Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AY5723

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
19-07-2006
Datum publicatie
11-09-2006
Zaaknummer
51060 HA ZA 2006/36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

de gemeente te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting over te gaan tot intrekking van de verbeurde dwangsom alsmede tot intrekking van het dwangbevel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 19 juli 2006 in de zaak van:

rolnr: 06/36

[eiser],

wonende te Goes,

eiser,

procureur: mr. F.C.M. van Gurp,

tegen:

De openbare rechtspersoon Gemeente Goes,

zetelende te Goes,

gedaagde,

procureur: mr. C.J. IJdema.

1. Het verdere verloop van de procedure

Ingevolge het vonnis d.d. 22 maart 2006 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden op 28 april 2006. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] drijft een Technische Handelsonderneming in autoradiatoren te Kloetinge, gemeente Goes aan het [adres]. Op dit adres is een bedrijfsloods aanwezig. Voorts heeft [eiser] ten behoeve van zijn bedrijfsvoering een bedrijfsloods aan het Westeinde 21 in gebruik.

2.2. [eiser] heeft op 28 februari 2002 toestemming gekregen van de gemeente om de bedrijfsloods aan het [adres] gedurende een half jaar te bewonen.

2.3. Bij schrijven d.d. 16 december 2002 deelde de gemeente aan [eiser] mee: “deze tijdelijke bewoning voor 1 maart 2003 te verlaten”.

2.1. Bij besluit van 13 augustus 2003 is [eiser] een last onder dwangsom opgelegd. De last hield in dat [eiser] binnen zes maanden vanaf 15 augustus 2003 de inrichting van de bedrijfsloods ten behoeve van de bewoning diende te verwijderen en verwijderd te houden. De in de bedrijfsloods aanwezige kook-, bad-, en toiletaangelegenheden dienden daartoe verwijderd te worden. Indien [eiser] daar geen gevolg aan zou geven zou hij een dwangsom verbeuren van € 50.000,--.

2.5. Bij schrijven van 26 september 2003 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.6. Bij schrijven van 11 maart 2004 vernam [eiser] dat hij een dwangsom had verbeurd. Na daartoe te zijn verzocht, heeft de gemeente het bezwaarschrift alsnog in behandeling genomen en heeft er een hoorzitting plaatsgevonden op 15 april 2004.

2.7. Bij besluit van 22 juni 2004 hebben Burgemeester en Wethouders van de gemeente beslist dat de verbeurtermijn van de beschikking van 13 augustus 2003 wordt gesteld op 29 april 2004. [eiser] hoefde de aanwezige kook-, bad- en toiletaangelegenheden niet te verwijderen, doch diende vervangende woonruimte te gaan betrekken.

2.8. Vanaf 29 april 2004 tot medio januari 2005 heeft [eiser] de bedrijfsloods niet meer gebruikt als woning. Hij heeft in de periode een kamer gehuurd bij de heer [B.].

2.9. In de nacht van 7 op 8 maart 2005 heeft er een controle ter plaatse van de loods aan het [adres] plaatsgevonden door politieambtenaren. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Bij brief van 22 juli 2005 deelde de gemeente aan [eiser] mee:

“(…) Recentelijk zijn wij door de politie Zeeland geattendeerd op een aantal controles die de politie bij u heeft uitgevoerd op de locatie [adres] te Kloetinge. Naar aanleiding van deze controles heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt wegens overtreding van het aldaar vigerende bestemmingsplan (…) Na bestudering van dit proces-verbaal moeten wij constateren dat u de bewoning op de locatie [adres] te Kloetinge niet heeft gestaakt. Tevens blijkt uit onze gegevens dat u op 14 juli 2005 nog steeds en wel vanaf 27 november 2001 staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) op het bovenstaande adres. Dit gegeven is voor ons eveneens reden om aan te nemen dat u daar ook daadwerkelijk woont dan wel dat u op deze locatie uw hoofdverblijf heeft.

Hiermee voldoet u niet aan de hierboven genoemde lastgeving. U heeft namelijk de aanwezige kook-, bad- en toiletgelegenheid inrichting niet alleen in gebruik voor uw bedrijfsvoering, maar zo blijkt uit het voorgaande, ook voor uw bewoning.

Conclusie

Gezien het bovenstaande moeten wij concluderen dat u de last, zoals aan u op 14 augustus 2003 in combinatie met de beslissing op bezwaar van 22 juni 2004, niet bent nagekomen. Daarom heeft u een dwangsom verbeurd van € 50.000,00 ineens.

Wij verzoeken u dit bedrag binnen 10 dagen na de verzenddatum van deze brief over te maken (…)”

2.10. Bij brief van 7 september 2005 is aan [eiser] door de gemeente een herinnering gestuurd. Bij brief van 13 oktober 2005 is [eiser] aangemaand. Hij heeft hier bij brief van 21 oktober 2005 op gereageerd.

