Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY7095

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
45584 HA ZA 2004/646
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hier betreft het een vraagstuk of het weghalen van een afscheiding op eigen terrein inbreuk maakt op een anders privacy.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 18 januari 2006 in de zaak van:

rolnr: 646/04

[eiseres],

wonende te Hulst,

eiseres,

procureur: mr. F.C.M. van Gurp,

tegen:

[ge[gedaagde],

overleden, laatstelijk wonende te Hulst,

gedaagde,

procureur: mr. J.B. de Meester,

advocaat: mr. J.G.A. Linssen.

1. Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 23 februari 2005. Daarna is zijdens gedaagde op 8 juni 2005 een akte uitlaten comparitie genomen, waarin is medegedeeld dat gedaagde op 17 mei 2005 is overleden en dat tot haar erfgenamen haar echtgenoot en haar drie kinderen zijn benoemd. De erfgenamen hebben aangegeven het geding op naam van de overledene voort te willen zetten. Daarna is ter uitvoering van voornoemd tussenvonnis op 25 augustus 2005 een comparitie van partijen ter plaatse gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Voorafgaand aan de comparitie zijn door mr. Van Gurp nog twee producties overgelegd. Na de comparitie zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

- akte van de zijde van eiseres;

- antwoordakte van de zijde van gedaagde, voorzien van een productie;

- akte uitlating productie van de zijde van eiseres, voorzien van een productie;

- antwoordakte van de zijde van gedaagde.

Ten slotte is vonnis bepaald

2. De feiten

2.1 [eiseres] heeft sinds medio augustus 1990 het woonhuis met erf/tuin gelegen a[woonplaats] in Hulst in eigendom. Aan de rechterachterzijde van haar perceel grenst de achterzijde van het pand gelegen aan [adres] te Hulst, in eigendom toebehorend aan – thans de erfgenamen van - [gedaagde].

2.2 In de ruimte op de begane grond van [adres] houdt momenteel een tandtechnicus (schoonzoon van gedaagde) praktijk. De eerste en tweede verdieping vormen een woonhuis, dat verhuurd is aan [betrokkene].

2.3 De benedenverdieping van de achterzijde van het huis [adres] heeft in de muur die grenst aan de tuin van [woonplaats] één raampartij op circa twee meter hoogte, gemeten vanaf de vloer, bestaande uit drie vensters, waarvan het middelste vast zit en de twee buitenste klapramen zijn, die naar binnen toe beperkt open gekanteld kunnen worden.

Op deze muur is op de eerste verdieping half inpandig een smal balkon ter lengte van de achtergevel van het pand [adres]. Het balkon is thans afgeschermd door middel van een, vanaf de vloer van het balkon, ongeveer 1 meter hoge muur van gemetselde bakstenen. Vanaf 1953 tot omstreeks november 2003 stond op deze balkonmuur een glasopstand bestaande uit ijzeren staanders met daarin geschoven platen draadglas. Aan de zijde 5a (zie situatieschets hieronder) is het balkon meer dan manshoog afgesloten door middel van een muur (berging?). Aan de zijde 5b (situatieschets) is een afscheidingsmuur van dezelfde hoogte als over de lengte van het balkon aanwezig.

Op de tweede verdieping bevinden zich boven het balkon twee ramen die geheel naar binnen toe geopend kunnen worden.

De feitelijke situatie (schematisch, niet op schaal) ter plaatse is als volgt:

6 7

b

9 5 8

1 a

? noord

2 4

3

1 = tuin eiseres met gras, planten en pad naar de garage (6)

2 = terras grenzend aan de achtergevel van het woonhuis van eise[woonplaats]

4 = uitbouw huis eiseres met plat dak

5 = begane grond met daarop (eerste verdieping) balkon pand [adres]

7 = tuin perceel [adres 2] afgesloten met betonnen schutting

8 = woonhuis op eerste en tweede verdieping [adres]

9 = bebouwing met blinde muur.

De rechtbank verwijst voor de feitelijk situatie verder naar de door de griffier tijdens de comparitie ter plaatse gemaakte foto’s, gevoegd bij het proces-verbaal van comparitie.

