Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY6583

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
06-07-2006
Datum publicatie
21-08-2006
Zaaknummer
138737/06-1592
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst: feit dat subsidie voor een gesubsideerde arbeidsplaats stopt is voor risico van beide partijen; daarom geen ontbindingsvergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 154
JAR 2006, 220
JAR 2006/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

Locatie Middelburg

zaak/repnr.: 138737/ 06-1592

beschikking van de kantonrechter d.d. 6 juli 2006

in de zaak van:

De Stichting

Stichting Zorgstroom,

gevestigd te Middelburg,

verder te noemen: Zorgstroom,

verzoekende partij,

gemachtigde: mevrouw mr. J.F. Dominicus,

tegen

[verwerende partij],

Middelburg,

verder te noemen: [verwerende partij],

verwerende partij,

gemachtigde: mevrouw mr. V.M.C. Verhaegen.

Het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

­ verzoekschrift, ingediend op 29 mei 2006,

­ verweerschrift,

­ mondelinge behandeling op 22 juni 2006.

De beoordeling van de zaak

1. [verwerende partij], geboren op 12 april 1971, is sedert 18 augustus 2003 in dienst bij Zorgstroom in de functie van algemeen administratief assistent laatstelijk tegen een salaris van €1.210,88 bruto per vier weken, exclusief 8% vakantiegeld, voor 32 uur per week. De plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht is Middelburg. Het betreft een arbeidsovereenkomst gesubsidieerd op basis van de regelgeving voor in- en doorstroombanen (ID banen).

2. Zorgstroom verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, te weten verandering van omstandigheden die gelegen zijn in het vervallen van de regelgeving voor in- en doorstroombanen per 1 januari 2006. Op grond van deze regeling ontvangt Zorgstroom subsidie van de gemeente Middelburg voor het feit dat [verwerende partij] bij Zorgstroom de gelegenheid krijgt werkervaring op te doen. Door het vervallen van de regelgeving vervalt ook de subsidie. De gemeente Middelburg en Zorgstroom zijn overeengekomen dat de gemeente Middelburg tot 1 juli 2006 aan Zorgstroom ten behoeve van [verwerende partij] nog subsidie verstrekt. Zorgstroom heeft getracht [verwerende partij] door te laten stromen naar een reguliere baan echter haar afstand tot de arbeidsmarkt is te groot gebleken. [verwerende partij] heeft een outplacement traject gevolgd wat tot op heden nog niet tot resultaat heeft geleid.

3. [verwerende partij] heeft zich verzet tegen de verzochte ontbinding. Zij betwist dat haar afstand tot de reguliere arbeidsmarkt te groot is waarvoor zij haar curriculum vitae overlegt waarin haar werkervaring is opgenomen. Verder heeft zij benadrukt dat zij gedurende de loop van de dienstbetrekking zich er steeds voor heeft ingezet om zo goed mogelijk haar functie te vervullen. Voorzover in het verzoekschrift anders is beweerd wordt dit door [verwerende partij] uitdrukkelijk betwist. Tevens beroept [verwerende partij] zich op de reflexwerking van het ontslagverbod tijdens ziekte, zij heeft zich namelijk ziek gemeld nadat ze telefonisch kennis had genomen van het verzoekschrift. Tenslotte voert [verwerende partij] aan dat de werkzaamheden van haar blijven bestaan na een ontbinding en betwist zij de ontslagnoodzaak.

4. De kantonrechter overweegt dat vast staat dat de subsidie, die Zorgstroom ontvangt van de gemeente Middelburg voor het feit dat [verwerende partij] bij Zorgstroom de gelegenheid krijgt werkervaring op te doen, daadwerkelijk komt te vervallen. Dit enkele feit vormt naar het oordeel van de kantonrechter al een zodanige verandering van omstandigheden dat daarin een gewichtige reden is gelegen waardoor het verzoek tot ontbinding in beginsel is gerechtvaardigd.

Het feit dat de werkzaamheden van [verwerende partij], zoals zij heeft gesteld, zullen blijven bestaan doet daaraan niet af, nu Zorgstroom ervoor heeft gekozen deze werkzaamheden te laten verrichten door een managementassistent die op MBO-niveau gediplomeerd is en waarbij een werk- en denkniveau op HBO-niveau vereist wordt. De functie van [verwerende partij] zal dus door Zorgstroom anders worden ingevuld en het behoort tot haar beleidsvrijheid om daarvoor te kiezen. Niet is gesteld of gebleken dat Zorgstroom tot deze beleidsmatige keuze in redelijkheid en billijkheid niet had mogen komen

5. De kantonrechter overweegt voorts dat partijen welbewust aan de arbeidsovereenkomst zijn begonnen op basis van subsidiëring in het kader van genoemde regelgeving. Het feit dat door wijziging van die regelgeving de subsidiëring is komen te vervallen kan niet in overwegende mate aan een van partijen worden verweten en evenmin gerekend worden tot de risicosfeer van één van partijen. De beëindiging van de subsidie komt in gelijke mate voor risico van beide partijen; de beëindiging is partijen als het ware overkomen. De kantonrechter acht op grond van deze overweging geen termen aanwezig voor een ontbindingsvergoeding.

Wel zal de kantonrechter de ontbinding laten ingaan op 1 augustus 2006, opdat [verwerende partij] tot aan dat tijdstip als het ware nog een "opzegtermijn" geniet.

7. Uit de standpunten van partijen blijkt dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod. Het feit dat [verwerende partij] na het indienen van het verzoekschrift arbeidsongeschikt is geworden wegens ziekte staat geheel los van het feit dat de subsidie voor de arbeidsplaats is komen te vervallen.

8. Er zijn geen redenen om af te wijken van het beleid om in zaken gericht op de ontbinding van een arbeidsovereenkomst te bepalen dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet dragen.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 augustus 2006;

verdeelt de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.J.R.P. Verhoeven, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.