2.11. Op 16 november 2005 hebben Burgemeester en Wethouders van Goes wegens verbeurde dwangsommen tegen [eiser] een dwangbevel uitgevaardigd ten belope van € 50.000,-- te vermeerderen met de invorderingskosten ad € 14,--.

2.12. [eiser] heeft ter zake geen betaling aan de gemeente Goes verricht. Met ingang van 1 mei 2006 beschikt hij over eigen woonruimte.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting over te gaan tot intrekking van de verbeurde dwangsom alsmede tot intrekking van het dwangbevel met veroordeling van de gemeente in de kosten van dit geding.

3.2. Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] het volgende. Hij heeft de bedrijfsloods niet in strijd met het vigerende bestemmingsplan dan wel in strijd met de last onder dwangsom gebruikt door deze loods te bewonen. [eiser] is ’s nachts wel regelmatig aanwezig, maar hij brengt de tijd dan door achter zijn bureau in het kantoor. Het enkele feit dat hij daar ’s nachts aanwezig is, leidt niet tot de conclusie dat hij de loods bewoont. Vanaf februari 2005 verblijft hij voornamelijk bij de buren (hij heeft ook sleutels van deze huizen) of bij zijn ex-echtgenote. Daarnaast verblijft hij met enige regelmatig in het buitenland. Hij kan dan ook geen dwangsom verbeurd hebben.

3.3. De gemeente betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan. Zoals in het proces-verbaal staat vermeld, heeft [eiser] verklaard dat hij twee tot drie keer per week in de loods verblijft. Nu [eiser] geen alternatieve vaste woonruimte voor handen heeft en de politieambtenaren een matrasje hebben waargenomen, terwijl [eiser] staat ingeschreven op het adres [adres], staat het voor de gemeente vast dat [eiser] (weer) in strijd met het besluit in de bedrijfsloods woont en derhalve de dwangsom heeft verbeurd.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Het gaat in de onderhavige zaak om de vraag of de gemeente zich terecht op het standpunt stelt dat [eiser] een dwangsom heeft verbeurd ten bedrage van € 50.000,--. De juistheid en rechtmatigheid van de (gewijzigde) last onder dwangsom als zodanig staan niet ter beoordeling, nu het daartegen gerichte bezwaar door Burgemeester en Wethouders is verworpen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] hiertegen beroep heeft ingesteld, zodat de beslissing onherroepelijk is geworden.

4.2. De last onder dwangsom is naar het oordeel van de rechtbank helder: [eiser] diende de bewoning van de loods te staken en gestaakt te houden. Ter zitting daar naar gevraagd verklaarde de gemeente dat zij onder bewoning verstaat: “het regelmatige verblijf in een pand waar ook woonvoorzieningen aanwezig zijn. Zo is er sprake van familie ontvangst, telefoonaansluiting, postontvangst en het slapen, koken en douchen aldaar”. Dat brengt met zich dat, wil er sprake zijn van bewoning, er een duidelijk patroon waargenomen moet zijn waaruit blijkt dat [eiser] de loods gebruikt als woning.

4.3. In dat kader stelt de gemeente zich op het standpunt gesteld dat zij begin maart 2005 een controle heeft laten verrichten door de politie bij de loods aan het [adres] te Kloetinge, omdat deze loods in februari en maart 2005 weer een bewoonde indruk maakte. Bij de stukken bevindt zich het betreffende proces-verbaal van politie. Uit het proces-verbaal blijkt het volgende: “Op maandag 21 februari 2005 ging ik samen met collega Duinhouwer in opdracht van de politiemeldkamer naar de bedrijfsloods aan het [adres] te Kloetinge (…) [eiser] deed toen bij ons aangifte van inbraak in zijn bedrijf (…) Ik zag toen in het bedrijf dat in de keuken een matras op de grond lag. Uit de verklaring van de heer [eiser] bleek toen (dat) [eiser] die nacht in het bedrijfspand geslapen had (…) Op dinsdag 8 maart 2005 omstreeks 03.35 uur heb ik samen met collega Verhulst een onderzoek ingesteld aan het [adres] te Kloetinge. Toen wij via een bovenraampje van de keuken met een zaklamp naar binnen schenen zagen wij iemand op de grond liggen en hoorden wij plotseling iemand met luide stem een brul geven. Ik herkende deze stem onmiddellijk als zijnde die van [eiser] (…)”.

[eiser] heeft tegenover de politie verklaard: “(…) Ik maak (…) geen misbruik van het feit dat ik ben ingeschreven op [adres]. Ik geef toe dat ik daar een matrasje heb staan en een dekentje heb liggen en daar af en toe op in slaap val. Dat is maanden niet gebeurd en de laatste tijd wat meer (…)”.