3. Het geschil

3.1 [eiseres] vordert veroordeling van gedaagde tot het (doen) terugplaatsen van een voorziening op het balkon, waardoor vanaf dit balkon geen uitzicht meer bestaat op haar erf, alsmede het (doen) veranderen van de openslaande vensters in vaststaande en ondoorzichtige vensters en veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

Zij stelt dat het huis van [gedaagde] aan [adres] in 1953 is verbouwd, waarbij het balkon met ondoorzichtige glasopstand is opgericht. De glasopstand is door de huidige bewoners in november 2003 verwijderd zonder haar toestemming. Dit heeft tot gevolg dat er in strijd met art. 5:50 BW direct en onbelemmerd uitzicht bestaat in haar tuin, waardoor zij in haar privacy wordt aangetast. Deze strijdigheid bestaat sinds november 2003, van verjaring kan derhalve geen sprake zijn.

3.2 [gedaagde] betwist de vordering van [eiseres]. In 1953 is het pand verbouwd. De bouwvergunning is verleend voor een balkon afgeschermd met een open hekwerk. Het pand zou worden bewoond door de moeder van [gedaagde]. In verband met mogelijke tocht heeft zij ervoor gekozen het balkon af te schermen met de – nog steeds aanwezige – één meter hoge muur met daarop een losse glasopstand van ijzeren staanders met draadglasplaten. De staander en de glasplaat die ter comparitie aan de rechter zijn getoond, zijn de originele, die tot november 2003 op de balkonmuur stonden. Het is steeds mogelijk geweest staand over de glasopstand heen te kijken. Er is door het verwijderen van de glasopstand geen rechtens relevante wijziging van de situatie ontstaan en evenmin strijd met art. 5:50 BW. Voor zover dit artikel al van toepassing zou zijn op de situatie met het balkon, bestond deze situatie al sinds 1953 en is de vordering van [eiseres] verjaard. Het balkon is voor de bewoners van de bovenwoning de enige mogelijkheid om buiten te zitten. Terugplaatsing van de glasopstand betekent zeer beperkt uitzicht vanaf het balkon en vanuit de ramen aan de achterzijde van hun woning. Bovendien vormt het balkon voor de bewoners een noodzakelijke vluchtweg in geval van brand. Het is voor hen niet mogelijk over de glasopstand te klimmen. Hiertegenover staat geen redelijk belang van [eiseres]. Het is niet mogelijk vanaf het balkon ongemerkt en/of onwillekeurig in haar tuin te kijken. Dit zou overigens wel mogelijk zijn vanuit de ramen op de tweede verdieping, die er al sinds 1953 zitten. Verwijdering van de glasopstand brengt haar niet in een slechtere positie voor wat betreft de bescherming van haar privacy.

De raampartij op de begane grond bestaat sinds bijna een eeuw uit één vast raam en twee openslaande ramen. Hierin is in 1953 niets veranderd.

Ten slotte stelt [gedaagde] dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering, omdat zij binnen korte tijd zal gaan verhuizen. [gedaagde] stelt concluderend dat [eiseres] door te vorderen als zij thans doet, misbruik van haar bevoegdheid maakt.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Ter comparitie heeft [eiseres] te kennen gegeven van het geluid van de tandtechnicus geen last te hebben, als hij tijdens het slijpen de ramen dichtdoet. Van de zijde van [gedaagde] is aangegeven dat met de tandtechnicus de afspraak is gemaakt, dat hij de ramen sluit als hij gaat slijpen en dat de tandtechnicus daartoe bereid is. Verder heeft [eiseres] ter comparitie gezegd er begrip voor te hebben dat de tandtechnicus de ramen moet kunnen blijven openen voor het verkrijgen van frisse lucht. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen op dit punt overeenstemming hebben bereikt en dat [eiseres] er niet langer op staat dat de klapramen worden vervangen door vaste ramen. De rechtbank laat de vraag of de vordering daartoe toewijsbaar zou zijn, dan ook in het midden. Vervolgens is de rechter ter comparitie gebleken dat vanwege de hoogte waarop de ramen geplaatst zijn, circa twee meter boven de vloer, er geen uitzicht in of op de tuin van [eiseres] mogelijk is. Er is derhalve geen grond [gedaagde] te verplichten tot het plaatsen van ondoorzichtig glas. Het deel van de vordering van [eiseres] dat betrekking heeft op de raampartij op de begane grond van het pand [adres] zal derhalve worden afgewezen.

