Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY7108

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
11-01-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
39526 HA ZA 2003/394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij dit geschil wordt in conventie schadevergoeding geeist voor het onterecht negatief uitlaten van de stichting. In reconventie wordt schadevergoeding geeist voor het voeren van een handelsnaam in strijd met handelswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BIE 2007, 36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 11 januari 2006 in de zaak van:

rolnr: 394/03

de stichting Plan Nederland (hierna te noemen: Plan)

gevestigd te Amsterdam,

eisers in conventie, verweerster in reconventie,

procureur: mr. C.J. IJdema,

advocaat: mr. T.M. Kolle,

tegen:

1. de stichting Stichting Proceskostenfonds Misbruikte Kinderen Foster Parents Plan (hierna te noemen: het Fonds)

statutair gevestigd te Goes en kantoorhoudende te Yerseke,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, en

2. mr. [gedaagde sub 2] (hierna te noemen: Wilgers)

wonende en kantoorhoudende te Goes

gedaagde in conventie,

procureur: mr. J.G.G. Wilgers.

1. Het verloop van de procedure

Tussen partijen zijn de navolgende processtukken gewisseld:

- inleidende dagvaarding;

- conclusie van antwoord (waarin alleen het Fonds antwoordt; gelet op de omstandigheid dat naast het Fonds ook Wilgers is gedagvaard en in de verdere procedure in conventie steeds beide in hoedanigheid van gedaagden, gaat de rechtbank ervan uit dat ook Wilgers in deze conclusie antwoordt), tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie (van alleen het Fonds);

- conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie;

- conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in voorwaardelijke reconventie, tevens akte wijziging van eis in voorwaardelijke reconventie;

Het door Plan ingediende bezwaar tegen de wijziging van eis is bij rolbeslissing van 7 april 2004 ongegrond verklaard. Vervolgens zijn gewisseld:

- conclusie van dupliek in reconventie;

- akte uitlaten productie.

Vervolgens hebben partijen – op verzoek van Plan – ter zitting van 24 mei 2005 hun stand-punten nader bepleit. Plan heeft bij die gelegenheid nog twee akten genomen.

Door beide partijen zijn (door het Fonds en Wilgers o.m. door middel van depot ter griffie van deze rechtbank) producties in het geding gebracht.

2. De feiten

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1. De Stichting Foster Parents Plan Nederland bestaat sinds 1975; zij stelt zich blijkens haar statuten – zoals die luiden na wijziging bij notariële akte van 6 juni 1991 – ten doel:

a) het verlenen van maatschappelijke diensten en financiële en materiële bijstand aan kinderen en hun behoeftige gezinsleden en hun omgeving in landen, die niet in staat zijn zelf deze vormen van bij-stand te verlenen;

b) het wekken van belangstelling bij mensen van goede wil voor de noodzaak van een dergelijke on-derneming, alsmede het benadrukken van de menslievende taak van ondersteuning die de ene mens voor de ander kan vervullen;

c) het verschaffen van middelen voor het zenden naar de begunstigden van geldmiddelen, voedsel, kleding en andere goederen, welke zijn bijeengebracht of ontvangen voor die doeleinden;

d) het stichten van een organisatie, de aard waarvan voor het hierin omschreven doel een zuiver mens-lievende is en welke niet betrokken is bij of gebonden is aan enige groepering met politieke, religi-euze of andere belangen van welke aard ook;

e) het verzoeken om en aanvaarden van bijdragen in geld en goederen, het aanvaarden van testamen-taire beschikkingen, legaten en alle andere gelden of goederen, welke krachtens trustakten, dotaties, schenkingen, lijfrenten, verzekeringspolissen of anderszins beschikbaar gesteld worden, alsmede het gebruik of het beheer van voornoemde gelden of goederen ter bevordering van voormelde doel-einden;

f) het samenwerken met soortgelijke organisaties, die vorenomschreven doeleinden en werkzaamhe-den nastreven;

g) het zich aansluiten bij Foster Parents Plan International, Inc.

Bij notariële akte van 6 juli 1999 is deze omschrijving van de doelstelling gewijzigd; sedert de wijziging van de statuten bij notariële akte van 20 maart 2003 vermelden zij onder meer:

De stichting opereert ook onder de naam: Plan Nederland.

In het navolgende zal de stichting ook voor de periode vòòr laatstgenoemde statutenwijziging worden aangeduid als “Plan”.

2.2. Plan maakt in de uitvoering van haar doelstellingen gebruik van de methode van financië-le adoptie (thans sponsoring) van kinderen. Bij financiële adoptie “adopteerde” een Foster Pa-rent (in een rijk, westers land) een individueel kind in een ontwikkelingsland waarin Plan werkzaam is (een Foster Child) in die zin, dat de Foster Parent een maandelijks bedrag ten be-hoeve van dat kind aan Plan betaalde en dat er een (door Plan gereguleerd) persoonlijk contact (middels briefwisseling) tussen de Foster Parent en het Foster Child werd tot stand gebracht. Plan is werkzaam (geweest) in een aantal ontwikkelingslanden, waaronder Colombia. In Colombia was zij onder meer werkzaam in Barranquilla.

2.3. In het midden van de negentiger jaren van de vorige eeuw kwam er kritiek op het functio-neren van Plan. Op verzoek van Foster Parents Plan International is door PriceWaterhouse on-derzoek verricht naar het project Barranquilla, waarvan op 2 februari 1996 een rapport is uit-gebracht. In de zomer van 2000 is door Plan/Plan International een onafhankelijke commissie ingesteld (de zgn. Commissie-De Boer), die onderzoek heeft gedaan naar klachten betreffende de besteding van gelden door Plan/Plan International in de wijk Cité Soleil, Porte-au-Prince, Haïti. De Commissie-De Boer heeft vervolgens Consultants for Development Programmes (CDP) te Utrecht gevraagd informatie te verzamelen ter beantwoording van een aantal deel-vragen. CDP heeft in juni 2001 rapport uitgebracht; de Commissie-De Boer heeft vervolgens (eveneens in juni 2001) gerapporteerd.

Naar aanleiding van de negatieve publiciteit heeft een groot aantal mensen in Nederland zich als donerende Foster Parents teruggetrokken.

2.4. Bij notariële akte van 21 september 2000 is door Wilgers het Fonds opgericht; Wilgers werd als (enig) bestuurslid benoemd. Op 24 april 2001 werd als (enig) bestuurslid benoemd de in 1979 in Colombia geboren E.D. de Arco Serpa. De stichting is – in elk geval nog op 1 december 2004 – gevestigd op het kantooradres van Wilgers. Blijkens haar statuten stelt het Fonds zich ten doel:

1. Fondsen te verwerven ter bestrijding van de kosten met betrekking tot de in de navolgende doelstel-ling te voeren procedures.

2. Het bevorderen van nakoming van de schenkingsovereenkomsten tussen Stichting Foster Parents Plan Nederland (FPPN) en de beneficianten (hetzij het individuele kind, hetzij het gezin waartoe het kind behoort, hetzij de directe omgeving waartoe het kind behoort), althans een veroordeling van de Stichting Foster Parents Plan Nederland (FPPN) tot nakoming alsnog, althans een verkrij-ging van schadevergoeding.

3. Het voeren van procedures ter verkrijging van een veroordeling van Foster Parents Plan Nederland (FPPN) en eventueel andere dochterondernemingen, althans hulppersonen van de rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika onder de naam Foster Parents Plan Internatio-nal Incorporation, tot nakoming alsnog als bedoeld in het voorgaande lid, hetzij tot het vergoeden van de door de tekortkoming in de nakoming van de schenkingsovereenkomst ontstane schade.

4. Het bestrijden van misbruik van het vertrouwen van het publiek in binnen- en buitenlandse fond-senwervende rechtspersonen, alsmede de samenwerkende rechtspersonen, die doorgaans zich be-dienen van de aanduiding organisatie.

2.5. Op 27 september 2000 heeft Wilgers namens (onder meer) het Fonds het faillissement van Plan aangevraagd. Bij beschikking van 3 oktober 2000 zijn alle verzoekers in het verzoek niet-ontvankelijk verklaard; die beschikking is door het gerechtshof te Amsterdam op 6 no-vember 2000 bekrachtigd. In een rekest civiel tegen die laatste uitspraak is het Fonds (evenals alle andere verzoekers) bij arrest van 21 augustus 2003 van voornoemd gerechtshof niet-ont-vankelijk verklaard.

2.6. In april 2001 is door het Fonds een folder gemaakt met de navolgende inhoud:

FOSTER PARENTS PLAN SLECHT PLAN!

Stichting proceskostenfonds Misbruikte Kinderen Foster Parents Plan

Foster Parents Plan heeft aan de kinderen in Barranquilla jarenlang voorgehouden dat zij begunstigde waren van Nederlandse pleegouders. De hulp kwam echter nooit aan, behalve dat de vaders en moeders van de kinderen wat golfplaten, stenen, een stapelbed of een potlood met bijbehorende puntenslijper kregen.

Intussen betaalden de pleegouders, die de kinderen financieel adopteerden, jarenlang een bedrag van fl. 540,= per jaar. Foster Parents Plan beweerde dat het geld zou zijn besteed aan zogeheten projecten. Die projecten zouden bestaan uit wegenaanleg, gezondheidszorg, betaling van schoolgeld en het opknappen van huizen.

Onzin! Maar ouders van kinderen konden alleen maar mompelen dat die kosten door de Colombiaanse overheid worden betaald. Wie kritiek had werd onmiddellijk geschorst. De kinderen en hun ouders kon-den alleen maar hopen dat er hulp zou komen, maar vergeefs.

Intussen is er in de periode waarin Foster Parents Plan actief was in Barranquilla 95 miljoen gulden zoek! Waar je ook komt, in Kenia, Haïti of Sri Lanka, het is overal hetzelfde. De kinderen, noch de omgeving ziet iets van de donaties.

Dit geld, bedoeld voor hulp aan de kinderen, moet er alsnog komen. Maar Foster Parents Plan blijkt niet van plan alsnog iets voor de kinderen van Barranquilla te doen. Sterker, Foster Parents Plan is vertrok-ken uit Barranquilla.

Foster Parents Plan gebruikt intussen het geld van de kinderen om de duurste advocaten in Nederland te betalen, die de meest gezochte verweren verzinnen om onder de vordering van de kinderen uit te draai-en. De kinderen zouden nergens recht op hebben.

Dat betekent dat de kinderen eigenlijk armer zijn geworden van het feit dat hun naam en foto jaren zijn gebruikt om fondsen te werven.

Nu moeten de kinderen en hun ouders ook nog investeren in de proceskosten om toegezegde hulp als-nog af te dwingen.

