Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY7268

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
31-08-2006
Zaaknummer
05/844
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is de tijdelijke sluiting van een coffeeshop een punitieve sanctie in de zin van art. 6 EVRM. Bestuursdwang. Damocles-beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

____________________________________________________

UITSPRAAK

____________________________________________________

Reg.nr.: Awb 05/844

Inzake: [eiser], wonende te [woonplaats],

handelend onder de naam Coffeeshop Sixty-Two, gevestigd te Middelburg, eiser,

gemachtigde: mr. M.C. Brans, advocaat te Arnhem,

tegen: de Burgemeester van de gemeente Middelburg, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2005 heeft verweerder eiser opgedragen de coffeeshop voor een periode van drie maanden te sluiten. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is op 5 juli 2005 afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit). Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Het beroep is op 4 mei 2006 behandeld ter zitting. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank per brief van 3 mei 2006 laten weten dat zij evenmin ter zitting zal verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.J. Groenenberg.

II. Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van de coffeeshop Sixty-Two in Middelburg. Ten aanzien van de in het geding zijnde coffeeshop geldt de zogenaamde gedoogstatus. Onder een aantal voorwaarden, waaronder het voldoen aan de zogenaamde AHOJG-criteria, wordt de coffeeshop gedoogd. Op 21 maart 2001 heeft verweerder een waarschuwing aan eiser doen uitgaan wegens verkoop aan een minderjarige. Op 9 april 2005 is door de politie geconstateerd dat er in de coffeeshop aan een minderjarige softdrugs ter waarde van tien euro is verkocht.

2. In geval van overtreding van de in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten door exploitanten van coffeeshops wordt door het Openbaar Ministerie niet opgetreden indien de AHOJG-criteria in acht worden genomen. Onderdeel J van deze criteria houdt in dat verkoop van softdrugs aan een minderjarige verboden is.

3. De gemeenteraad van de gemeente Middelburg heeft in de vergadering van 23 januari 1995 de nota softdrugsbeleid Vlissingen-Middelburg vastgesteld. Het in de nota vervatte beleid is erop gericht de verkoop van softdrugs beheersbaar te maken met het oog op de openbare orde en veiligheid. Maximaal 2 coffeeshops worden in Middelburg aanvaardbaar geacht. In dit beleidsstuk zijn de zogenaamde AHOJG-criteria opgenomen.

4. Op 20 december 2000 is de beleidsnota "Damoclesbeleid Gemeente Middelburg" gepubliceerd. In deze nota is onder andere als gedragslijn vastgelegd dat bij een tweede overtreding door een exploitant binnen vijf jaar na waarschuwing van de eerste overtreding ex artikel 13b Opiumwet, het openbare lokaal zal worden gesloten voor de periode van drie maanden.

5. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang, indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Op grond van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

6. Gebruikmakend van de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gegeven bevoegdheid heeft verweerder besloten de coffeeshop te sluiten voor de duur van drie maanden. Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat met de verkoop van softdrugs aan een minderjarige overtreding heeft plaatsgevonden van de geldende gedoogvoorwaarden. Verweerder heeft daarbij overwogen dat een exploitant zich bij de exploitatie van een coffeeshop strikt dient te houden aan de gedoogvoorwaarden. Overtreding daarvan is een risico dat voor rekening komt van de exploitant. Het feit dat de gedoogde coffeeshops een bijzondere positie innemen houdt tevens in dat het aspect van verwijtbaarheid een veel mindere rol speelt dan in andere situaties en het risico-element juist veel meer op de voorgrond komt. Verweerder heeft voorts overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot een afwijking van het beleid en het achterwege laten dan wel matigen van een bestuurlijke reactie zoals opgelegd. Voorts zou sluiting voor een kortere duur de rechtsgelijkheid ten opzichte van andere in het verleden gesloten coffeeshops geweld aan doen.

Het bezwaar van eiser tegen dit besluit heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

7. In beroep heeft eiser betoogd dat verweerder niet in redelijkheid tot het opleggen van de sluitingsmaatregel voor drie maanden heeft kunnen komen, omdat eiser onevenredig nadeel ondervindt van het besluit van verweerder. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de opgelegde maatregel dient te worden gekwalificeerd als een punitieve sanctie in de zin van artikel 6 EVRM en dat de sanctie derhalve indringend dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, waarbij de verwijtbaarheid van eiser een rol speelt en dient te worden meegewogen. Verweerder heeft dat nagelaten.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. De toetsing door de rechtbank van het beleid van verweerder dient in het licht van de vergaande bevoegdheden die aan verweerder zijn toegekend, een uiterst terughoudende te zijn. Het besluit van verweerder komt slechts dan voor vernietiging in aanmerking indien het beleid als kennelijk onredelijk moet worden bestempeld of indien er sprake is van willekeur in die beleidsbepaling. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. In zijn algemeenheid kan niet gezegd worden dat verweerder niet in redelijkheid tot de vaststelling van het Damoclesbeleid en in het bijzonder tot de daarin vastgelegde bestuurlijke reacties op overtredingen heeft kunnen komen. Evenmin kan worden gesteld dat er sprake is van willekeur.