4.2 Ten aanzien van het balkon beroept [eiseres] zich op de regel van art. 5:50 BW, welke inhoudt dat het niet geoorloofd is binnen twee meter van de grenslijn van haar erf een balkon te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat het balkon zich binnen twee meter van het erf van [eiseres] bevindt, namelijk aangrenzend en recht boven haar tuin (zie de situatieschets onder r.o. 2.3 en foto 1 bij het proces-verbaal van comparitie). In zoverre voldoet de situatie aan het verbod van art. 5:50 BW. Er is sprake van een balkon binnen twee meter van de grenslijn van haar erf en het balkon heeft op haar erf uitzicht. Echter, anders dan [eiseres] lijkt te betogen, is daarmee niet de conclusie gegeven dat [gedaagde] verplicht is maatregelen te treffen dit uitzicht weg te nemen. Uitzicht op het erf van de buurman wordt namelijk niet in het algemeen verboden. Het gaat in dit artikel om bescherming van de visuele privacy. Dit betekent niet dat [eiseres] een onbeperkt recht heeft op bescherming van haar privacy in iedere hoek van haar tuin. De ratio is, zoals ook door [gedaagde] wordt gesteld, dat [eiseres] wordt beschermd tegen de mogelijkheid dat voor haar onopgemerkt en voor [gedaagde], althans haar huurders, onwillekeurig, inbreuk wordt gemaakt op haar privacy.

4.3 De comparitie van partijen is ter plaatse gehouden. De rechter heeft, door te gaan zitten op een op het balkon aanwezige rechte kunststof terrasstoel (van normale hoogte; op vele terrassen van horeca-gelegenheden een gangbaar model), waargenomen dat het uitzicht is, zoals is te zien op de foto’s met nummer 8 en 9 bij het proces-verbaal van comparitie. Bij staan op het balkon, zonder over de rand te hangen, is het uitzicht zoals is vastgelegd op de foto’s bij het proces-verbaal met nummer 6 en 7. De rechter stelt derhalve vast dat er bij zitten op het balkon geen zicht is op de tuin en bij staan een beperkt zicht op de tuin en geen zicht op het terras van [eiseres]. Pas bij overhangen over de balkonrand is het mogelijk op het terras van [eiseres] te kijken. Onwillekeurige inkijk door [gedaagde], cq haar huurders, is derhalve niet of nauwelijks mogelijk, terwijl kijken op het terras van [eiseres] vanaf het balkon voor haar niet onopgemerkt kan geschieden. De conclusie moet dan ook zijn dat, gelet op het hierboven onder 4.2 overwogene, [eiseres] niet op grond van art. 5:50 BW van [gedaagde] kan vorderen dat de wand van draadglas wordt teruggeplaatst.

4.4 Daar komt bij dat het belang van (de huurders van) [gedaagde] bij een balkon zonder glasopstand ruim opweegt tegen het belang van [eiseres] tegen de, zoals hierboven is overwogen, beperkte inkijk in haar tuin (niet op haar terras). De rechtbank verwijst naar foto nummer 8, waarop is te zien hoe het uitzicht is als de glasopstand is geplaatst. Bij zitten bestaat er, vanwege de beperkte doorzichtigheid van het draadglas, geen echt uitzicht. Mede gelet op het feit dat het om een smal balkon gaat is voorstelbaar dat de gebruiker van het balkon zich opgesloten voelt achter een dergelijke glaswand. Dat een eerdere bewoner gekozen heeft voor die glaswand doet daaraan niet af.

4.5 Bovenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen. Zij zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gevallen, tot dusver begroot op € 1.356,-- aan salaris van haar procureur en op € 241,-- aan verschotten, zijnde griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 januari 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.