4.4. De gemeente stoelt haar constatering dat sprake is van bewoning van de loods door [eiser] op twee momenten: 20 februari 2005 en 8 maart 2005. Met betrekking tot de eerste waarneming overweegt de rechtbank het volgende. Het enkele feit dat er tijdens een bezoek van de politie aan de loods van [eiser] -naar aanleiding van een door hem gedane aangifte- een matras is waargenomen door een politieambtenaar, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat [eiser] daar ook daadwerkelijk heeft geslapen. Ook indien rekening gehouden wordt met de verklaring van [eiser] tegenover de politie – dat hij die nacht daar heeft geslapen – kan dit niet worden uitgelegd als bewoning. Daarvoor is immers meer nodig dan één enkele overnachting dan wel het aanwezig zijn van een matras.

4.5. Ten aanzien van het tweede moment geldt het volgende. De politie heeft [eiser] in de vroege ochtend van 8 maart 2005 in de loods aangetroffen. In het midden kan worden gelaten of de agenten – zoals door [eiser] is aangevoerd – zicht hebben kunnen hebben op de grond, gelet op het hierna volgende.

[eiser] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat hij die ochtend weliswaar aanwezig was, maar dat hij zaken aan het doen was met het buitenland. Bovendien kan naar het oordeel van de rechtbank uit deze enkele waarneming niet worden geconcludeerd dat sprake is van regelmatig verblijf in de loods waaruit bewoning voortvloeit, ook niet in combinatie met de waarneming van 20 februari 2005. Het had op de weg van de gemeente gelegen meerdere controles uit te (laten) voeren naar het gebruik van de loods door [eiser]. De gemeente heeft nog aangevoerd dat er na 8 maart 2005 nog meer controles zijn geweest, maar heeft verzuimd daarvan onderbouwende stukken over te leggen, zodat hieraan voorbij zal worden gegaan. Daar komt bij dat [eiser] ter comparitie heeft verklaard: “Ik woon eigenlijk nergens. Ik verblijf wel bij mijn buren en bij mijn ex vrouw (…) Het komt regelmatig voor dat ik ’s nachts in mijn loods ben. Vanwege het tijdsverschil moet ik wel ’s nachts werken want ik doe veel zaken met Brazilië en de Filippijnen. Dat komt zo drie a vier keer per week voor. Ik slaap dan niet in de loods maar rust wel eens uit.” Deze verklaring van [eiser] over het verblijf in de loods maakt niet aannemelijk dat hij zijn hoofdwoonverblijf daar had. Daarenboven heeft [eiser] verklaringen heeft overgelegd van de heren [betrokkene] en [betrokkene], waaruit blijkt dat [eiser] regelmatig bij hun sliep. De verklaring van [eiser] bij gelegenheid van de comparitie dat hij regelmatig bij zijn ex vrouw verblijft, is door de gemeente niet betwist, zodat ook hiervan uit kan worden gegaan. Dit leidt er in beginsel toe dat [eiser] de last onder dwangsom niet heeft overtreden.

4.6. De gemeente heeft nog gewezen op het feit dat [eiser] tegenover de politie heeft verklaard dat hij een matrasje in de loods heeft staan, daar af en toe op in slaap valt en dat hij 2 à 3 maal per week aldaar verblijft. Ter zitting is door [eiser] voldoende gemotiveerd aangevoerd dat hij dit heeft gezegd in een zeer emotionele bui en dat dat verkeerd uitgelegd is door de politieagent. Nu er niet vaker is gecontroleerd en de “uitbarsting” van [eiser] dan ook niet gestaafd kan worden, kan aan die opmerking geen doorslaggevende waarde gehecht worden.

4.7. Ook de overige omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat [eiser] zijn vaste verblijfplaats in de loods had. Zo hangt zijn kleding bij zijn ex-echtgenote en een parttime medewerkster en heeft hij een mobiele telefoon, waardoor hij niet afhankelijk is van de loods. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] in de loods eveneens kookt of douchet.

4.8. De gemeente heeft nog aangevoerd dat [eiser] staat ingeschreven aan het adres [adres], zodat daaruit afgeleid kan worden dat dit zijn vaste verblijfplaats is. Tussen partijen staat echter vast dat [eiser] al vanaf het begin ingeschreven staat aan voornoemd adres. De gemeente kan worden toegegeven dat een complex van factoren, in combinatie met de inschrijving, kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van bewoning. In het onderhavige geval leidt die combinatie van factoren echter juist niet tot de door de gemeente getrokken conclusie, zodat aan de inschrijving op zich geen extra waarde gehecht kan worden, mede gelet op de onbetwiste stelling van [eiser] dat hij verplicht is “traceerbaar” te zijn voor onder meer de belastingdienst.

4.9. Geoordeeld wordt daarom dat [eiser] geen dwangsom heeft verbeurd. De vordering zal dan ook worden toegewezen. De gemeente zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt de gemeente om tegen behoorlijk bewijs van kwijting over te gaan tot intrekking van de verbeurde dwangsom en tot intrekking van het dwangbevel;

- veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding welke aan de zijde van [eiser] tot aan dit moment worden begroot op € 244,-- wegens griffierecht, een bedrag van € 84,87 aan overige verschotten en € 904,-- wegens procureurssalaris;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kuypers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.