Er zijn meerdere Nederlandse advocaten die met grote voortvarendheid Foster Parents Plan aanpakken. Een van die advocaten is alvast begonnen met een faillissementsverzoek. Toch is er geld nodig om de kinderen te helpen voor hun rechten op te komen.

Geeft de kinderen van Barranquilla alsnog iets onbetaalbaars, namelijk de onmisbare steun die zij ver-dienen in hun wanhopige poging om van een duistere organisatie nakoming te krijgen van een belofte.

Foster Parents Plan: “Het geld is op aan projecten”

Het Proceskostenfonds: “De kinderen hebben niets gekregen, projecten zijn er nauwelijks en het geld is zoek"

Er zijn een aantal onderzoeken gedaan naar het reilen en zeilen van Foster Parents Plan. Een eigen in-tern onderzoek uit 1995, dat onbedoeld naar buiten kwam, levert de vaststelling op dat sprake was van fraude in Barranquilla.

Foster Parents Plan is een groot aantal malen negatief in het nieuws geweest. Zo was er in de jaren tach-tig een vernietigend oordeel van de Nationale Ombudsman. De Evangelische Omroep en de VARA hebben pijnlijke documentaires gemaakt over het reilen en zeilen van Foster Parents Plan.

De Nederlandse oud-ambassadeur, die plaatselijk onderzoek deed, heeft de kwestie treffend uitgedrukt: “De mensen worden belazerd”. Andere ambassadeurs kunnen niets positiefs melden.

De folder is in elk geval toegezonden aan bestuursleden en de advocaat van Plan. Op 13 april 2001 heeft de president van de rechtbank te Arnhem op vordering van Plan (onder meer) ver-spreiding van de folder verboden en (onder meer) het Fonds verboden een dertiental in de fol-der gedane uitlatingen – door de president onrechtmatig jegens Plan geoordeeld – te herhalen. De nog bij het Fonds in bezit zijnde folders zijn op grond van dat vonnis afgegeven aan (de advocaat van) Plan. Genoemd vonnis is op 7 mei 2002 ten aanzien van het verbod op ver-spreiding door het gerechtshof te Arnhem bekrachtigd. Het hof achtte evenwel slechts één van de door Plan gewraakte uitlatingen in de folder (nl. die inhoudend dat een voorvarend advo-caat reeds was begonnen met het faillissementsverzoek van Foster Parents Plan) onrechtma-tig, en verbood (onder meer) het Fonds die uitlating te herhalen.

2.7. Plan heeft CDP gevraagd onderzoek te doen naar het programma van Plan, zoals uitge-voerd in Barranquilla in 1991 tot 2000. Van dat onderzoek, uitgevoerd door/onder verant-woordelijkheid van drs. J. Fokkema, is in oktober 2002 een rapport opgemaakt.

2.8. Het Fonds heeft Plan op 18 juli 2001 gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam, vor-derend (onder meer) schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen jegens dan wel niet na-komen van schenkingsovereenkomsten met de kinderen in Barranquilla. De rechtbank heeft bij vonnis van 31 maart 2004 het Fonds niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering (onder meer) omdat gesteld noch gebleken was dat het Fonds voldoende representatief was om ter bescherming van de collectieve belangen van genoemde kinderen op te treden.

2.9. Op diverse data in 2003 heeft Wilgers aan de advocaat van Plan (en éénmaal per fax aan de Coöperatieve Rabobank Beveland U.A., vestiging Goes) een inhoudelijk met de onder 2.6 genoemde folder vergelijkbare folder gezonden. In een begeleidende brief van 23 april 2003 bij één van die folders heeft hij aangegeven dat het Fonds voornemens is die folder te gaan verspreiden en dat Plan het Fonds gedienstig kon zijn door € 25.000,-- op de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden mr. Wilgers te storten. Bij vonnis van 20 november 2003 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is het Fonds en Wilgers bevolen verspreiding van genoemde folders en het doen van mededelingen als in de folder gedaan (en in de dagvaarding in kort geding nader omschreven) te staken en gestaakt te houden. Het Fonds en Wilgers heb-ben van dat vonnis hoger beroep ingesteld.

2.10. Een verzoekschrift van 29 januari 2004 van het Fonds om een voorlopig deskundigenbe-richt te bevelen – met verzoek tot benoeming als deskundige(n) aanvankelijk de leden van de Commissie-De Boer, daarna één lid van die commissie en vervolgens (eerst) de registerac-countant drs. A.M. van Osch – ter vaststelling van “de opzettelijke onjuistheid van het door Foster Parents Plan aan CDP opgedragen rapport” (zijnde het onder 2.6 genoemde rapport) is bij beschikking van deze rechtbank van 9 juni 2004 afgewezen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Plan vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht verklaart dat:

- de in de dagvaarding onder 37, a tot en met q, genoemde uitspraken onjuist en onrecht-matig jegens haar zijn;

- het Fonds en Wilgers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle door Plan ten gevolge van de onrechtmatige gedragingen van het Fonds en Wilgers geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat;

b. het Fonds beveelt binnen 14 dagen na betekening van het in deze gewezen vonnis haar statutaire naam en haar handelsnaam te wijzigen zodat de bestanddelen “misbruikte kinde-ren” en “Foster Parents Plan”, apart of samen, er niet meer in voorkomen en voorts het Fonds en Wilgers verbiedt een statutaire naam of handelsnaam waarin voornoemde be-standdelen in voorkomen, te voeren;

c. het Fonds en Wilgers beveelt met onmiddellijke ingang na het te deze gewezen vonnis zich te onthouden van het herhalen van de onrechtmatige mededelingen zoals in de dag-vaarding onder 37, a tot en met q, genoemd;

d. het Fonds en Wilgers hoofdelijk veroordeelt aan Plan te betalen, ten titel van dwangsom, bedragen van € 25.000,-- voor elke overtreding, dan wel niet-nakoming van de onder b. en c. vermelde bevelen en € 5.000,-- voor elke dag of gedeelte daarvan waarop de overtre-ding of niet-nakoming voortduurt;

e. het Fonds en Wilgers hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. De in de eis onder a. bedoelde uitlatingen zijn de, in de onder 2.5 genoemde folder ver-vatte, navolgende:

a) dat de hulp nooit is aangekomen;

b) dat het “onzin” zou zijn te stellen dat de donaties aan projecten zijn besteed;

c) dat wie kritiek had op Foster Parents onmiddellijk werd geschorst;

d) dat de kinderen en hun ouders vergeefs hoopten op hulp;

e) dat NLG 95 miljoen zoek is in Barranquilla;

f) dat het overal hetzelfde is, waar je ook komt, in Sri Lanka, Haïti of Kenia;

g) dat de kinderen noch hun omgeving iets zien van de donaties;

h) dat het Fonds in staat is bij deze duistere organisatie nakoming te krijgen van de beloften;

i) dat uit een onbedoeld naar buiten gekomen intern onderzoek is gebleken dat er sprake was van fraude in Barranquilla;

j) dat Foster Parents Plan aan de kinderen in Barranquilla jarenlang heeft voorgehouden dat zij be-gunstigden waren van Nederlandse pleegouders;

k) dat Foster Parents Plan inmiddels het geld gebruikt om de duurste advocaten van Nederland te be-talen;

l) dat de ambassadeurs (van Nederland) niets positiefs kunnen melden over Foster Parents Plan.

Voorts stelt Plan nog de navolgende, door Wilgers en het Fonds op andere plaatsen in de openbaarheid gedane uitlatingen:

m) dat Plan eugenetisch gedachtengoed hanteert;

n) dat Plan geopolitiek Malthusianisme bedrijft;

o) dat Plan bevolkingsreductionalistische programma’s uitvoert, onder meer in Colombia;

p) dat Plan de kinderen belazert;

q) dat zij (Wilgers en het Fonds) optreden voor 16.500 kinderen uit Barranquilla.

bevoegdheid en ontvankelijkheid

3.3. Primair verweren het Fonds en Wilgers zich met de stelling dat Plan niet ontvankelijk is in haar vorderingen. Plan had haar rechtsvorm en statutaire naam – Stichting Foster Parents Plan Nederland – in de dagvaarding moeten gebruiken; de rechtspersoon wiens naam zij heeft gebruikt – Plan Nederland – bestaat blijkens het Handelsregister van de Kamer van Koophan-del te Amsterdam niet. Zij heeft dan ook geen belang bij de vordering. Verwijzend naar art. 245 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) vorderen het Fonds en Wilgers de procureur en de advocaat van Plan in de proceskosten te veroordelen.

Voorts kan een stichting als Plan geen schadevergoeding eisen bij het teruglopen van dona-ties, omdat in die situatie geen sprake is van winstderving of verlies. Bovendien stelt Plan een collectieve actie als bedoeld in art. 3:305a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in, althans vor-dert zij voor zichzelf, terwijl zij blijkens haar (huidige) doelstelling slechts kan werven ten behoeve van Foster Parents Plan International Inc.. Het Fonds en Wilgers stellen voorts dat aan de vereisten van art. 3:305a BW niet is voldaan, immers is onvoldoende overleg gevoerd, wordt ten onrechte een vergoeding in geld gevorderd en maken de destijds door Plan begun-stigde kinderen in Barranquilla bezwaar tegen de rechtsvordering.

Ten aanzien van de vordering met betrekking tot de handelsnaam van het Fonds beroepen het Fonds en Wilgers zich – verwijzend naar art. 6 van de Handelsnaamwet – op onbevoegdheid van de sector civiel recht van de rechtbank daarover te oordelen en voorts niet-ontvankelijk-heid van Plan in haar vordering nu zij deze bij verzoekschrift had behoren in te stellen.

3.4. Plan verweert zich; zij stelt dat (ook) Plan Nederland haar statutaire naam is. Bovendien leidt een foutieve naamsvermelding slechts tot nietigheid van de dagvaarding – welke eventu-ele nietigheid door het verschijnen van het Fonds en Wilgers is gedekt – en niet tot niet-ont-vankelijkheid. Het Fonds en Wilgers zijn voorts door de vermeende foutieve naamsvermel-ding niet benadeeld; uit de eigen stellingen van het Fonds en Wilgers blijkt dat er bij hen geen enkele twijfel is geweest over wie de eisende partij is.

De wettelijke grondslag voor de vordering tot schadevergoeding is gelegen in art. 6:162 BW; niet valt in te zien waarom geen schadevergoeding kan worden gevorderd in geval van terug-lopende donaties. Anders dan het Fonds en Wilgers kennelijk menen is geen sprake van een collectieve actie als bedoeld in art. 3:305a BW. Plan heeft een eigen rechtsbelang.

Ook de vordering ten aanzien van de handelsnaam is gebaseerd op onrechtmatig handelen (derhalve art 6:162 BW) van het Fonds en Wilgers. De sector civiel recht van de rechtbank is bevoegd en Plan is ontvankelijk.

de vorderingen

3.5. Plan stelt dat de onder 3.2 weergegeven uitlatingen onjuist, misleidend en daardoor on-rechtmatig zijn. Plan lijdt door de – hiervoor onder de feiten weergegeven wijze van – ver-spreiding ervan en door de dreiging die verspreiding te herhalen schade.