10. De rechtbank toetst vervolgens of verweerder overeenkomstig diens beleid heeft gehandeld. De rechtbank stelt vast dat eiser softdrugs heeft verkocht aan een minderjarige. Dat betekent dat er sprake is van overtreding van het gedoogcriterium "J", de verkoop aan een minderjarige. Voorts staat vast dat dit de tweede overtreding binnen een periode van vijf jaar is. Verweerder had derhalve de bevoegdheid de sluitingsmaatregel van drie maanden op te leggen.

11. Voorts is de vraag aan de orde of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Voor de beantwoording van die vraag dient de rechtbank de door verweerder gemaakte belangenafweging voorafgaande aan zijn besluit te toetsen. De wijze van toetsing van de belangenafweging hangt af van de aard van de opgelegde sanctie. Indien er sprake is van een reparatoire sanctie wordt de belangenafweging naar redelijkheid getoetst. Indien er sprake is van een punitieve sanctie dient de belangenafweging volledig of wel indringend te worden getoetst. Eiser heeft gesteld dat de opgelegde maatregel een punitieve sanctie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) is en dat verweerder derhalve alvorens hij al dan niet van zijn bevoegdheid gebruik zou maken een belangenafweging had dienen te maken als neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

12. De rechtbank overweegt hieromtrent dat blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van een punitieve sanctie sprake is indien is voldaan aan de maatstaven die door het EHRM zijn ontwikkeld ter bepaling of er sprake is van een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM. Volgens deze maatstaven moeten bij de beoordeling in aanmerking worden genomen de aard van de overtreden norm, de kring van degenen tot wie de norm is gericht en het doel, de aard en de ernst van de sanctie die met de overtreding wordt geriskeerd. Voorts is van betekenis of de handhaving van de overtreden norm naar nationaal recht als strafrechtelijk is aangemerkt. In dit kader overweegt de rechtbank het volgende. Voor de uitoefening van de bevoegdheden welke voortvloeien uit artikel 13b van de Opiumwet is toepassing van bestuursdwang (een bestuursrechtelijke bevoegdheid) als uitgangspunt van het landelijk beleid genomen. De gemeente Middelburg heeft dit uitgangspunt ook opgenomen in haar notitie "Damoclesbeleid Gemeente Middelburg". Bestuursdwang is anders dan punitieve sancties niet gericht op bestraffing of leedtoevoeging, maar op het ongedaanmaken, beëindigen of voorkomen van een overtreding. Door de toepassing van bestuursdwang in het kader van het gedoogbeleid, kunnen overtredingen onmiddellijk ongedaan worden gemaakt, hetgeen de openbare orde ten goede komt. De maatregel tot sluiting van de coffeeshop is dan ook niet gericht op het toevoegen van leed aan de persoon van de exploitant, maar op de beheersing van de negatieve effecten van drugsgebruik op het openbare leven. Dat eiser door de sluitingsmaatregel aanzienlijke inkomsten is misgelopen, zoals hij in beroep heeft aangevoerd, is inherent aan de opgelegde maatregel maar niet het beoogde doel daarvan. De rechtbank is van oordeel dat, nu er hier geen sprake is van een strafrechtelijke maar van een bestuursrechtelijke bevoegdheid en deze bovendien niet gericht is op leedtoevoeging, niet is voldaan aan voornoemde maatstaven die zouden moeten leiden tot toepassing van artikel 6 EVRM. De sluiting van de coffeeshop is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen punitieve sanctie maar een reparatoire sanctie.

13. Gelet op het voorgaande is ter beoordeling of er geen sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de belangenafweging dat geoordeeld moet worden dat verweerder niet in redelijkheid tot zijn besluit tot sluiting van de coffeeshop heeft kunnen komen. Gelet op de stukken en hetgeen namens verweerder ter zitting in dat kader is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging van verweerder niet onredelijk is geweest. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid tot zijn besluit tot oplegging van de sluitingsmaatregel kunnen komen.

14. Het voorgaande neemt niet weg dat verweerder op grond van artikel 4:84 van de Awb de mogelijkheid heeft - ook indien een redelijke belangenafweging leidt tot uitoefening van het beleid - van dat beleid af te wijken. Verweerder dient daarbij de afweging te maken of zijn beleid voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft geoordeeld dat zich in het onderhavige geval geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan hij van zijn beleid had dienen af te wijken. Met de voorzieningenrechter, en onder verwijzing naar diens overweging 12 in de uitspraak van 5 juli 2005, is de rechtbank van oordeel dat de overtreding in het onderhavige geval voor risico van eiser dient te blijven. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder in zijn besluit van 20 juli 2005 geen rekening heeft gehouden met het aspect van verwijtbaarheid van de exploitant. Uit voornoemd besluit blijkt duidelijk dat verweerder de verwijtbaarheid van eiser heeft betrokken in zijn afweging. Verweerder acht de verwijtbaarheid van eiser echter ondergeschikt aan het risico dat eiser als exploitant loopt vanwege zijn uitdrukkelijke verantwoordelijk voor de gang van zaken in de coffeeshop.

15. Gelet op het voorgaande houdt het bestreden besluit in rechte stand. Het beroep is ongegrond.

16. De rechtbank acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. G.H. Nomes in tegenwoordigheid van mr. W.B. Smeenk, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: