Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY5728

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
50006 HA ZA 2005/539
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek tot intrekking van verleend verlof afgegeven door voorzieningenrechter vanwege onjuiste tenaamstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector civiel recht

vonnis van 5 juli 2006 in de zaak van:

rolnr. 539/05

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Lighting Partner B.V.,

gevestigd te Goes,

eiseres,

procureur: mr. K.P.T.G. Flos,

tegen

de vennootschap naar het recht van het land harer vestiging

Fallimento Lario Electric s.r.l.,

gevestigd te Albavilla-Como, Italië,

gedaagde,

procureur: mr. C.J. IJdema.

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit volgt uit:

- het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 5 april 2006;

- de akte houdende uitlating producties van Lighting Partner.

2. De feiten

2.1 Bij beslissing van 17 februari 2004 heeft het Tribunale Ordinario di Como, Italië, bij verstek Lighting Partner veroordeeld tot betaling van € 27.731,77, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 november 1997 tot aan de dag van algehele voldoening, en met ver-oordeling in de proceskosten.

2.2 De daartoe inleidende dagvaarding, waarbij Lighting Partner werd opgeroepen tegen de zitting van 9 juli 2003, werd op 18 februari 2003 door de deurwaarder te Como, Italië, per aangetekende post aan Lighting Partner verzonden. Dit poststuk was geadresseerd aan ‘Lighting Partner BV, in persona del suo legale rappresentante, Anthony Fokkerstraat 79, 4462 ES Goes (Paesi Bassi)’.

2.3 Op 21 april 2005 heeft het Tribunale Ordinario een certificaat afgegeven zoals is bedoeld in art. 54 van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslis-singen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de EEX-Verordening), waaruit blijkt dat bovenbedoelde beslissing uitvoerbaar is in de lidstaat van oorsprong.

2.4 Op 1 juni 2005 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Middelburg verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de beslissing d.d. 17 februari 2004.

2.5 Het vonnis van 17 februari 2004 en het verlof tot tenuitvoerlegging d.d. 1 juni 2005 zijn op 8 juni 2005 aan Lighting Partner betekend.

3. Het geschil

3.1 Lighting Partner heeft gevorderd dat bij vonnis:

I. zal worden bepaald dat de uitspraak op het rechtsmiddel wordt aangehouden totdat een einduitspraak in Italië beschikbaar is terzake het door haar in Italië ingestelde rechtsmiddel tegen het verstekvonnis van de rechtbank te Como;

II. het door deze rechtbank verleende verlof tot tenuitvoerlegging van 26 mei 2005 ten gunste van Fallimento Lario Electric zal worden ingetrokken;

III. bij handhaving van het verlof hieraan de voorwaarde zal worden verbonden dat door of namens Fallimento Lario Electric zekerheid wordt gesteld voor het totaal door haar, Lighting Partner, verschuldigde bedrag op grond van het vonnis van de rechtbank te Como;

IV. Fallimento Lario Electric zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure, en deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

3.2 Lighting Partner heeft zich daartoe gebaseerd op de feiten, en heeft voorts aangevoerd dat het verlof tot tenuitvoerlegging dient te worden ingetrokken nu dit is verzocht, verkregen en betekend op naam van de besloten vennootschap naar Italiaans recht Fallimento Lario Electric (hierna ook te noemen: FLE). Uit het vonnis van de rechtbank te Como blijkt even-wel dat het gaat om een vordering van de curator in het faillissement van het bedrijf Lario Electric. Het verlof is derhalve ten onrechte verzocht en afgegeven op naam van een niet bestaande vennootschap. Bovendien zijn de rechten van de verdediging als omschreven in artikel 34, tweede lid, EEX-verordening niet althans onvoldoende in acht genomen. De dag-vaarding is verzonden aan de wettelijk vertegenwoordigers van Lighting Partner, maar heeft geen van hen bereikt. De handtekening die op het ontvangstbewijs van de aangetekende brief is geplaatst, is onbekend. Lighting Partner heeft aldus nooit tijdig van de stukken kennis kunnen nemen en om die reden geen verweer gevoerd.

Nu Lighting Partner in Italië een rechtsmiddel tegen het verstekvonnis heeft aangewend, dient ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken in deze procedure pas uitspraak te worden gedaan nadat de einduitspraak in Italië beschikbaar is.

In geval van handhaving van het verlof dient FLE zekerheid te stellen ten bedrage van het-geen Lighting Partner aan eerstgenoemde moet betalen. Betaling vindt immers plaats aan de faillissementsboedel, zodat sprake is van een restitutierisico.

3.3 FLE voert gemotiveerd verweer, en stelt daartoe als volgt.

Het verlof is niet ten onrechte verzocht en afgegeven op naam van een niet bestaande ven-nootschap, in de procedure tegen Lighting Partner was zij immers de eisende partij. Overi-gens blijft naar Italiaans recht een failliete vennootschap bestaan, zij het dat gebruikelijk is daaraan het woord ‘fallimento’ (ofwel: faillissement van) toe te voegen.

