid hebben deze rechtsvragen aan drie verschillende gerechtshoven voor te leggen en uiteindelijk aan de Hoge Raad. Door het aanbrengen van de zaken bij drie verschillende rechtbanken stelt Dexia dat daardoor de kans bovendien kleiner is dat de weg naar een hogere instantie afgesneden wordt, en de principiële rechtsvragen niet op de juiste en volledige wijze aan de Hoge Raad kunnen worden voorgelegd.

Aangezien alle drie de zaken gelijktijdig zijn aangebracht en er dus niet sprake is van “oudere” en “jongere” zaken is er bij de keuze van [eiser] voor de rechtbank Breda sprake van “forumshopping”. De rechtbank Breda heeft namelijk tot op heden alle verzoeken van cliënten van Dexia op grond van art. 35 WBP toegewezen.

De omstandigheid dat het aanbrengen bij drie rechtbanken tot hogere kosten zou leiden is geen geldig argument, nu Dexia op grond van artikel 25 lid 2 van het Reglement, op grond van welk artikel Dexia de zaken primair bij de rechtbanken aanhangig heeft gemaakt, gehouden is de volledige proceskosten van haar wederpartijen te dragen.

Indien en voor zover de rechtbank van oordeel is dat de zaak voor verwijzing in aanmerking komt, dan verzoekt Dexia de zaak naar de rechtbank Arnhem te verwijzen omdat deze rechtbank eerder inhoudelijk heeft geoordeeld over de wijze waarop Dexia art. 35 WBP naleeft en dus ervaring heeft en vertrouwd is met de onderhavige materie, en haar uitspraken een gevarieerder en genuanceerder palet aan uitspraken betreffen dan die van de rechtbank Breda.

3.4.2. Hoe, zoals [eiser] stelt, de onderlinge samenhang tussen de zaken zo nauw is dat de beslissing in de andere zaken die in de onderhavige zou beïnvloeden valt volgens Dexia niet in te zien. Een beslissing van een andere rechtbank doet geen afbreuk aan de bindende kracht van een door deze rechtbank te wijzen vonnis. De rechter in de rechtbank Middelburg is niet gebonden aan de beslising van een rechter in gelijke rang van een andere rechtbank.

Ook valt niet in te zien dat verwijzing naar de rechtbank Breda een vereenvoudiging van de procedure tot gevolg zou hebben en op welke wijze dat de goede procesorde zou bevorderen.

Het argument van [eiser] dat hij met zijn vordering tot verwijzing de kans op tegenstrijdige uitspraken wil voorkomen is geen doorslaggevend argument. Het is de taak van de Hoge Raad om de rechtseenheid te bewaken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 220 lid 1 Rv kan, voor zover van belang, ingeval de zaak verkocht is aan een zaak die reeds eerder bij een andere gewone rechter van gelijke rang aanhangig is gemaakt, verwijzing naar die andere rechter worden gevorderd.

Van verknochtheid is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de ene zaak identiek zijn aan die in de andere, dan wel daarmee zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken wenselijk is.

Het artikel beoogt dubbel werk en tegenstrijdige beslissingen te voorkomen.

4.2. Door Dexia is niet bestreden dat er sprake is van verknochtheid, in tegendeel, Dexia erkent dat de zaken van [eiser] en [betrokkene 1]. wat betreft de juridische geschilpunten inhoudelijk vrijwel gelijk zijn.

Voldaan is dus aan het criterium voor verwijzing van artikel 220 Rv.

Door Dexia zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan de aangenomen moet worden dat toewijzing van de vordering van [eiser] ondoelmatig zou zijn.

4.3. Ten aanzien van de door Dexia aangevoerde argumenten tegen verwijzing overweegt de rechtbank het navolgende.

Dexia stelt de drie zaken bij drie verschillende rechtbanken te hebben aangebracht omdat zij van drie verschillende rechtbanken het oordeel wenst te vernemen. Niet valt in te zien welk belang Dexia daarbij heeft, integendeel. Dit bevordert de kans op tegenstrijdige beslissingen hetgeen juist in strijd is met het belang van iedere rechtzoekende, ook Dexia, bij rechtseenheid en rechtszekerheid. De stellingen van Dexia zijn bovendien innerlijk tegenstrijdig omdat Dexia vervolgens stelt de zaken bij drie verschillende rechtbanken aangebracht te hebben teneinde daarmee de kans op het voorleggen van deze (principiële) kwestie aan de Hoge Raad te vergroten. Nog afgezien van de omstandigheid dat de rechtbank die gedachtengang van Dexia niet kan volgen, wenst Dexia dan kennelijk toch een oordeel van de Hoge Raad ingesteld ter bevordering van diezelfde rechtseenheid en rechtszekerheid die Dexia met het aanbrengen van de drie zaken bij drie verschillende rechtbanken nu juist geen dienst doet.

De argumenten van Dexia aangevoerd tegen verwijzing zullen door de rechtbank dan ook worden gepasseerd.

4.4. Aan de voorwaarden voor verwijzing is voldaan en door verwijzing wordt het met artikel 220 beoogde doel gediend. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking de omstandigheid dat verwijzing, mede gelet op het feit dat [betrokkene 1]. en [eiser] dezelfde raadsman hebben, ook proceseconomische voordelen met zich meebrengt.

4.5. Nu de rechtbank van oordeel is dat de zaak van [eiser] voor verwijzing in aanmerking komt zal de rechtbank overgaan tot beoordeling van de door Dexia ingediende voorwaardelijke vordering tot verwijzing van deze zaak naar de rechtbank Arnhem. De door Dexia daaraan ten grondslag gelegde stelling dat de uitspraken van de rechtbank Arnhem bij de beoordeling van de vorderingen op grond van artikel 35 WBP een gevarieerder en genuanceerder palet aan uitspraken betreffen is geen argument dat, gelet op de voorwaarden die artikel 220 Rv aan verwijzing stelt, tot toewijzing van de vordering kan leiden. De omstandigheid dat de rechtbank Arnhem eerder inhoudelijk met betrekking tot artikel 35 WBP-zaken heeft geoordeeld over de wijze waarop Dexia art. 35 WBP naleeft, en dus ervaring heeft, is evenmin reden voor verwijzing, nog afgezien van de omstandigheid dat ook de rechtbank Breda eerder oordeelde over soorgelijke zaken.

Door Dexia zijn overigens geen argumenten aangevoerd op grond waarvan verwijzing naar de rechtbank Arnhem meer voor de hand ligt dan verwijzing naar de rechtbank Breda. De voorwaardelijke vordering tot verwijzing van Dexia zal dus worden afgewezen.

4.6. Gelet op hetgeen vorenstaand is overwogen zal de rechtbank de vordering van [eiser] tot verwijzing naar de rechtbank Breda toewijzen.

De rechtbank zal Dexia als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van zowel het incident als het voorwaardelijke incident, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 904,--.

5. De beslissing

De rechtbank:

In het incident tot voeging

- verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de rechtbank Breda, Sector civiel recht, voor voortprocederen;

In het voorwaardelijk incident tot voeging

- wijst de vordering af.

In het incident tot voeging en in het voorwaardelijk incident tot voeging

- veroordeelt Dexia in de kosten van dit incident aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op een bedrag van € 904,-- ter zake van procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 1 februari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

MdB