Dat de uitlatingen onjuist zijn onderbouwt Plan met verwijzing naar de onder 2.3 genoemde rapporten van PriceWaterhouse en van de Commissie De Boer en naar het in 2001 in het ka-der van de toekenning van de zgn. MFO-status door het Ministerie van Ontwikkelingssamen-werking plaatsgevonden hebbend kwaliteitsonderzoek, waarin zij positief werd beoordeeld. Daarnaast heeft Plan in verband met het feit dat genoemde uitlatingen werden gedaan het on-der 2.7 genoemde onderzoek, verricht door het onafhankelijke bureau CDP, gevraagd. Uit dat onderzoek – nog niet beschikbaar toen het gerechtshof in Arnhem zijn arrest van 7 mei 2002 (genoemd in 2.6) wees – blijkt duidelijk dat de aantijgingen onjuist zijn.

De folder en de daarin gedane uitlatingen afzonderlijk zijn schadelijk voor de goede naam van Plan; zij lijdt schade doordat vele sponsors hun relatie met Plan hebben beëindigd of dat zul-len doen. Vanaf het begin van de “lastercampagne” tot het moment van dagvaarding had Plan 100.000 sponsors verloren. Deze schade is het rechtstreekse gevolg van het handelen van het Fonds en Wilgers. Laatstgenoemde is veel meer dan alleen de raadsman van het Fonds; hij is zodanig persoonlijk betrokken bij de gewraakte handelingen dat hij ook persoonlijk daarvoor aansprakelijk is te stellen.

Het gebruik van de zinsnede “misbruikte kinderen Foster Parents Plan” door het Fonds in haar handelsnaam is jegens Plan onrechtmatig, nu daarmee de onjuiste en misleidende suggestie wordt gewekt dat Plan kinderen misbruikt. Voorts is het in strijd met de artt. 5 en 5a van de Handelsnaamwet.

3.6. Het Fonds en Wilgers stellen daar tegenover, dat het Fonds is opgericht om Plan aan haar met de kinderen(en hun gezinnen) in Barranquilla aangegane verbintenissen te houden. Uit eigen onderzoek is gebleken dat Plan 75% van het ingezamelde geld aan haar moederorgani-satie in de Verenigde Staten van Amerika overmaakt, en dat in Barranquilla – anders dan was toegezegd – aan de daar wonende (16.500, althans 5.422) Foster kinderen en hun gezinnen geen geld is gegeven en slechts 8% van de door Foster Parents ten behoeve van die kinderen bijeengebrachte gelden ten behoeve van die kinderen (in gebouwen) is geïnvesteerd. Van be-steding van de rest bleek – bij eigen onderzoek – ter plaatse niets zichtbaar. Het Fonds en Wilgers verwijzen voorts naar televisie-uitzendingen (EO-Tijdsein uit 1997, Zembla uit 2000) en een radio-uitzending (De Ochtenden uit 2001). Het rapport van PriceWaterhouse is onjuist. Ook het rapport van de CDP van oktober 2002 – dat vals is nu het is opgemaakt om tot bewijs van de stellingen van Plan te dienen – deugt niet. Het Fonds en Wilgers bieden uitdrukkelijk aan de juistheid van de mededelingen in de folders te bewijzen.

Het Fonds en Wilgers beroepen zich op art. 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM); ook in het licht van de ter zake bestaande jurisprudentie valt de beperking van de vrijheid van meningsuiting van het Fonds niet te rechtvaardigen.

De folders zijn afkomstig van het Fonds. Wilgers persoonlijk heeft daarmee niets van doen; als raadsman van het Fonds is hij slechts dienstbaar geweest aan zijn cliënte; dat maakt hem niet aansprakelijk.

Overigens zijn de folders niet verspreid. De onder m tot en met q genoemde uitlatingen zijn (door Wilgers als advocaat van het Fonds) in confraternele correspondentie met de advocaat van Plan – en derhalve niet in de openbaarheid – gedaan.

Het Fonds en Wilgers betwisten dat Plan schade heeft geleden. Tussen het handelen van het Fonds en Wilgers en de gestelde schade is geen causaal verband; de door Plan gestelde schade is het gevolg van haar eigen handelen en hetgeen daarover in de media openbaar is gemaakt.

Als al door het handelen van het Fonds en Wilgers schade voor Plan is ontstaan, dan kan Plan eigen schuld worden verweten; zij heeft nimmer redelijk overleg willen voeren met het Fonds (of andere critici).

Ten aanzien van de vordering met betrekking tot de handelsnaam van het Fonds stellen het Fonds en Wilgers dat Plan geen handelsnaam kan hebben (nu zij als stichting geen onderne-ming kan drijven) en zich dan ook niet op de Handelsnaamwet kan beroepen. Bovendien ge-bruikt Plan de in de naam van het Fonds gebruikte woorden niet meer in haar publieke uitin-gen, terwijl de naam van het Fonds haar doelstelling heel precies weergeeft. Tenslotte is er van te duchten verwarring of van misbruik geen sprake.

in voorwaardelijke reconventie

3.7. Voor het geval Plan in haar vorderingen ontvankelijk wordt verklaard, vordert het Fonds, na wijziging van eis, dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Plan in strijd met de statuten zoals deze luidden tot 9 althans 29 juli 1999, aan alle door of via haar financieel geadopteerde kinderen wereldwijd, althans aan 16.500 in en rond Barranquilla door of via haar financieel geadopteerde kinderen, geen enkele, althans in onvoldoende mate, mate-riële en financiële hulp heeft verschaft, met veroordeling van Plan in de kosten van de proce-dure.

3.8. Het Fonds stelt aldus een collectieve actie in te stellen ten behoeve van de in haar doel-stellingen aangeduide belanghebbenden – tot het instellen waarvan naar zij stelt haar doelstel-lingen ook toereikend zijn. Zij stelt dat Plan haar tot 9 juli 1999 geldende doelstellingen – met name die in art. 2, onder a en c (zoals hiervoor onder 2.1 weergegeven) – niet heeft nageleefd. Ter onderbouwing verwijst zij naar een pleitnota, kennelijk op 11 maart 2004 voor de Recht-bank van Amsterdam in de onder 2.8 genoemde procedure van het Fonds tegen Plan voorge-dragen.

3.9. Plan merkt op dat het Fonds thans een vordering instelt tegen een entiteit waarvan zij zelf stelt dat die niet bestaat. Voorts voert zij aan dat het Fonds in haar vordering niet kan worden ontvangen, omdat (1) de vordering vanwege haar onduidelijkheid is te beschouwen als een “obscuur libel” en (2) de statuten van het Fonds haar geen ruimte geeft een vordering als de onderhavige (bij wijze van collectieve actie) in te stellen. Voorts heeft het Fonds geen enkele vorm van overleg om het gevorderde te verkrijgen met Plan gevoerd, zoals art. 3:305a, lid 2 BW voorschrijft. Tenslotte gaat Plan in op hetgeen in de door het Fonds genoemde pleitnota is opgemerkt.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie

bevoegdheid

4.1.1. Het Fonds en Wilgers stellen ten onrechte dat de sector civiel recht van de rechtbank onbevoegd is de vordering onder b. te beoordelen. Art. 6 van de Handelsnaamwet bepaalt dat:

“(i)ndien een handelsnaam wordt gevoerd in strijd met deze wet, (…) iedere belanghebbende, onver-minderd zijn vordering krachtens titel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zich bij verzoekschrift tot de kantonrechter (kan) wenden met het verzoek, degene die de verboden handelsnaam voert te ver-oordelen (…)”

De Handelsnaamwet laat dus de mogelijkheid open in geval van een verboden handelsnaam een vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen. Overigens is het zeer de vraag of de Handelsnaamwet – waarin regels zijn getroffen omtrent de handelsnaam, dat is: de naam waaronder een onderneming wordt gedreven – in deze zaak, waarin twee stichtingen een ge-schil hebben omtrent het gebruik van bepaalde woorden in hun namen, van toepassing is. Plan legt echter primair uitdrukkelijk onrechtmatig handelen door het Fonds (en Wilgers) aan haar vordering ten grondslag. Tot beoordeling van een op die grondslag gebaseerde vordering is de sector civiel recht van de rechtbank bevoegd.

ontvankelijkheid

4.1.2. De door het Fonds en Wilgers gestelde onjuiste naamsvermelding kan niet tot niet-ont-vankelijkheid leiden. Zo al een gevolg aan de gestelde onjuiste naamsvermelding dient te worden verbonden, dan kan dat slechts nietigheid van de dagvaarding zijn. Daarop hebben het Fonds en Wilgers zich evenwel niet beroepen. Zij zijn wel in het geding verschenen, en daar-mee is een eventuele nietigheid gedekt. Zo het verweer moet worden verstaan als een beroep op nietigheid van de dagvaarding, dan moet worden vastgesteld dat het Fonds en Wilgers door de door hen gestelde naamsvermelding – waarvan de rechtbank vaststelt dat deze niet onjuist was maar wel onvolledig, nu Plan ervoor heeft gekozen haar handelsnaam en niet haar statutaire naam te gebruiken – op geen enkele wijze in hun belangen zijn geschaad. Immers is van meet af aan duidelijk geweest (dat zeggen ook het Fonds en Wilgers in hun processtukken ook zelf) wie de eisende partij is. De door het Fonds en Wilgers genoemde executieproblemen zullen zich niet voordoen; er is geen grond voor toepassing van art. 45 Rv.

Plan is geen spookpartij; zij heeft voldoende belang bij de vorderingen.

4.1.3. De rechtbank ziet niet in waarom het een stichting als Plan – anders dan in de situatie bedoeld in art. 3:305a BW – niet zou zijn toegestaan schadevergoeding (in geld) te eisen, stel-lende dat door onrechtmatig handelen van een ander de donaties teruglopen. Bovendien zou – zo dat al zou zijn – de omstandigheid dat een stichting dat toch doet slechts tot afwijzing van de vorderingen (en niet tot niet-ontvankelijkheid van die stichting) kunnen leiden.

4.1.4. Waar het Fonds en Wilgers voorts stellen dat Plan niet heeft voldaan aan de in art. 3:305a BW gestelde eisen voor een collectieve actie, zien zij eraan voorbij dat Plan geen col-lectieve actie instelt. Hetgeen Plan in de onderhavige procedure vordert betreft niet de belan-gen van anderen – welke belangen zij volgens haar statuten zou behartigen – doch betreft haar eigen belang als fondsenwervende organisatie. Ook deze grond voor niet-ontvankelijkheid wordt verworpen.

4.1.5. Nu – zoals al onder 4.1.1. is vastgesteld – Plan haar vorderingen ten aanzien van de door het Fonds gevoerde handelsnaam baseert op art. 6:162 BW, heeft zij die vordering te-recht door middel van een dagvaarding ingesteld. De door het Fonds en Wilgers gestelde on-juiste wijze van inleiden – die overigens, zou zij aanwezig zijn geweest, niet tot niet-ontvan-kelijkheid van Plan, doch slechts tot doorgeleiding naar de juiste procedure op de wijze als bepaald in art. 69 Rv, zou hebben geleid – doet zich derhalve niet voor.

4.1.6. Plan kan derhalve in al haar vorderingen worden ontvangen.

de vorderingen

4.2.1. Voor zover het Fonds en Wilgers hebben willen stellen dat Plan geen belang heeft bij haar vorderingen omdat de litigieuze folder nimmer is verspreid, overweegt de rechtbank dat voldoende vast staat dat het Fonds de klaarblijkelijke bedoeling heeft gehad die folders te ver-spreiden; van de folder was immers een groot aantal exemplaren gedrukt en de inhoud van de folder wijst op fondswerving, die slechts kan werken wanneer de folder daadwerkelijk wordt verspreid. Dat geen verspreiding heeft plaatsgevonden heeft te maken met het feit dat op grond van een rechterlijk vonnis de folders aan Plan dienden te worden overgedragen. Ook daarna heeft het Fonds nieuwe folders gemaakt, waarvan er één in elk geval aan een bank is gezonden en voorts één met een begeleidende brief van Wilgers aan (de advocaat van) Plan; in die begeleidende brief deed Wilgers de mededeling dat het Fonds van plan waren die folder (in een oplage van 500.000 stuks) te verspreiden en dat Plan zulks kon voorkomen – zo moet de inhoud van die brief worden begrepen – door betaling van een bedrag in geld. Aldus moet ervan worden uitgegaan dat het Fonds niet van zins was (en is) het doen van de gewraakte uitlatingen te staken en dat er aldus bij haar geen bereidheid bestaat om de door Plan thans aan de rechtbank voorgelegde uitlatingen niet langer – in het openbaar – te doen. Onder die omstandigheden heeft Plan belang bij het doen vaststellen van eventuele onrechtmatigheid van die uitlatingen en – zo die onrechtmatigheid bestaat – het vragen van een verbod op ver-spreiding van die uitlatingen.

4.2.2. Ten aanzien van de onder 3.2, sub m, n en o weergegeven uitlatingen hebben het Fonds en Wilgers onbetwist gesteld dat deze uitsluitend in confraternele correspondentie – en der-halve niet in het openbaar – zijn gedaan. Dat het Fonds of Wilgers voornemens zijn deze uit-latingen op enigerlei wijze (alsnog) openbaar te maken is gesteld noch gebleken. De door haar gestelde schade (imagoschade en verlies aan donateurs) kan niet het gevolg zijn geweest van deze uitlatingen. Onder die omstandigheden heeft Plan – hoe onjuist de mededelingen moge-lijk ook zijn – geen belang een verbod op het herhalen van deze mededelingen en bij een ver-klaring voor recht dat het om onrechtmatige uitspraken gaat tengevolge waarvan zij schade heeft geleden. Haar vordering zal in zoverre worden afgewezen. In het navolgende gaat het dan ook nog uitsluitend om de onder 3.2 sub a tot en met l en sub p en q weergegeven uitlatin-gen.

4.3. De vordering om voor recht te verklaren dat de uitlatingen onjuist en jegens Plan onrecht-matig zijn, zal ten aanzien van zowel het Fonds als Wilgers kunnen worden besproken en be-slist. Voor een dergelijke vordering tegen (ook) Wilgers is niet vereist dat Wilgers zelf recht-streeks verantwoordelijk is voor de inhoud van de folder; voldoende is dat Plan ook jegens hem bij de gevorderde verklaring voor recht belang heeft. Nu Wilgers zeer nauw betrokken is bij het Fonds – hij was de oprichter, het Fonds is gevestigd op zijn (kantoor-)adres, hij heeft zich uitdrukkelijk als raadsman en (naar hij zelf zegt) boodschapper van het Fonds opgesteld en was degene die de (beperkte) verspreiding van de folders heeft verricht – heeft Plan er vol-doende belang bij ook ten aanzien van hem een verklaring voor recht als gevorderd te verkrij-gen. Datzelfde geldt voor het gevorderde bevel zich te onthouden van het herhalen van de uit-latingen. Indien vast staat dat de uitlatingen onrechtmatig zijn, heeft Plan er niet alleen belang bij dat het Fonds wordt verboden de (uitlatingen als gedaan in) de folder verder te versprei-den, zij heeft er dan ook belang bij dat Wilgers zulks wordt verboden.

4.4. onjuist en onrechtmatig?

Dan is thans is aan de orde de vraag naar de (on)rechtmatigheid van de door het Fonds in de gewraakte folder gedane uitlatingen. Plan stelt dat die uitlatingen onjuist en jegens haar on-rechtmatig zijn. De rechtbank zal de uitlatingen dan ook eerst op hun juistheid dienen te on-derzoeken en vervolgens – zo de uitlatingen onjuist zijn – dienen na te gaan of het doen van de uitlatingen jegens Plan onrechtmatig is.

4.5. onjuist?

4.5.1. Bij de beoordeling van de vraag of de door het Fonds gedane uitlatingen (bij het ver-schijnen van de folder en ook thans nog) juist of onjuist zijn, zijn allereerst van belang de door het Fonds en Wilgers overgelegde televisie-uitzendingen (EO-Tijdsein uit 1997, Zembla uit 2000) en een radio-uitzending (De Ochtenden uit 2001); het Fonds en Wilgers baseren zich immers primair op die bronnen. Uit die bronnen blijkt het navolgende:

- vanaf midden jaren ’90 van de vorige eeuw hebben verontruste Foster Parents in Neder-land zich in de media uitgelaten over hetgeen zij zagen als het niet op de juiste wijze na-komen van verplichtingen door Plan. Daarbij ging het er met name om dat Foster Parents die hun Foster Child opzochten, moesten vaststellen dat dat kind geen (directe) hulp had ontvangen, terwijl zij op grond van hetgeen in de wervingscampagnes van Plan voor Fos-ter Parents, uit de berichten van Plan (in het Annual Report) en de brieven van het kind, de stellige indruk hadden dat er wel directe hulp aan het kind zou worden (en ook werd) gegeven. De Foster Parents maakten zich boos om deze onjuiste voorlichting; als geldge-vers wilden zij een eerlijke berichtgeving over hoe dat geld werd besteed. Omdat Plan op de kritiek nogal krampachtig reageerde en niet veel verandering in haar strategie leek aan te brengen, werd in april 2001 door verontruste Foster Parents een “donatie-staking” over-wogen. Plan gaf in de radio-uitzending uitdrukkelijk aan dat haar werkwijze in de doel-landen er één was die zich vooral richtte op de gemeenschap en dat het dan kon vóórko-men dat een individueel kind niets direct ontving en mogelijk zelfs van de adoptie niet wist.

- er waren Foster Children en gezinnen die geen directe hulp hebben ontvangen; de situatie waarin een Foster Child verbleef kwam niet altijd overeen met hetgeen aan de Foster Pa-rents was voorgespiegeld. Brieven aan Foster Parents werden gescreend, soms (in strijd met de waarheid) aangepast en/of door anderen dan het kind zelf geschreven, en toch als brief van het kind naar de Foster Parents gezonden.

- Plan voerde wel in de omgeving van de kinderen projecten uit. Er zijn Foster Families die van de projecten voordeel hebben, maar ook Foster Families die daarvan niet kunnen pro-fiteren. Er zijn projecten mislukt (waar het gaat om Barranquilla wordt in EO-Tijdsein ge-noemd: een door Plan gebouwde school die al kort na oplevering en overdracht aan de ge-meente bouwtechnisch niet blijkt te deugen en op instorten staat; een door Plan gebouwde steenfabriek en een centrum voor coöperaties die beide leeg staan). De algemeen directeur van Plan in Barranquilla, [H.D.], stelde dat Plan, gelet op het feit dat er zo’n 16.000 kinderen in Barranquilla in het programma zaten, de contacten niet allemaal zelf kon doen, en deels afhankelijk was van locale organisaties (die niet altijd goed konden worden gecontroleerd). De mislukte projecten werden niet aan de Foster Parents gemeld, terwijl Plan ook in haar jaarverslagen niet of nauwelijks rapporteerde over de daadwerke-lijke resultaten van haar werk. Derde-wereld-deskundige dr. [P.H.] gaf aan dat Plan, gelet op de wijze waarop zij haar gelden verwerft, maatschappelijk verplicht is daarover wel te rapporteren.

- oud-ambassadeur [R] kwam in Zembla aan het woord. Hij zei onderzoek te heb-ben gedaan in Colombia en veel ontevreden Foster Families te zijn tegengekomen. Die ontevredenheid betrof de (locale) vrijwilligers (door deze in te schakelen werd het werk van Plan ook fraudegevoelig, suggereerde [R]) en het feit dat men van het geld van de Foster Parents – waarvan men wist dat het voor hen werd betaald en waarop men dan misschien geen recht had, maar waarvan men toch wel verwachtingen mocht hebben, zo zegt de Roos – geen directe hulp ontvangen. [R] verwees naar kaartjes, uitgereikt aan Foster Families voor de registratie van directe hulp; bijna alle kaartjes die hij had ge-zien waren leeg. [R] stelde vast dat Plan aldus heel anders handelde dan ze zowel de Foster Families als de Foster Parents te voren voorspiegelde. Hij sprak in dat kader over “belazeren” en “kwade trouw”.

- uit Zembla blijkt dat ook in Haïti en Sri Lanka gezinnen zeiden geen directe hulp te heb-ben ontvangen (op dat moment was Plan al 2 jaar weg uit Haïti), en in EO-Tijdsein kwa-men Foster Families en Plan medewerkers uit Kenia, Zimbabwe en de Filippijnen aan het woord, die over dezelfde problemen rapporteerden.

- in Zembla is opgemerkt dat – in verband met het verzoek van Plan aan de Nederlandse Minister van Ontwikkelingssamenwerking om te worden toegelaten tot het medefinancie-ringsprogramma – de ambassadeur van Mali, Sri Lanka en Bolivia kritisch waren geweest over Plan; nadere toelichting is daarop in die uitzending niet gegeven.

- in EO-Tijdsein is ingegaan op de vraag hoeveel procent van de door Foster Parents gege-ven bijdrage (toen, in 1997) daadwerkelijk bij de kinderen terecht kwam. Het jaarverslag 1996 sprak over: 88%; 12,2% bleef in de Nederlandse organisatie. In de uitzending is toe-gelicht dat het in Nederland ontvangen geld naar het Internationale Kantoor in Londen werd overgemaakt, welk kantoor vervolgens de gelden verdeelde over de lopende pro-gramma’s. Financieel deskundige drs.[P.L.] rekende voor dat (gemiddeld) 18% in de nationale organisaties in de sponsorlanden bleef, dat het Inernationaal Hoofdkantoor in Londen 4% gebruikte, dat 3% nodig was voor de correspondentie tussen Foster Parents en Foster Children en dat hij van 16% de precieze besteding niet kon achterhalen; 59% kwam derhalve ten goede aan de kinderen en hun gezinnen. Derde-wereld-deskundige dr. [P.H.] gaf aan dat dat laatste percentage kon worden verdeeld in 40% dat werd ge-bruikt voor projecten voor hele gemeenschappen en dat zo’n 16/17% voor rechtstreekse hulp aan de kinderen werd besteed.

4.5.2. Met betrekking tot de – zoals aangegeven in Zembla genoemde – uitlatingen van diverse ambassadeurs hebben het Fonds en Wilgers nadere stukken (uit de procedure tot erkenning van Plan als medefinancieringsorganisatie) overgelegd. Daarin wordt genuanceerd over Plan gesproken: de ambassadeur van de Filippijnen is positief, die van Mali spreekt over “een niet onaanzienlijke bijdrage (van Plan) bij armoedebestrijding aan de basis”, maar ook van een “zware overhead in de organisatie zowel in Nederland als in het veld”. De ambassadeur van Uganda oordeelt – overigens op grond van beperkt onderzoek – positief en de ambassadeur van Sri Lanka meldt Plan als een professionele organisatie te kennen, doch dat hij “voor wat betreft (Plans) prestaties in Sri Lanka (…) helaas niet veel positiefs (kan) melden”. De ambas-sadeur van Ecuador (die zijn ervaringen met Plan beperkt noemt) geeft kritiekpunten aan maar noemt de ervaringen “zeker niet slecht”. Over een project in Bolivia in de jaren 1991/1992 heeft – zo blijkt uit een door het Fonds en Wilgers overgelegd, niet nader gespecificeerd “me-morandum” – de ambassade vernietigend geoordeeld en (in 1994) aangegeven voorlopig geen nieuwe projecten van Plan te willen.

4.5.3. Meer toegespitst op de situatie in Barranquilla hebben het Fonds en Wilgers nog een Spaanstalig overzicht overgelegd waaruit – naar zij stellen; bij gebreke aan een vertaling en een nadere toelichting kan de rechtbank dat niet controleren – blijkt dat 8% van de voor Bar-ranquilla ingezamelde gelden zijn besteed aan de bouw van scholen.

Het Fonds en Wilgers hebben voorts nog een groot aantal (Spaanstalige) verklaringen overge-legd, waarin Foster Families uit Barranquilla verklaren wat zij (rechtstreeks) van Plan hebben ontvangen. Daaruit blijkt dat zij geen geld hebben ontvangen, dat (lang) niet iedereen goede-ren heeft ontvangen en dat ook niet iedereen projecten weet te noemen, waaraan door Plan is gewerkt. Het Fonds en Wilgers hebben ook een aantal geluidsbanden overgelegd, waarop kennelijk gesprekken met inwoners van Barranquilla zijn geregistreerd, maar bij gebreke van een vertaling, een transcriptie en zelfs een aanduiding van waarop de gesprekken betrekking hebben, met wie en wanneer ze zijn gevoerd, zal de rechtbank op die banden geen acht slaan.

4.5.4. Plan heeft ter onderbouwing van haar stellingen dat de uitlatingen van het Fonds onjuist zijn, overgelegd het in 2.3 genoemde rapport van PriceWaterhouse van begin 1996 en het in 2.7 genoemde CDP-rapport van oktober 2002, beide specifiek handelend over de activiteiten van Plan in Barranquilla. Aan de stelling van het Fonds en Wilgers dat deze rapporten vals zijn – welke valsheid zou liggen in de omstandigheid dat ze (eenzijdig) zijn opgemaakt om tot het bewijs van hetgeen Plan stelt te dienen – gaat de rechtbank voorbij. Dat de rapporten op verzoek van Plan zijn opgemaakt in het kader van de onderbouwing van haar stellingen is op zich juist, maar maakt die rapporten niet vals. Naar het oordeel van de rechtbank staat vol-doende vast dat de rapporterende instanties voldoende afstand hadden van Plan om objectief te kunnen rapporteren. Dat het CDP ook ten behoeve van de Commissie-De Boer onderzoek heeft verricht en dat een lid van die commissie het onderhavige rapport heeft bekritiseerd, maakt dat niet anders. Die kritiek is overigens door CDP weerlegd; nadat Plan die weerleg-ging in de procedure heeft gebracht zijn het Fonds en Wilgers daar niet meer op ingegaan, zo-dat daarmee die discussie is gesloten. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om – zoals het Fonds en Wilgers (opnieuw; een dergelijk verzoek was al bij de onder 2.10 genoemde be-slissing afgewezen) vragen – een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen. Uit voornoemde rapporten blijkt ten aanzien van het programma van Plan in Barranquilla:

- in de door PriceWaterhouse (vooral aan de hand van door het Field Office (van Plan) in Barranquilla verschafte gegevens) onderzochte periode (1992/1995) waren de uitgaven per kind en de kosten van de locale organisatie ongeveer gelijk aan die in andere pro-gramma’s van Plan. Het rapport noemt een aantal uitgevoerde projecten (onder meer op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en wijkontwikkeling), waarvan PriceWaterhouse er in elk geval 8 zelf heeft bezocht. Geconstateerd wordt dat die projec-ten technisch en financieel niet allemaal vlekkeloos zijn verlopen, dat door organisatori-sche problemen in het Field Office (die leidden tot een fundamentele wijziging van de werkwijze in 1994) een niet op alle punten heldere administratie was opgemaakt en dat de communicatie met de mensen in de (moeilijke) wijken waarin Plan werkte niet altijd even goed liep. In de onderzochte periode was er sprake van fraude in die zin, dat voor gele-verde goederen en diensten teveel werd betaald; in 1994 zijn organisatorische maatrege-len genomen om dergelijke fraude te voorkomen. Voorts bestond er bij Foster Families onduidelijkheid over de bestemming van door Plan – in een samenwerkingsproject met INURBE – ontvangen subsidies voor door Plan vóórgefinancierde investeringen in wo-ningen.

- het (veel omvangrijker) CDP-rapport, waarin de periode 1991-2000 wordt onderzocht (aan de hand van de administratie, gesprekken met locale leiders en de locale overheid, een eigen accountantsonderzoek naar 81 (door een steekproef geselecteerde) projecten/ac-tiviteiten en interviews met 49 Foster Children/Families), komt tot gelijksoortige conclu-sies; zij noemt ook dezelfde problemen (organisatorische problemen begin jaren ’90 en een inhaalslag in onder meer in- en uitschrijvingen in 1995, de fraude in 1992/1993, de onduidelijke werkwijze in het project met INURBE). In het rapport wordt ingegaan op de wijze waarop Plan in Barranquilla werkte. Veel geld werd besteed aan indirecte hulp: ge-noemd worden projecten in de gezondheidszorg, het onderwijs en in huisvesting; bij de uitvoering werd niet steeds onderscheid gemaakt tussen wel en niet in het programma van Plan opgenomen kinderen en hun gezinnen. In de loop der jaren is een accentverschuiving opgetreden naar projecten ten aanzien van “capaciteitsopbouw”: projecten die tot doel hadden coherentie in gemeenschappen te doen ontstaan en meer verantwoordelijkheden te leggen bij die gemeenschappen (en hun leiders), maar ook de gezinnen en de individuen en hen daarin te scholen en te ondersteunen. Plan ontwikkelde zich daarnaast ook in de richting van een co-financierende instantie: Plan hielp andere – locale – welzijnsorganisa-ties financieel om hun doelen te bereiken (waarbij overigens niet altijd voldoende contro-le is gehouden op de besteding van de gelden). Voorts werden door Plan opgezette voor-zieningen (m.n. in de gezondheidszorg en in het onderwijs) steeds meer door de overheid overgenomen. Plan trok zich aldus steeds meer uit de eerste lijn terug. Het rapport is kri-tisch over de interne en externe communicatie; hoe gezinnen de hulp ervoeren is nauwe-lijks geregistreerd en op kritiek van buiten werd krampachtig gereageerd. Plan is in 1995 uit een aantal wijken versneld vertrokken, omdat zij daar onvoldoende opgewassen bleek tegen de bijzondere problematiek van deze grote-stadswijken; vervolgens is zij – in nor-maal tempo – ook uit de overige wijken vertrokken.

De administratie en documentatie van de projecten was accuraat, evenals de interne con-trole daarop. Van de totale uitgaven in de onderzochte periode(van 19,1 miljoen US$; de laatste jaren in verband met het vertrek in absolute cijfers per jaar aanmerkelijk minder dan in de jaren daarvoor) werd gemiddeld ongeveer 20% aan operationele kosten besteed; de rest is aan programmacomponenten uitgegeven (waarvan onder meer gemiddeld bijna 30% aan onderwijs, bijna 10% aan gezondheidszorg en ruim 30% aan wonen/woonomge-ving). In het urbane programma (17,6 miljoen US$ is daaraan uitgegeven, naast 1,5 mil-joen aan een ruraal programmma) is (vooral de laatste jaren van het programma) per Fos-ter Child gemiddeld meer uitgegeven dan per Foster Child wereldwijd. Hoewel er om al-lerlei redenen grote verschillen waren, hebben individuele gezinnen gemiddeld een pakket aan directe voordelen ontvangen ter waarde van een modaal (netto-)gezinsinkomen. Voor het (urbane) programma Barranquilla is voor het geheel der onderzochte jaren – bij bena-dering, CDP acht een exacte berekening niet mogelijk – tussen de 10,7 en 15 miljoen US$ bij Foster Parents gegenereerd. Opgemerkt wordt dat er in de Plan-praktijk geen di-recte band is tussen de bij Foster Parents gegenereerde bedragen en het aan Planprogram-ma’s doorgegeven bedrag.

Het rapport noemt een groot aantal kwantitatief vast te stellen (thans nog functionerende) resultaten van het programma (met name op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en wonen/woonomgeving); de kwaliteit van de resultaten en de effecten op langere ter-mijn zijn (nog) niet of nauwelijks gemeten. Uit interviews blijkt dat directe voordelen door de gezinnen het meest werden gewaardeerd; over de verdeling daarvan was niet ie-dereen tevreden. Daarbij speelt een rol dat Foster Families het door “hun” Foster Parent bijgedragen bedrag als “direct voor hen bedoeld” ervaren. De indirecte voordelen werden niet door iedereen als zodanig gekend/herkend.

4.5.5. Als de uitlatingen van het Fonds worden bekeken tegen het licht van het bovenstaande (waarbij in aanmerking moet worden genomen dat het CDP-rapport op het moment dat de folder werd gemaakt nog niet voorhanden was), dan kan worden geconstateerd:

Ad a., b., d. en g.

In de tweede helft van de jaren ’90 van de vorige eeuw is kritiek geuit op Plan, met name op de wijze waarop zij omging met verwachtingen die zij – door het creëren van een rechtstreek-se band tussen Foster Parent en Foster Child – bij zowel de Foster Parents als de Foster Chil-dren/Families schiep. Beiden verwachtten rechtstreekse hulp (met de door de Parent verschaf-te gelden) aan het kind. Die – te billijken (zie het rapport van de Commissie-De Boer, p. 36) – verwachtingen heeft Plan niet waargemaakt, en naar uit hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht, moet worden aangenomen dat dat ook niet haar bedoeling is geweest. Gelet op de grote hoeveelheid geld die Plan voor haar doelen verzamelde is naar het oordeel van de recht-bank veel te zeggen voor de door dr. [P.H.] in EO-Tijdsein geuite opvatting dat het de maatschappelijke plicht was van Plan om de Foster Parents volledig en eerlijk te berichten en dus aan te geven dat zij de gelden besteedde aan projecten die het doel hadden de gehele ge-meenschap waarvan een Foster Child deel uitmaakte te ontwikkelen en dat dat kon betekenen dat het individuele Foster Child en zijn gezin niet direct/rechtstreeks van die hulp iets merkte.

Bovenstaande betekent evenwel niet dat “de hulp nooit is aangekomen”. Directe (financiële) hulp is dan wel niet aan alle Foster Children/Families verleend, er is wel veel andersoortige hulpverlening tot stand gebracht. Dat blijkt al uit de door het Fonds en Wilgers zelf overge-legde informatie: in de radio- en televisie-uitzendingen wordt aandacht besteed aan de hulp die (in de vorm van projecten) aan de gemeenschappen werd verleend en werd gewezen op het profijt dat kinderen daarvan hadden. Dat – zoals het Fonds en Wilgers stellen – de projec-ten niet kunnen worden gezien als hulp aan de kinderen, acht de rechtbank dan ook niet juist. De door het Fonds en Wilgers overgelegde kaartjes – door ambassadeur [R] in Zembla zoals hiervoor aangegeven nader toegelicht – tonen wel aan dat niet aan alle kinderen en hun gezinnen directe hulp is gegeven, maar zulks staat er niet aan in de weg, dat er wel op andere wijze hulp is verleend.

Als wordt uitgegaan van de kritische berekening van [P.L.], dan moet worden geconsta-teerd dat zo’n 59% van de ontvangen bijdragen van de Foster Parents daadwerkelijk in de doellanden aan hulpprojecten is besteed; daarvan is dan – zo zegt Hoebink – zo’n 16/17% rechtstreeks aan de kinderen besteed. De Commissie-De Boer heeft voor het door haar on-derzochte programma in Haïti vastgesteld dat 50% ter plekke kwam.

In de rapporten van PriceWaterhouse en CDP wordt ingegaan op de financiën van Barranquil-la. Duidelijk wordt dat Barranquilla een moeilijk programma was, dat daarin diverse zaken (ook financieel) niet goed zijn gegaan. Daarnaast wordt aangegeven dat Plan een aantal pro-jecten heeft uitgevoerd, die geen directe gevolgen hadden voor de kinderen (PriceWaterhouse noemt wijkverbetering, CDP spreekt over projecten die de coherentie van en leiderschap bin-nen gemeenschappen ondersteunden); in dat kader kan de vaststelling dat de kinderen geen directe hulp hebben ervaren wellicht juist zijn, maar dat betekent dan niet dat er geen hulp-verlening heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat ook bij een kritische benadering van de beschikbare gegevens van het programma in Barranquilla – ook toen het CDP-rapport er nog niet was – niet kon en ook thans niet kan worden gezegd dat de hulp niet aankwam, dat het onzin is te stellen dat de donaties aan projecten zijn besteed, dat de kinderen noch hun omgeving iets van de donaties hebben gezien en dat de kinderen en hun ouders vergeefs hoopten op hulp. Die uitlatingen waren en zijn in hun algemeenheid en ongenuanceerdheid onjuist.

ad c.

De uitlating dat wie kritiek had, onmiddellijk werd geschorst, baseren het Fonds en Wilgers, zo leidt de rechtbank af uit de memorie van grieven van 17 juli 2001, op het door hen gestelde gegeven dat in 1994 een aantal (het Fonds spreekt van 3.000) kinderen zijn uitgeschreven, na-dat – zo stellen het Fonds en Wilgers – Nederlanders op bezoek waren geweest en hen hoop op hulp hadden gegeven. In de conclusie van antwoord spreken het Fonds en Wilgers over schorsingen na 1995, en merken daarbij op dat er “blijkbaar veel kritiek is geweest”. Het rap-port van PriceWaterhouse spreekt over 3.000 uitschrijvingen in 1995 (terwijl er 1.000 uit-schrijvingen waren in 1994); een reden voor deze verhoging zoekt PriceWaterhouse in de ad-ministratieve inhaalslag in dat jaar na een voor Plan in Barranquilla organisatorisch problema-tische periode (daarover spreekt ook het CDP-rapport). Als gronden voor de uitschrijvingen worden genoemd “verbetering van de gezinssituatie”, “niet coöperatief”, “verblijfplaats onbe-kend”, “vrijwillig teruggetrokken” en “anders, waaronder het vertrek van Plan uit bepaalde wijken”. Tegenover deze (al in 1996 beschikbare) toelichting op het hoge aantal uitschrijvin-gen mocht van het Fonds en Wilgers worden verwacht dat zij – stellende dat sprake was van (onmiddellijke) schorsing van kinderen/gezinnen die kritiek hadden op de werkwijze van Plan – dat op enige wijze onderbouwen. Zij stelden en stellen ook nu alleen dat er kinderen en ou-ders in Barranquilla waren die hen dit hebben verteld; enig stuk waaruit op controleerbare wijze kan blijken dat dat is gezegd en hoe dat is toegelicht hebben het Fonds en Wilgers even-wel niet overgelegd. Onder die omstandigheden gaat de rechtbank ervan uit dat de gegevens van PriceWaterhouse juist zijn en dat hetgeen het Fonds op dit punt zegt in zijn algemeenheid onjuist is.

ad e.

Over onduidelijkheden in de boekhouding van Plan hebben het Fonds en Wilgers in de pro-cesstukken veel opgemerkt. Gelet op de wijze waarop de zaak aan de rechtbank is voorgelegd kan slechts worden beoordeeld of juist is hetgeen het Fonds in de gewraakte folder daarover stelt, nl. dat er fl. 95 miljoen zoek is in Barranquilla. Begrijpt de rechtbank het goed (ook hier moet de toelichting worden gezocht in de memorie van grieven van 17 juli 2001), dan heeft het Fonds dit bedrag berekend door uit te gaan van betalingen van Foster Parents voor 14.000 tot 16.500 Foster Children gedurende 14 jaar, en stelt zij dat – nu Plan van heel andere aantal-len uitgaat en dus die inkomsten niet heeft geregistreerd – die gelden nergens zijn terug te vin-den. Uit de overige gegevens blijkt dat deze – door het Fonds aldus slechts theoretisch onder-bouwde – aantallen feitelijk niet juist zijn (zie ook hierna ad q.). Al om die reden is het door het Fonds genoemde bedrag onjuist. Voorts kan uit het enkele feit dat een bepaald bedrag niet in de boekhouding is terug te vinden niet zonder meer worden geconcludeerd dat het geld “zoek” is. Uit de hiervoor samengevat weergegeven, door partijen overgelegde informatie blijkt dat vraagtekens te zetten zijn bij de door Plan naar buiten gebrachte informatie over de verdeling van de inkomsten (en daarbij met name het deel dat – rechtstreeks – aan de Foster Children en hun omgeving ten goede kwam); dat doet het Fonds echter met de hier bedoelde uitlating niet. Met deze uitlating wordt in wezen gezegd dat Plan geld laat verdwijnen, in ie-der geval niet aanwendt voor haar doelstelling. In de overgelegde informatie zijn voor die stelling onvoldoende aanknopingspunten gevonden. De uitlating is dan ook als onjuist te be-schouwen.

ad f. en l.

De stelling dat het, waar je ook komt, in Kenia, Haïti of Sri Lanka, overal hetzelfde is, is ken-nelijk gebaseerd op hetgeen over die landen in de overgelegde televisie-uitzendingen en – ten aanzien van Haïti – op het rapport van de Commissie-De Boer wordt gezegd. De uitlating wordt gekoppeld aan de stelling dat de kinderen noch de omgeving iets zien van de donaties; gesuggereerd wordt dus dat overal waar Plan werkzaam is de kinderen en hun omgeving niets zien van de donaties. Uitgaande van de in het vorenstaande weergegeven werkwijze van Plan – het uitvoeren van projecten ten behoeve van de gemeenschap, waarvan dan ook de kinderen profiteren – kan (hoewel, zoals aangegeven, op de communicatie over deze werkwijze terecht kritiek mogelijk was) hetgeen het Fonds hier stelt uit hetgeen zij heeft overgelegd niet blijken. Hetgeen zij stelt is veel te ongenuanceerd en in zijn algemeenheid onjuist.

Uit het hierboven gegeven overzicht van hetgeen door het Fonds en Wilgers in de procedure is gebracht blijkt al dat niet juist is de uitlating dat de ambassadeurs (van Nederland) niets positiefs kunnen melden over Plan.

ad h.

Van de uitlating dat het Fonds in staat is bij deze duistere organisatie nakoming te krijgen van de beloften, bestrijdt Plan met name de kwalificatie “duistere organisatie”. Met deze – zonder nadere toelichting als uiterst ongenuanceerd te beschouwen – kwalificatie wekt het Fonds de indruk dat Plan op volstrekt oncontroleerbare wijze omgaat met het geld dat Foster Parents bijeenbrengen. Het Fonds redeneert hier geheel vanuit de stelling dat Plan al het door Foster Parents gedoneerde geld had behoren te besteden aan directe steun aan de kinderen; met voor-bijzien aan hetgeen Plan stelt (en aantoont) over wat zij wel heeft gedaan, stelt het Fonds dan dat niet duidelijk is wat er met de bijeengebrachte gelden is gebeurd (zie ook ad e. en ad q.) Dat het Fonds vanuit die (onjuiste) stelling veel onduidelijkheden aantreft, ligt voor de hand. Dat dat betekent dat Plan een “duistere” organisatie is, kan daaruit niet worden afgeleid. Gelet op hetgeen Plan stelt omtrent de beoordeling van haar organisatie in het kader van het verzoek te worden erkend als medefinancieringsorganisatie en op de uit de hiervoor genoemde onder-zoeksrapporten blijkende administratievorming en interne controle kan wellicht worden afge-leid dat Plan meer zou kunnen doen aan bijvoorbeeld kwaliteitsmeting van resultaten (zodat het daadwerkelijke resultaat van haar werk kan worden benoemd), maar dat in zijn algemeen-heid sprake was en is van een “duistere” (dat wil zeggen onheldere en oncontroleerbare) orga-nisatie blijkt daaruit niet. De uitlating is uiterst ongenuanceerd en (daardoor) onjuist.

ad i.

