Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY5830

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
11-08-2006
Zaaknummer
50874 HA ZA 2006/13
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verrichten werkzaamheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 19 juli 2006 in de zaak van:

rolnr: 06-13

Aannemings- en verhuurbedr[eiseres] Zn.]. B.V.,

gevestigd te ’s-Heerenhoek, gemeente Borsele,

eiseres,

procureur: mr. P.M.E. Bilterijst,

tegen:

[gedaagde],

wonende te Goes,

gedaagde,

procureur: mr. C.T.E. Nuis.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 5 april 2006. Ter uitvoering van dat vonnis heeft op 29 mei 2006 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2. De feiten

2.1 Gedaagde (in het vervolg [gedaagde]) is beherend vennoot geweest van de V.O.F. Inter Expo.

2.2 In 1993 en 1994 heeft eiseres (in het vervolg [eiseres]) in opdracht en voor rekeningen van [gedaagde] werkzaamheden verricht. Hij heeft daarvoor een aantal facturen verstuurd.

2.3 Toen de V.O.F. Inter Expo financiële problemen kreeg, heeft zij in 1994 een regeling getroffen met haar crediteuren, waaronder [eiseres]. De crediteurenregeling met [eiseres] hield in dat een deelbetaling van 15 % van het openstaande bedrag zou worden betaald. De resterende vordering zou worden vastgesteld en zou gedurende een aantal jaren niet worden geïncasseerd. Tevens zou [eiseres] jaarlijks door [gedaagde] over de stand van zaken worden geïnformeerd.

2.4 De V.O.F. Inter Expo is omgezet in een besloten vennootschap met de naam Inter Expo B.V. De aandelen van Inter Expo B.V. zijn in 2005 overgedragen aan Libéma.

2.5 De opdracht voor de aanleg van een parkeerterrein bij de Zeelandhallen is door Libéma aan [eiseres] gegeven.

3. Het geschil

3.1 [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 27.257,23 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, kosten rechtens.

[eiseres] stelt hiertoe dat [gedaagde] zijn verplichtingen die voortvloeien uit de overeengekomen crediteurenregeling niet is nagekomen. [eiseres] zou jaarlijks door [gedaagde] worden geïnformeerd. [eiseres] is echter in 1998 voor het laatst geïnformeerd zodat de vordering van [eiseres] opeisbaar is geworden. Op grond van de crediteurenregeling heeft [eiseres] een bedrag te vorderen van fl. 41.800,34 ofwel € 18.968,17. Dit bedrag is als volgt tot stand gekomen: het totaal van de openstaande facturen was fl. 44.867,09. Een bedrag van fl. 6.270,05 is betaald. Die betaling is in mindering gebracht op de oudste factuur van 26 februari 1993 ad fl. 9.959,30. Het resterende bedrag van fl. 38.597,04 is verhoogd met rente en kosten ad fl. 3.203,30, zodat het nieuwe saldo fl. 41.800,34 is. [gedaagde] is destijds als beherend vennoot van de V.O.F. Inter Expo deze crediteurenregeling aangegaan en is derhalve hoofdelijk aansprakelijk. Ondanks herhaalde aanmaning is [gedaagde] in gebreke gebleven het bedrag te voldoen. [eiseres] heeft ieder jaar van 1999 tot 2004 rentenota’s gestuurd ten einde aan te geven dat hij nog steeds aanspraak maakte op betaling van het bedrag.

[eiseres] betwist dat de vordering is kwijtgescholden omdat zij het parkeerterrein bij de Zeelandhallen heeft mogen aanleggen. [eiseres] is met [gedaagde] overeengekomen dat de vordering alleen kwijtgescholden zou worden, als zij het parkeerterrein in eigendom kon verkrijgen of als zij een vrije opdracht zou krijgen. De aanbesteding was echter op basis van vrije concurrentie en [eiseres] heeft het parkeerterrein aan mogen leggen omdat zij voor de laagste prijs had ingeschreven.

[eiseres] vordert tot slot de wettelijke rente over het te vorderen bedrag vanaf het moment dat [gedaagde] niet meer aan zijn informatieplicht heeft voldaan, te weten vanaf juni/juli 1999 ad € 7.385,06. Tevens vordert [eiseres] de noodzakelijk gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad € 904,- exclusief BTW, zodat [eiseres] in totaal te vorderen heeft een bedrag van € 27.257,23.

