Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY5741

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-07-2006
Datum publicatie
11-08-2006
Zaaknummer
36228 HA ZA 2002/473
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vocht- en grondwaterproblemen bij verbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 36228 / HA ZA 02-473

Vonnis van 12 juli 2006

in de zaak van

[eiser],

wonende te Goes,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. F.K. Wieland,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Goes,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. B. van Leeuwen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWBEDRIJF [L.] KLOETINGE B.V.,

gevestigd te Goes,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. S.D. Spruijt.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 juni 2005;

- het deskundigenbericht van 21 december 2005;

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiser];

- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde sub 1];

- de conclusie na (tweede) deskundigenbericht van [gedaagde sub 2].

De verdere beoordeling in conventie

Uit het door de deskundige uitgebrachte rapport blijkt dat de deskundige op 19 september 2005 een onderzoek ter plaatse heeft ingesteld en dat alle partijen met hun raadslieden daarbij aanwezig zijn geweest. Uit het rapport blijkt voorts dat partijen in de gelegenheid zijn gesteld het concept deskundigenbericht van hun commentaar te voorzien en dat [eiser] daarvan heeft afgezien en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van die gelegenheid gebruik hebben gemaakt.

In antwoord op de door de rechtbank in haar tussenvonnis geformuleerde vragen stelt de deskundige - kort gezegd - het volgende. Er is sprake van een vrijwel voortdurend vochtprobleem. De oorzaak van het vochtprobleem is dat de grondwaterstand nagenoeg gelijk staat met vloerpeil van het souterrain. De aansluiting van de nieuwe constructievloer tegen de bestaande garagevloer is blijkbaar niet waterdicht uitgevoerd, waardoor het mogelijk is dat grondwater onder de vloer zich via stortnaden en eventuele scheuren een weg zoekt en vervolgens een hoog vochtgehalte en plaatselijke vochtophopingen in de vloer veroorzaakt. De deskundige is van oordeel dat het ontwerp van de architect op een aantal punten niet voldoet aan de eisen die aan een goed en zorgvuldig handelend architect kunnen worden gesteld. Het behoorde volgens de deskundige tot de taak van de architect om de grondwaterstand na te gaan en om historische gegevens te verzamelen met betrekking tot eventuele wateroverlast. Bij een object onder het maaiveld had de architect rekening moeten houden met de plaatselijk aanwezige grondwaterstand en deze gegevens moeten vertalen in technisch goede details op tekening en in de werkomschrijving. De aannemer heeft bij het maken van de offerte ervan uit mogen gaan dat een onderzoek naar de bodemgesteldheid, de grondwaterhuishouding en/of de grondwaterstand is ingesteld. Bij het uitgraven van de fundering had het de aannemer echter duidelijk moeten zijn geworden dat de grondwaterstand tot problemen in de uitvoering zou kunnen leiden. De wijze van uitvoering voldoet niet aan de eisen van deugdelijk en goed werk op het punt van de waterdichtheid van de betonnen constructie. Hij had moeten onderkennen dat met de detaillering van de architect de gewenste droge praktijkruimte niet gemaakt kon worden. Hij had de opdrachtgever en/of architect moeten waarschuwen voor de gevolgen en in overleg moeten treden met partijen over eventuele aanpassingen. De deskundige schat de kosten van herstel op circa € 45.000,00.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aansprakelijk zijn voor dezelfde schade en derhalve hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en te lijden schade.

[gedaagde sub 1] is van oordeel dat de deskundige zijn rapport onvoldoende heeft onderbouwd en te gemakkelijk conclusies heeft getrokken. Voorzover [gedaagde sub 1] kan nagaan zijn de vochtproblemen na de laatste actie van de aannemer opgelost. Hij benadrukt dat in de beginfase de aandacht permanent gericht is geweest op regenwater en niet op grondwater. De constructeur heeft voorgesteld om een peilbuis te slaan om de grondwaterstand te meten. [gedaagde sub 1] heeft de aannemer daarover geïnformeerd. De aannemer zou dit niet noodzakelijk hebben geacht. Hij is voorts van mening dat met de post "opmeten en controleren van de bestaande toestand" uitsluitend bedoeld is het opmeten en controleren van de maatvoering van de bestaande situatie. Van de door de deskundige voorgestelde oplossingen is het verlagen van het grondwaterpeil voldoende. Het injecteren en het aanbrengen van een dampdichte laag is niet nodig. Aan de hand van dit rapport kan volgens [gedaagde sub 1] niet geoordeeld worden dat er sprake is geweest van nalatigheid die zou moeten leiden tot een verplichting tot schadevergoeding.