Dat sprake was van fraude in Barranquilla blijkt uit het rapport van PriceWaterhouse. In zoverre is hetgeen het Fonds hier opmerkt juist. Evenwel zegt zij niet dat het gaat om een fraudegeval in 1992/1993 (gepleegd door locale medewerkers van Plan), waartegen Plan in 1994 maatregelen heeft genomen, opdat die fraude stopte (en ook daadwerkelijk is gestopt). Aldus is de uitlating van het Fonds maar een deel van de waarheid die, nu de uitlating in 2001 is gedaan en door het weglaten van hetgeen daarna is gebeurd de indruk oproept dat de fraude zich ook toen nog voordeed, door die onvolledigheid onjuist is.

ad j.

Uit de televisie-uitzendingen en uit het rapport van CDP blijkt dat de aan het Plan-programma deelnemende gezinnen wisten dat er voor hen door Foster Parents geld werd overgemaakt; het CDP-rapport spreekt bijvoorbeeld over een door Plan mogelijk gemaakte kredietregeling, waarbij gezinnen geleend geld dienden terug te betalen, maar dat niet wilden omdat het ging om geld dat – naar zij wisten – door Foster Parents voor hen was geschonken. Bovendien was de werkwijze van Plan gebaseerd op financiële adoptie, waarbij er een (brief-)contact was tus-sen de Foster Parent en het Foster Child. Dat Plan de kinderen jarenlang heeft voorgehouden dat zij begunstigden waren van Nederlandse pleegouders is dan ook niet onjuist.

ad k.

Als de opmerking dat Plan het geld gebruikt voor de duurste advocaten van Nederland wordt bezien in haar context (het Fonds spreekt over “het geld van de kinderen”, dat wordt gebruikt voor de duurste advocaten van Nederland, die namens Plan “verweren verzinnen om onder de vordering van de kinderen uit te draaien”) is duidelijk dat wordt gesuggereerd dat Plan dure juridische bijstand inroept in procedures waarin zij kansloos is. Die stelling is onjuist: in na-genoeg alle procedures waarvan in de stukken blijkt is Plan geheel of gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Door Plan wordt echter slechts een deel van deze uitlating – namelijk voor zover wordt gesteld dat Plan het geld gebruikt om de duurste advocaten van Nederland te betalen – aangevochten; daaromtrent stelt de rechtbank vast dat Plan in diverse procedures is betrokken en ook zelf procedures is gestart en zich daarbij van juridische bijstand voorzien, die zij – dat is niet betwist – slechts kon betalen uit wat het Fonds “het geld” noemt, namelijk het geld dat Plan ten behoeve van de door haar voorgestane hulp aan kinderen/gezinnen/gemeenschappen in haar doellanden heeft ingezameld. Plan heeft zich door mr. Huydecoper en later door mr. Kolle laten bijstaan; onbetwist is de stelling van het Fonds en Wilgers dat mr. Kolle in april 2001 heeft gezegd dat in dat jaar al fl. 120.000,-- aan advocaatkosten waren gemaakt. Noch uit het één, noch uit het ander is evenwel af te leiden dat het hier gaat om “de duurste advoca-ten van Nederland”. Het Fonds en Wilgers hebben niets gesteld over het tarief dat genoemde advocaten Plan in rekening hebben gebracht, terwijl het enkele feit dat fl. 120.000,-- aan ad-vocatenkosten is uitgegeven op zioch niets zegt over de “duurte” van de betreffende advoca-ten. Ook deze uitlating is derhalve onjuist te noemen.

ad p.

Waar het Fonds stelt dat Plan de kinderen belazert, moet dat (gelet op de context) zo worden verstaan dat zij zegt dat Plan de kinderen directe hulp beloofde, hen daartoe als Foster Chil-dren in de wervingscampagne inzette en vervolgens de ingezamelde gelden in het geheel niet voor hulp aan die kinderen gebruikte. Die stelling kan – in aanmerking genomen al het voren-staande – niet worden volgehouden. Vast staat wel dat Plan met een systeem werkte, waarbij met name bij Foster Parents – maar ook bij Foster Children en hun gezinnen – een verwach-ting werd gewekt dat de door de Parents betaalde bijdragen rechtstreeks voor de kinderen zou worden besteed. Die door Plan gewekte verwachting is slechts zeer ten dele waargemaakt; vooral Foster Parents hebben daar bezwaar tegen gemaakt en gesteld dat Plan hen onjuist en oneerlijk heeft voorgelicht. Ook de Foster Children en hun gezinnen lijken over de precieze bedoeling van Plan met het geven van de status van Foster Child aan een kind door Plan niet altijd duidelijk en volledig te zijn geïnformeerd. Die gebrekkige communicatie betekent ech-ter niet dat er geen hulp aan de kinderen is gegeven; zoals hiervoor al overwogen staat vol-doende vast dat dat wel is gebeurd. Onder die omstandigheden stellen dat de kinderen worden belazerd, is onjuist.

ad q.

Het Fonds en Wilgers noemen het aantal van 16.500 kinderen, omdat – zo stellen zij – de al-gemeen directeur van Plan in Barranquilla, de heer [H.D.], dat aantal in EO-Tijdsein noemde. Voorts wijzen zij op registratienummers 16.578 en 16.835 van in het programma van Plan opgenomen kinderen. Met het één noch met het ander is evenwel gezegd dat al deze kin-deren het Fonds ondersteunen. Daarvoor is toch op zijn minst nodig dat de kinderen (of hun wettelijke vertegenwoordigers) van het bestaan en de doelstellingen van het Fonds weten. Wilgers stelt dat hij door een groot aantal kinderen is gemachtigd. Ter onderbouwing legt hij een (Spaanstalige) “volmacht” over, die – kennelijk – door bestuurders van (enkele?) wijken in Barranquilla is ondertekend en waarin geen aantallen kinderen worden genoemd. Dat die bestuurders (naar het recht van hun woonplaats) bevoegd waren namens kinderen een vol-macht af te geven, is gesteld noch gebleken. Wilgers en het Fonds stellen wel een lijst van namen van 5.422 kinderen te kunnen overleggen; dat hebben zij evenwel – hoewel daar in de procedure ruim gelegenheid voor was – niet gedaan. Tenslotte blijkt niet dat de genoemde volmacht betrekking heeft op het in deze procedure aan de orde zijnde optreden van (niet alleen Wilgers maar ook) het Fonds. Dat het Fonds optreedt namens 16.500 kinderen is dan ook niet juist.

4.5.6. Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat van de hiervoor onder 3.2 weergegeven uitlatingen (voor zover na hetgeen in 4.4.2 is overwogen nog aan de orde) on-juist zijn de uitlatingen weergegeven onder a tot en met i, k, l, p en q.

4.6. onrechtmatig

4.6.1. Thans dient te worden beoordeeld of het Fonds, door deze onjuiste uitlatingen te doen, onrechtmatig jegens Plan handelt. Daarbij geldt dat uitlatingen die de integriteit van Plan als ontwikkelingsorganisatie die haar werk doet met behulp van haar door begunstigers geschon-ken geld verricht, in twijfel trekken, indien zij onjuist zijn in beginsel jegens Plan onzorgvul-dig en derhalve onrechtmatig zijn. Immers is het voor een organisatie als Plan een groot be-lang dat haar integriteit niet zonder noodzaak wordt betwist; bij twijfel aan die integriteit (ook als dat niet terecht is) zullen begunstigers – die juist omdat zij om niet geven, kritisch zijn op een goede en integere besteding van hun donatie – hun steun intrekken en kan Plan haar ont-wikkelingswerk niet verrichten. Kritiek op een organisatie als Plan moet wel kunnen worden geuit, doch van degene die dat doet mag worden verwacht dat hij daarbij met zorgvuldigheid en met inachtneming van de hiervoren genoemde belangen van de te bekritiseren organisatie – te werk zal gaan. De rechtbank is van oordeel dat met alle hiervoor onjuist bevonden uitlatin-gen van het Fonds – ieder voor zich, maar vooral in hun onderlinge samenhang – op ernstige wijze de integriteit van Plan als ontwikkelingsorganisatie en als fondsenwerver in twijfel is en wordt getrokken, terwijl het Fonds de van haar te vergen – hiervoor genoemde – zorgvuldig-heid in het geheel niet heeft betracht.

4.6.2. Het Fonds en Wilgers beroepen zich – met een verwijzing naar HR NJ 95.442 – op de vrijheid van meningsuiting. Juist is dat die vrijheid met zich kan brengen dat wanneer een ern-stige misstand aan de orde dient te worden gesteld, uitlatingen waarvan de juistheid (nog) niet vaststaat mogen worden gedaan (waarbij van degene die dat doet, zorgvuldigheid mag wor-den verwacht). In het onderhavige geval staat op grond van het bovenstaande vast dat de door het Fonds gedane uitlatingen onjuist zijn, en dat het Fonds dat ook al in 2001, toen zij de ge-wraakte folder liet drukken, wist – althans behoorde te weten. De vrijheid van meningsuiting gaat echter niet zover, dat moet worden toegestaan dat een organisatie als het Fonds vanuit haar intentie een in haar ogen aanwezige ernstige misstand aan de kaak te stellen bewust on-juiste uitlatingen doet. Het Fonds kan zich derhalve voor het doen van onjuiste uitlatingen niet op een hoger belang beroepen. De onjuiste uitlatingen zijn jegens Plan onrechtmatig.

4.6.3. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de gevraagde verklaring voor recht en het verbod om de uitlatingen nog te doen – zowel jegens het Fonds als jegens Wilgers – kunnen worden gegeven.

4.7. schade

4.7.1. Plan vordert vergoeding van schade, die zij stelt te hebben geleden door genoemde on-rechtmatige uitlatingen en die zou bestaan in imagoschade en verlies (binnen Nederland) van vele – Plan spreekt over meer dan 100.000 – donateurs. De rechtbank is van oordeel dat hier wel onderscheid zal moeten worden gemaakt tussen het Fonds – wier naam uitdrukkelijk in de folder is vermeld – en haar raadsman Wilgers. Voordat daaromtrent nader wordt overwogen, zal eerst worden beoordeeld of door de in deze procedure bedoelde uitlatingen van het Fonds door Plan daadwerkelijk schade is geleden.