3.2 [gedaagde] betwist de vordering van [eiseres]. De V.O.F. Inter Expo heeft inderdaad in 1994 een crediteurenregeling met [eiseres] getroffen. [gedaagde] betwist de hoogte van de restantvordering. Ten tijde van de totstandkoming van de regeling bedroeg de vordering van [eiseres] fl. 41.800,34. Op 30 september 1994, na de totstandkoming van de crediteurenregeling, heeft de V.O.F. Inter Expo 15 % van de vordering aan [eiseres] betaald. Het resterende bedrag is derhalve fl. 35.530,29 ofwel € 16.122,42.

Deze vordering van € 16.122,42 is vervolgens kwijtgescholden. Partijen zijn overeengekomen dat de vordering zou worden kwijtgescholden als [eiseres] de opdracht, voor het aanleggen van het parkeerterrein bij de Zeelandhallen, zou krijgen. [gedaagde] heeft een zeer actieve rol gespeeld door er bij Libéma op aan te dringen dat het werk aan [eiseres] zou worden gegund. Op advies van [gedaagde] is [eiseres] voor de aanbesteding, als enige van alle aannemers, door Libéma uitgenodigd voor een oriënterend gesprek voor het werk. [eiseres] heeft zelf geen bijzondere acties of initiatieven ondernomen. Hij heeft gewoon op het werk ingeschreven. Het werk is uiteindelijk door [eiseres] gerealiseerd. Hiermee is de achtergestelde lening komen te vervallen.

Als de vordering van [eiseres] vanaf juni/juli 1999 opeisbaar is geworden, dan is de vordering verjaard. Rentenota’s kunnen de vordering niet stuiten.

[gedaagde] betwist tot slot dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. In de crediteurenregeling is opgenomen dat geen rechtsmaatregelen genomen zouden worden met betrekking tot de restvordering en dat de vordering exclusief rente en kosten verschuldigd zou blijven. Tegen de rentenota’s heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt. [eiseres] heeft toen ook aangegeven dat die rentenota’s ten onrechte waren verstuurd.

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Met betrekking tot de verjaring overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat vast dat zij in 2004/2005 hebben onderhandeld over kwijtschelding van de vordering. Hiermee heeft [gedaagde] de vordering van [eiseres] erkend. Ingevolge artikel 3:318 van het Burgerlijk Wetboek is met deze erkenning door [gedaagde] de verjaring gestuit. Het beroep op verjaring gaat derhalve niet op.

4.2 [eiseres] stelt dat de hoogte van de openstaande vordering fl. 41.800,34 bedraagt. [gedaagde] betwist de hoogte van de vordering. Uit het overzicht dat [eiseres] als productie 1 bij de dagvaarding heeft overgelegd, blijkt dat de optelsom van de nota’s waar [eiseres] betaling van vordert fl. 41.800,34 bedraagt. Dit blijkt tevens uit de opgestelde verklaring met betrekking tot de crediteurenregeling die als productie 3 bij de dagvaarding is overgelegd. Vervolgens is door [gedaagde], overeenkomstig de crediteurenregeling, 15 % van de openstaande schuld betaald. Dit wordt door beide partijen niet betwist. De resterende vordering bedraagt dan ook fl. 35.530,29 ofwel € 16.122,42 (fl. 41.800,34 minus 15 % van fl. 41.800,34 ad fl. 6.270,05 is fl. 35.530,29). Bij de verdere beoordeling van dit geschil gaat de rechtbank van dit bedrag uit.

4.3 De aanleg van het parkeerterrein is niet door [gedaagde] maar door Libéma aan [eiseres] gegund. Alleen daarom al heeft [gedaagde] niet aan de voorwaarden voor kwijtschelding voldaan. De door hem gestelde bemiddeling is niet voldoende om aan die voorwaarden te voldoen, onder andere niet omdat [eiseres] in concurrentie heeft moeten inschrijven op het werk. De vordering van € 16.122,42 is derhalve toewijsbaar.

4.4 Ter comparitie heeft [eiseres] verklaard geen recht te hebben op rente omdat de achtergestelde lening rentevrij was. De vordering van [eiseres] van € 7.385,06 aan wettelijke rente vanaf 1999 zal derhalve worden afgewezen. De rechtbank zal voorts de door [eiseres] gevorderde buitengerechtelijke kosten afwijzen. Niet is gebleken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] toewijzen tot een bedrag van € 16.122,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen € 16.122,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding, 20 december 2005, tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiseres] tot aan deze uitspraak begroot op € 904,- aan salaris van de procureur en € 720,29 aan verschotten, waaronder € 600,- aan griffierecht;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

EA