[gedaagde sub 2] is van oordeel dat [eiser] dient te bewijzen dat de schade direct het gevolg is van handelen of nalaten van [gedaagde sub 2]. [eiser] heeft aan [gedaagde sub 2] slechts een beperkte opdracht gegeven en hij heeft bijvoorbeeld al het installatiewerk, het aanbrengen van de vloerbedekking, egalisatie, grondwerk en drainage buiten de opdracht gehouden. Zij mocht er op vertrouwen dat [eiser] en [gedaagde sub 1] de uitvoerbaarheid van de werkzaamheden hadden onderzocht. [gedaagde sub 2] heeft [eiser] en [gedaagde sub 1] gewezen op de grote hoeveelheid water, doch dat was voor hen geen reden om het werk stil te leggen. [gedaagde sub 2] heeft moeten werken van een ondeugdelijk ontwerp. Zij is van mening dat het rapport geen antwoord geeft op de vraag of er ten gevolge van de werkzaamheden van [gedaagde sub 2] schade is ontstaan en of [gedaagde sub 2] voor deze schade aansprakelijk is. Zij kende de hoge waterstand niet en zij heeft deze ook niet kunnen constateren tijdens de uitvoering van het werk. [gedaagde sub 2] geeft verder aan dat het aanbrengen van een drainageleiding niet voor haar rekening kan komen omdat deze werkzaamheden niet in haar opdracht zaten. Ook is het niet nodig om een dampdichte folie op de betonnen constructievloer aan te brengen. [gedaagde sub 2] heeft zelf een begroting gemaakt van de kosten samenhangende met het isoleren van de vloeren tegen vochtdoorslag vanuit de bestaande constructie. Die begroting komt uit op € 6.371,00. Tenslotte bestrijdt [gedaagde sub 2] dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. [eiser] heeft niet aangetoond dat op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade.

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de deskundige op een zorgvuldige wijze is geschied. De deskundige heeft partijen in de gelegenheid gesteld zowel bij de aanvang van het onderzoek als na het onderzoek opmerkingen te plaatsen en verzoeken te doen. Voor zover partijen van die gelegenheid gebruik hebben gemaakt heeft de deskundige dat ook in zijn rapport vermeld. Partijen zijn ook bij het onderzoek ter plaatse aanwezig geweest. De rechtbank acht de conclusies van de deskundige voldoende duidelijk. Zij neemt die conclusies over en maakt ze tot de hare.

De rechtbank passeert de stelling van [gedaagde sub 1] dat aan de hand van dit rapport niet kan worden geoordeeld dat er sprake is geweest van nalatigheid die kan leiden tot aansprakelijkheid. De opdracht aan [gedaagde sub 1] is onderworpen aan de bepalingen van de overeenkomst van opdracht. Voor opdrachtnemers geldt dat zij bij hun werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moeten nemen. Het gaat om het criterium van de redelijk bekwaam handelend vakgenoot. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam architect mag worden verwacht dat hij voorzienbare risico's identificeert en waar mogelijk voorkomt. Uit het rapport van de deskundige volgt dat [gedaagde sub 1] dat niet heeft gedaan en dat het ontwerp op een aantal punten niet voldoet aan de eisen die aan een goed en zorgvuldig handelend architect kunnen worden gesteld. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] derhalve aansprakelijk is voor de ontstane schade.

[gedaagde sub 2] treft volgens de deskundige het verwijt dat haar bij het uitgraven van de fundering duidelijk had moeten zijn geworden dat de grondwaterstand tot problemen in de uitvoering zou kunnen leiden en dat zij had moeten onderkennen dat met de detaillering van de architect de gewenste droge praktijkruimte niet gemaakt kon worden. Zij had de opdrachtgever en/of architect moeten waarschuwen voor de gevolgen en in overleg moeten treden met partijen over eventuele aanpassingen. Voorts voldoet volgens de deskundige de wijze van uitvoering niet aan de eisen van deugdelijk en goed werk op het punt van de waterdichtheid van de betonnen constructie. [gedaagde sub 2] heeft zich tegen het oordeel van de deskundige verweerd met de stelling dat zij slechts een beperkte opdracht had. De rechtbank passeert deze stelling. Uit de door [eiser] bij dagvaarding overgelegde Aannemingsovereenkomst blijkt immers dat de opdracht aan [gedaagde sub 2] inhield de verbouwing van de tandartsenpraktijk. [gedaagde sub 2] heeft naar aanleiding van het rapport van de deskundige voorts gesteld dat zij [eiser] en [gedaagde sub 1] gewezen heeft op de grote hoeveelheid water. De rechtbank gaat ook aan die stelling voorbij nu [gedaagde sub 2] die stelling niet nader heeft onderbouwd en met name niet blijkt dat zij [eiser] en/of [gedaagde sub 1] heeft gewaarschuwd voor de eventuele gevolgen van die grote hoeveelheid water. De rechtbank acht derhalve ook [gedaagde sub 2] aansprakelijk voor de ontstane schade.

[eiser] heeft het standpunt ingenomen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ontstane schade. [gedaagde sub 1] is daar niet op ingegaan. [gedaagde sub 2] heeft betwist dat er sprake is van dezelfde schade. Van hoofdelijke aansprakelijkheid is sprake wanneer een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade moet worden aangenomen. Van een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade is sprake wanneer een schade is ontstaan door toedoen van twee of meer personen terwijl voor elk van de gedragingen geldt dat de schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden (HR 24 december 1999, NJ 2000,351). De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich hier voordoet. Op grond van het deskundigenrapport moet worden aangenomen dat de schade het gevolg is van de wijze waarop [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun opdracht hebben vervuld. Zij zijn derhalve hoofdelijk voor de schade aansprakelijk. De rechtbank zal de vordering van [eiser] derhalve toewijzen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Bij het vaststellen van de hoogte van de kosten van het geding zal de rechtbank uitgaan van de door de deskundige geschatte bouwkundige kosten van herstel.