4.7.2. Zoals hiervoor al overwogen is er al vanaf midden jaren negentig van de vorige eeuw door Foster Parents in Nederland kritiek op Plan uitgeoefend, welke kritiek – zo blijkt ook uit de door het Fonds en Wilgers overgelegde televisie-uitzendingen – in die periode ook in de publiciteit is gebracht (door anderen dan het Fonds of Wilgers). Juist door die publiciteit raak-te Plan in opspraak en liep haar imago schade op. Al voordat de in deze procedure gewraakte folder door het Fonds werd opgesteld was bij Plan sprake van grote verliezen aan donateurs – een door het Fonds overgelegd artikel in de Telegraaf van 13 december 2000 spreekt van een verlies van meer dan 100.000 donateurs (in de periode van januari 1998 tot december 2000) en de bestuursvoorzitter van Plan in de radio-uitzending De Ochtenden van 12 april 2001 spreekt over eenzelfde aantal vertrokken donateurs sedert de kritische geluiden midden jaren negentig. Tenslotte staat vast dat de (inhoud van de) gewraakte folder slechts zeer beperkt is verspreid (meer dan de onder 2.6 weergegeven verspreiding is niet gesteld en ook niet geble-ken). Onder die omstandigheden kan zonder nadere toelichting – die Plan niet heeft gegeven – niet worden gezegd dat de door Plan gestelde schade (imagoschade en het verlies van meer dan 100.000 donateurs) het gevolg is van verspreiding van de hiervoor weergegeven (onjuis-te) uitlatingen in de door het Fonds opgestelde folder. Dat het Fonds eerder elders dergelijke mededelingen heeft gedaan – die tot voormelde door Plan gestelde gevolgen (die zich met na-me in de laatste jaren van de jaren negentig van de vorig eeuw voordeden) hebben geleid – is gesteld noch gebleken; daarbij dient ook in ogenschouw te worden genomen dat het Fonds op 20 september 2000 is opgericht.

4.7.3. Op grond van het vorenstaande dient de vordering tot vergoeding van schade te worden afgewezen. Om die reden behoeft niet verder te worden ingegaan op de vraag of en zo ja, op welke wijze Wilgers naast het Fonds voor de gevolgen van de (inhoud) van de uitlatingen in de folder van het Fonds aansprakelijk zou kunnen zijn. Datzelfde geldt voor de – door het Fonds en Wilgers opgeworpen – vraag in hoeverre de schade (mede) het gevolg is van aan Plan zelf toe te rekenen omstandigheden (derhalve aan haar “eigen schuld” is te wijten).

4.8. de (handels-)naam

4.8.1. Plan stelt met de vermelding “misbruikte kinderen Foster Parents Plan” in de naam van het Fonds een onjuiste en/of misleidende mededeling over haar (Plan) wordt gedaan en dat het Fonds daarmee onrechtmatig jegens haar handelt. Aan al hetgeen hiervoor is overwogen kan worden afgeleid dat (een aantal) kinderen directe hulp van Plan verwachtten, maar die niet hebben gekregen; dat sprake is geweest van misbruik van kinderen door Plan – waarmee op zijn minst wordt gesuggereerd dat Plan kinderen willens en wetens schade heeft toegebracht – blijkt niet en wordt door het Fonds ook niet aangetoond. Met deze – onjuiste – beschuldiging wordt echter wel de integriteit van Plan op ernstige wijze in diskrediet gebracht. Dat is jegens Plan onrechtmatig; het Fonds zal dan ook worden verboden genoemd bestanddeel in haar naam te voeren.

4.8.2. Waar het betreft het afzonderlijk mogen voeren van de woorden” misbruikte kinderen” en “Foster Parents Plan” is de rechtbank van oordeel dat in het door Plan gestelde geen grond is te vinden om het Fonds te verbieden in haar naam alleen de woorden “misbruikte kinderen” te voeren. Het enkele gebruik van die woorden (derhalve zonder verwijzing naar Plan) kan niet als onrechtmatig jegens Plan worden gezien.

Ook de losse vermelding in de naam van de woorden “Foster Parents Plan” kan niet in zijn al-gemeenheid als onrechtmatig jegens Plan worden gezien. Wel geldt dat – wat er zij het ant-woord op de door het Fonds opgeworpen vraag, of er sprake is van “ondernemingen” – in de verhouding tussen Plan en het Fonds het Fonds, die als laatste is opgericht, de maatschappe-lijke plicht had (en heeft) haar naam zo te kiezen dat deze geen verwarring of misleiding bij het publiek te weeg kan brengen. Het voeren van de woorden “Foster Parents Plan” in de naam van het Fonds kan naar het oordeel van de rechtbank die verwarring en misleiding wel opleveren – het Fonds wil immers (ook met haar naam) wijzen op (naar hiervoor is vastge-steld: onjuiste) feiten omtrent Plan. Dat Plan inmiddels een ander naam heeft gekozen, doet hieraan niet af, nu zij jarenlang onder de naam Foster Parents Plan in Nederland in de publici-teit is getreden en het publiek bij het horen van die naam ook nu nog aan Plan zal denken. Het is in strijd met genoemde maatschappelijke plicht – en derhalve onrechtmatig – dat Fonds de naam Foster Parents Plan (los) in haar naam zou gebruiken.

4.8.3. Een en ander leidt tot de slotsom dat het het Fonds wordt verboden het bestanddeel “misbruikte kinderen Foster Parents Plan” en het bestanddeel “Foster Parents Plan” in haar (statutaire en (voor zover bestaand): handels)naam te gebruiken.

dwangsom

4.9. Plan vordert het vaststellen van dwangsommen voor het geval het Fonds en Wilgers de door de rechtbank te geven bevelen niet zullen nakomen. Gelet op de houding tot op heden van het Fonds en Wilgers jegens Plan (zij hebben tot op heden geweigerd de uitlatingen terug te nemen en zagen in de verzoeken daartoe grond, zoals in 2.9 weergegeven, om nieuwe fol-ders te maken en – stellend dat zij bij weigering die folders zou verspreiden – om geld van Plan te vragen), oordeelt de rechtbank dat een prikkel tot nakoming van de te geven bevelen in de vorm van een dwangsom dient te worden opgelegd. Zij zal deze dan ook, overeenkom-stig de vordering van Plan, opleggen, zij het dat de gevorderde hoofdelijkheid– nu deze niet rechtstreeks uit de wet, de gewoonte of het karakter van de dwangsom voortvloeit en Plan dit ook niet nader heeft toegelicht – zal worden afgewezen en voorts een maximaal te verbeuren bedrag zal worden vastgesteld.

proceskosten

4.10. De rechtbank zal het Fonds en Wilgers als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij-en – ook hier wordt verwijzen naar hetgeen onder 4.9 daarover ten aanzien van de gevorderde dwangsommen is overwogen, de gevorderde hoofdelijkheid afgewezen – veroordelen in de kosten van deze procedure.

in voorwaardelijke reconventie

4.11. Nu aan de aan deze vordering verbonden voorwaarde is voldaan, zal zij dienen te wor-den beoordeeld en beslist.

4.12. Nu hiervoor in 4.1.2 is vastgesteld dat Plan bestaat en geen spookpartij is, kan het Fonds in zoverre in haar vordering tegen haar worden ontvangen.

4.13. Het Fonds stelt haar vordering – gelet op de formulering ervan – in namens alle door of via Plan financieel geadopteerde kinderen wereldwijd, althans namens 16.500 in en rond Bar-ranquilla door of via Plan financieel geadopteerde kinderen. Zij stelt daarmee een “collectieve actie” als bedoeld in art. 3:305a BW in te stellen. Overeenkomstig dat artikel is zij daarin ont-vankelijk, voorzover zij de belangen, ter bescherming waarvan de betreffende vordering strekt, ingevolge haar statuten behartigt. De doelstelling van het Fonds (weergegeven in 2.4) spreekt niet over het – in zijn algemeenheid – behartigen van de belangen van alle door of via Plan financieel geadopteerde kinderen wereldwijd, althans 16.500 in en rond Barranquilla door of via Plan financieel geadopteerde kinderen. Voor zover belangenbehartiging in de doelstelling is opgenomen, gaat het om een specifiek omschreven belang van de beneficianten van Plan (waaronder ook individuele kinderen), namelijk het belang nakoming te verkrijgen van tussen hen en Plan gesloten schenkingsovereenkomsten. Hetgeen het Fonds thans namens genoemde kinderen vordert is de vaststelling in rechte – geheel los van een eventuele schen-kingsovereenkomst, en slechts gekoppeld aan de hoedanigheid van financieel geadopteerd kind – dat Plan geen, althans onvoldoende materiële en financiële hulp heeft verschaft. Daar-van kan niet worden gezegd dat het nog binnen de doelstelling van het Fonds valt. Het Fonds kan dan ook in haar vordering niet worden ontvangen.

4.14. Het Fonds zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

1) verklaart voor recht dat de hiervoor in 3.2, onder a tot en met i, k, l, p en q genoemde uit-latingen onjuist en jegens Plan onrechtmatig zijn;

2) beveelt het Fonds en Wilgers om met onmiddellijke ingang zich te onthouden van het herhalen van de onrechtmatige uitlatingen, als hiervoor in 3.2, onder a tot en met i, l, p en q genoemd;

3) beveelt het Fonds om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis haar statutaire (en voor zover bestaand: handels-)naam te wijzigen zodat de bestanddelen “misbruikte kinde-ren” en “Foster Parents Plan” samen, dan wel het bestanddeel “Foster Parents Plan” al-leen, er niet meer in voorkomt en verbiedt het Fonds en Wilgers een statutaire of handels-naam te voeren waarin genoemde bestanddelen voorkomen;

4) veroordeelt het Fonds en Wilgers om aan Plan, ten titel van dwangsom, te betalen een be-drag van € 25.000,-- voor elke overtreding dan wel niet-nakoming van de onder 2) en 3) gegeven bevelen, alsmede een bedrag van € 5.000,-- te betalen voor elke dag of gedeelte daarvan waarop de overtreding of niet-nakoming voortduurt, een en ander tot een maxi-mum van € 1.000.000,--;

5) veroordeelt het Fonds en Wilgers in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Plan tot op heden begroot op € 475,-- aan griffierecht, € 81,16 aan overige verschotten en € 1.808,-- aan salaris procureur;

6) verklaart dit vonnis, voor wat betreft de veroordelingen onder 2 tot en met 5, uitvoerbaar bij voorraad;

7) wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in voorwaardelijke reconventie

8) verklaart het Fonds niet ontvankelijk in haar vordering;

9) veroordeelt het Fonds in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Plan begroot op nihil aan verschotten en € 904,-- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

SD