Lighting Partner heeft voorts de dagvaarding wel degelijk ontvangen. De postbode heeft dit stuk immers op het juiste adres en aan de juiste persoon uitgereikt, en voor ontvangst daarvan is getekend. Zij is ook op de hoogte geweest van de procedure, en wist dat deze met een voor haar ongunstig vonnis was geëindigd.

Hoewel op basis van artikel 46 EEX-verordening de mogelijkheid bestaat de beslissing op het rechtsmiddel aan te houden, is dat in het onderhavige geval onredelijk. Voor een dergelijke aanhouding is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats, en niet reeds vanwege een ingesteld hoger beroep.

Juist nu sprake is van een faillissement is het risico van terugstorting bij een voor Lighting Partner succesvol hoger beroep uitgesloten. Subsidiair wordt aangeboden de verschuldigde bedragen op de derdengeldenrekening van haar Nederlandse advocaat te deponeren.

4. De beoordeling

4.1 De rechtbank is bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen op grond van artikel 43, tweede lid, EEX-Verordening jo. artikel 4, eerste lid, van de Uitvoeringswet EEX-verordening.

4.2 Het rechtsmiddel is overeenkomstig de artikelen 43, eerste lid, EEX-verordening jo. 4 Uitvoeringswet EEX-verordening, en in zoverre mitsdien regelmatig, ingesteld; gesteld noch gebleken daarbij is dat dit niet tijdig als bepaald in artikel 43, vijfde lid, EEX-verordening zou zijn gedaan. Lighting Partner kan derhalve in haar rechtsmiddel worden ontvangen.

4.3 De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van het exequaturverzoek, met bij-lagen.

4.4 De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft op 1 juni 2005 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de beslissing d.d. 17 februari 2004 van het Tribunale Ordinario di Como, Italië. Ingevolge artikel 45, eerste lid, EEX-verordening kan deze verklaring van uit-voerbaarheid slechts op een van de in de artikelen 34 en 35 genoemde gronden worden ingetrokken. Omtrent de vraag of van een zodanige situatie sprake is, wordt als volgt over-wogen.

4.4.1 Lighting Partner heeft ten eerste aangevoerd dat het verlof ten onrechte is verzocht en afgegeven nu, kortweg, de tenaamstelling onjuist is aangezien een en ander is geschied op naam van een niet bestaande vennootschap, reden waarom het verlof dient te worden ingetrokken. Nog daargelaten evenwel dat het door Lighting Partner gestelde niet één van de mogelijke gronden voor intrekking van een verleend verlof betreft, zodat haar bezwaren ter zake reeds daarom worden gepasseerd, blijkt daarenboven uit het exequaturverzoek dat het verlof is verzocht door en verleend op naam van Fallimento Lario Electric s.r.l. Bij dit exequaturverzoek zijn voorts gevoegd zowel het certificaat als bedoeld in artikel 54 EEX-verordening als het onderliggende vonnis van het Tribunale Ordinario. In deze beide stukken staat als eisende partij eveneens vermeld Fallimento (della) Lario Electric s.r.l. Nu een verlof tot tenuitvoerlegging wordt verleend op een beslissing, is derhalve het onderhavige exequatur op de juiste naam verzocht en afgegeven. Dat in de dagvaarding als eiser de curator dottor Dino Chiaroni nella sua qualità di Curatore del Fallimento della Lario Electric s.r.l. wordt genoemd, doet daar niet aan af, evenmin als het antwoord op de vraag of na faillissement de desbetreffende vennootschap al dan niet meer bestaand is. Of immers het vonnis in Italië op de juiste naam is gewezen, betreft een inhoudelijke toetsing van deze beslissing, waarvoor ingevolge artikel 45, tweede lid, EEX-verordening geen plaats is.

4.4.2 Evenmin kan worden geoordeeld dat de inleidende dagvaarding niet zo tijdig en op zodanige wijze aan Lighting Partner werd betekend als met het oog op haar verdediging nodig was (art. 34 sub 1 EEX-verordening). Immers, ingevolge artikel 14 van de EG-Betekenings-verordening (Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000) is betekening en kennisgeving van gerechtelijke stukken per post mogelijk, waarbij op grond van het tweede lid van genoemd artikel de lidstaten kunnen bepalen onder welke voorwaarden zij een dergelijke betekening aanvaarden. Blijkens de door Nederland dienovereenkomstig gedane mededeling, zoals die ook is opgenomen in artikel 6, eerste lid, van de Uitvoeringswet EG-Betekeningsverordening, dient rechtstreekse betekening per post aan zich in Nederland bevindende personen aangetekend te geschieden.

Uit de inleidende dagvaarding voor de in Italië gevoerde procedure blijkt dat de deurwaarder ter plaatse deze dagvaarding op 18 februari 2003 per aangetekende post heeft verzonden aan Lighting Partner. Laatstgenoemde heeft deze verzending op zich niet betwist, en evenmin gesteld dat het daarbij gebruikte adres (Anthony Fokkerstraat 79 te 4462 ES Goes) niet correct zou zijn danwel niet gebruikt had mogen of kunnen worden. Wel heeft zij betwist dat een van haar wettelijk vertegenwoordigers de desbetreffende zending in ontvangst heeft genomen. Nu echter uit het overgelegde ontvangstbewijs blijkt dat de aangetekende zending op 21 februari 2003 op genoemd adres te Goes is aangeboden waarbij tevens voor ontvangst is getekend, moet in redelijkheid worden aangenomen dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 19, eerste lid, sub b EG-Betekeningsverordening de betekening aan Lighting Partner “in persoon of aan haar woonplaats” heeft plaatsgevonden. Dit geldt overigens temeer nu Lighting Partner niet heeft gesteld noch anderszins is gebleken dat op het onderhavige adres meer en/of andere personen/ondernemingen zijn gehuisvest. Daarbij kan voorts in het midden blijven of betekening aan een van de bestuurders van Lighting Partner in persoon heeft plaatsgevonden danwel aan een ander op dat adres. Het is immers aan een onderneming als Lighting Partner om haar interne organisatie zodanig te regelen en in te richten dat de juiste en daartoe bevoegde personen zendingen als de onderhavige in ontvangst nemen, daarvoor tekenen en deze zonodig doorgeleiden. In het licht van het voorgaande moet derhalve worden uitgegaan van een voldoende regelmatige betekening van de inleidende dagvaarding. Nu deze betekening ook tijdig, immers op 21 februari 2003 ten behoeve van de zitting van 9 juli 2003, heeft plaatsgevonden, is Lighting Partner in redelijkheid niet geschaad in haar verdediging.

4.4.3 Nu, gezien het voorgaande, niet is gebleken van schending van de voorschriften van de artikelen 34 en 35 EEX-verordening, is er ingevolge artikel 45, eerste lid, van die verordening geen plaats voor het intrekken van het verleende verlof tot tenuitvoerlegging.

4.5 Overigens bepaalt artikel 46, eerste lid, EEX-verordening dat de uitspraak op het rechtsmiddel op verzoek van de desbetreffende partij kan worden aangehouden, indien tegen de in een andere lidstaat gegeven beslissing aldaar een gewoon rechtsmiddel is ingesteld, welk verzoek Lighting Partner ook heeft gedaan. Subsidiair heeft zij op basis van het derde lid van genoemd artikel gevorderd dat zal worden bepaald dat FLE zekerheid zal stellen voor hetgeen zij, Lighting Partner, dient te betalen. Zij heeft in dit verband gesteld dat, nu sprake is van het faillissement van haar wederpartij, betaling aan de boedel zou dienen plaats te vinden, met een daaruit volgend restitutierisico indien -gelet op het door haar ingestelde hoger beroep- het verstekvonnis uiteindelijk geen stand zou houden. Ter zake wordt als volgt overwogen.

In lijn met de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie moet ervan worden uitgegaan dat de in een lidstaat als Italië gegeven beslissingen die aldaar uitvoerbaar zijn, in andere lidstaten -in casu: Nederland- ten uitvoer kunnen worden gelegd, ook indien zij nog niet in kracht van gewijsde zijn gegaan. De bevoegdheid tot aanhouding respectievelijk tot het bepalen dat zekerheid dient te worden gesteld moet in dit licht worden beschouwd als een uitzondering, die dientengevolge terughoudend moet worden gehanteerd. Een andere toepassing zou immers leiden tot het belemmeren van het binnen de Europese Unie gewenste vrije verkeer van vonnissen. Uit het voorgaande volgt dan ook dat om te (kunnen) komen tot toepassing van het in artikel 46, eerste danwel derde lid, EEX-verordening bepaalde, bijzondere omstandigheden moeten zijn gesteld of gebleken. Hetgeen Lighting Partner heeft aangevoerd, is daartoe niet genoegzaam. Ten tijde van de procedure voor en de beslissing van het Tribunale Ordinario was het deze immers bekend dat FLE in staat van faillissement verkeerde alsook dat Lighting Partner niet in de procedure was verschenen. Niettemin is de vordering toegewezen en is deze in Italië ook uitvoerbaar. Nu Lighting Partner geen verdere bijzondere omstandigheden heeft gesteld, zal de door haar verzochte aanhouding respec-tievelijk zekerheidsstelling worden afgewezen.

4.6 Lighting Partner zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De rechtbank:

wijst de vordering af;

veroordeelt Lighting Partner in de kosten van de procedure, aan de zijde van Fallimento Lario Electric tot aan dit moment begroot op een bedrag van € 244,-- aan griffierecht en € 1.158,-- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. de Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.