De verdere beoordeling in reconventie

[gedaagde sub 1] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden als gevolg van de door [eiser] gelegde beslagen op zijn woning en onder de Rabobank Beveland. [eiser] had zich daartegenover op het standpunt gesteld dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van zijn vordering op [gedaagde sub 1] is gebleken en voorts dat [gedaagde sub 1] als gevolg van de gelegde beslagen geen schade heeft geleden. [gedaagde sub 1] is daar vervolgens niet meer op teruggekomen. De rechtbank zal de vordering van [gedaagde sub 1] derhalve afwijzen en hem als de in het ongelijk te stellen partij verwijzen in de kosten.

[gedaagde sub 2] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het werk is opgeleverd op 18 mei 2001. [eiser] heeft toen het op dat moment door hem verschuldigde gedeelte van de aanneemsom voldaan. [eiser] is echter in gebreke gebleven om het resterende gedeelte van de aanneemsom te voldoen. Evenmin heeft [eiser] de door [gedaagde sub 2] gefactureerde kosten van het plan van aanpak betaald. [eiser] heeft tegen de vordering verweer gevoerd. Het werk kan niet als opgeleverd worden beschouwd. Het werk is niet goedgekeurd en van een volledige ingebruikneming van de behandelkamers is geen sprake geweest. Het werk is ook niet deugdelijk uitgevoerd. De vochtproblematiek wordt in hoofdzaak veroorzaakt door de gebrekkige waterdichtheid van de geleverde constructie. Zolang [gedaagde sub 2] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen kan zij ook geen aanspraak maken op betaling. De nota voor de uitvoering van het plan van aanpak is [eiser] niet verschuldigd nu het ging om herstel van werkzaamheden die [gedaagde sub 2] ondeugdelijk had uitgevoerd. Tenslotte heeft [eiser] betwist dat [gedaagde sub 2] incassokosten heeft gemaakt.

[eiser] heeft onweersproken gesteld dat de nota voor de uitvoering van het plan van aanpak betrekking heeft op herstel van werkzaamheden die [gedaagde sub 2] ondeugdelijk had uitgevoerd. De omschrijving op de nota "herstel waterschade kelder i.v.m. grondwaterstand" bevestigt dit. De rechtbank heeft in conventie overwogen dat [gedaagde sub 2] jegens [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. De rechtbank zal dit deel van de vordering derhalve afwijzen. Nu [gedaagde sub 2] niet gespecificeerd heeft aangegeven dat de buitengerechtelijke kosten - niet zijnde de kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak - zijn gemaakt, zal overeenkomstig het Rapport van de Werkgroep van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak inzake de buitengerechtelijke kosten van november 2000 (Rapport Voorwerk II), het ter zake gevorderde bedrag eveneens worden afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op de vraag of en zo ja tot welk bedrag de vordering van [gedaagde sub 2] voor het overige toewijsbaar is, afhankelijk is van de uitkomst van de door [eiser] aanhangig te maken schadestaatprocedure. De rechtbank zal de uitspraak aanhouden tot zij in die procedure zal hebben beslist en de zaak daartoe verwijzen naar de parkeerrol van 3 oktober 2007, met dien verstande dat [gedaagde sub 2] de rechtbank kan verzoeken om eerder uitspraak te doen indien [eiser] de schadestaatprocedure niet binnen drie maanden na deze uitspraak aanhangig heeft gemaakt. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de (voor het grootste deel) in het ongelijk te stellen partijen worden veroordeelt inde kosten van het geding.

De beslissing

De rechtbank

In conventie

- veroordeelt gedaagden - onder voorwaarde dat bij betaling door de één de ander zal zijn bevrijd voor het betaalde deel - aan eiser te vergoeden de door hem, eiser, geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de toerekenbare tekortkomingen van gedaagden in het kader van de uitvoering van de hen gegeven opdrachten voor de verbouwing van de tandartsenpraktijk aan de Kastanjestraat 307 te Goes in 2000 en 2001, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, des dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding welke aan de zijde van tot aan dit moment worden begroot op € 193,00 wegens griffierecht, € 6.550,84 wegens overige verschotten en € 5.811,00 wegens procureurssalaris;

In reconventie

- wijst de vordering van [gedaagde sub 1] af;

- veroordeelt [gedaagde sub 1] in de kosten van het geding welke aan de zijde van [eiser] tot aan dit moment worden begroot op € 452,00 wegens procureurssalaris;

- houdt de beslissing op de vordering van [gedaagde sub 2] aan tot in de door [eiser] aanhangig te maken schadestaat procedure zal zijn beslist;

- verwijst die zaak naar de parkeerrol van 3 oktober 2007.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2006.?