Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AX2424

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-04-2006
Datum publicatie
13-11-2006
Zaaknummer
Awb 05/1190 en 05/1191
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Windmolenpark Koergorspolder. Artikel 19 WRO. Belanghebbende: gemaakte onderscheid in zichtbaarheid en dominantie bieden goede aanknopingspunten om de grens voor het bepalen van belanghebbendeschap te leggen op 2000 meter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

____________________________________________________

UITSPRAAK

____________________________________________________

Reg.nr.: Awb 05/1190 en 05/1191

Inzake: Stichting Houdt Woonomgeving Koegorspolder Leefbaar, zetelend te Terneuzen, eiseres,

[eiser], wonende te [woonplaats], en anderen, eisers,

gemachtigde: mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, advocaat te Terneuzen,

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

I. Procesverloop.

Bij besluit van 14 december 2004 heeft verweerder aan WinWind BV, gevestigd te Terneuzen, met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), vrijstelling verleend van de geldende bestemmingsplannen Buitengebied 1976 en Buitengebied eerste herziening 1978 voor het realiseren van een windmolenpark in de Koegorspolder te Terneuzen/Sluiskil-Oost.Bij besluit van 8 april 2005 heeft verweerder aan WinWind BV een vergunning verleend voor

de aanleg van noodzakelijke verhardingen, dammen en bekabeling ten behoeve van de realisatie van vorengenoemd windmolenpark. Bij besluit van 12 mei 2005 heeft verweerder aan [belanghebbende] een bouwvergunning verleend voor het oprichten van 22 windturbines en een schakelstation van 20/50 KV op het perceel plaatselijk bekend als Koegorspolder te Sluiskil.

Eiseres en eisers hebben hiertegen bezwaarschriften ingediend bij verweerder.

Bij besluiten van 10 oktober 2005 heeft verweerder de bezwaren van eiseres en de bezwaren van de eisers, gericht tegen de aanlegvergunning van 8 april 2005, voorzover zij wonen in de buurtschap Schapenbout en/of aan de Graaf Jansdijk te Spui ongegrond verklaard. De bezwaren van de overige eisers heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluiten van 20 oktober 2005 heeft verweerder de bezwaren van eiseres en die van de eisers, voorzover zij wonen binnen een straal van 1200 meter vanaf het windmolenpark, gericht tegen het besluit van 12 mei 2005, ongegrond verklaard. De bezwaren van de overige eisers heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eiseres en eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 3 maart 2006 behandeld ter zitting. Eiseres en eisers zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.J. Jacobse, advocaat te Middelburg. WinWind BV werd vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Arnhem.

II. Overwegingen.

1. Uit de stukken blijkt dat de gemeenteraad van de gemeente Terneuzen het voornemen kenbaar heeft gemaakt om in de Koegorspolder, gelegen ten zuiden van Terneuzen en binnen de Kanaalzone, ruimte te bieden voor bedrijfsmatige activiteiten: uitbreiding van het zeehavenindustrie-terrein Sluiskil-Oost, de realisering van een recyclingzone, de ontwikkeling van de stedelijke randzone, de aanleg van een baggerspeciedepot met verwerkingsterrein voor slib en de aanleg windpark.

2. Ingevolge de geldende bestemmingsplannen Buitengebied (1976) en Buitengebied eerste herziening (1978) zijn voor het gebied van de Koegorspolder de bestemmingen agrarische doeleinden en industrie van toepassing. Ter realisering van bovengenoemde activiteiten heeft de raad van de gemeente Terneuzen het voorontwerpbestemmingsplan Koegorspolder van 31 oktober 2002 opgesteld. In verband met deze activiteiten heeft de raad van de gemeente Terneuzen voorts besloten, aangezien het gaat om een uitbreiding van het reeds bestaande industrieterrein met ongeveer 300 hectare, om de op de Wet milieubeheer gebaseerde m.e.r. – procedure (milieu effect rapportage) te volgen. Op 1 november 2002 is deze rapportage (MER Bedrijventerrein Koegorspolder) uitgebracht. Uit de stukken blijkt dat de voortgang van de bestemmingsplanprocedure vertraging heeft ondervonden als gevolg van een controverse tussen het Rijk en de gemeente Terneuzen over de uitvoering van de afspraken met betrekking tot de aanleg van het baggerspecieterrein met slibverwerking.

3. De raad van de gemeente Terneuzen heeft bij besluit van 21 oktober 2004 verklaard dat terzake van de bovengenoemde bestemmingsplannen een herziening wordt voorbereid. Dit besluit is blijkens de stukken bij besluit van 13 oktober 2005 verlengd.

4. In verband met de ontstane vertraging heeft vergunninghouder bij verweerder een aanvraag ingediend om vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO om het windmolenpark te kunnen realiseren. Verweerder heeft bij besluit van 14 december 2004 deze vrijstelling verleend. Op 8 april 2005 heeft verweerder de aanlegvergunning verleend. Vervolgens heeft verweerder op 12 mei 2005 bouwvergunning verleend.

5. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder zijn standpunten die tot vorengenoemde besluiten hebben geleid gehandhaafd. Eiseres en eisers hebben deze standpunten bestreden.

6. Met betrekking tot de bestreden besluiten van 10 oktober 2005, waarbij het besluit tot verlening van de aanlegvergunning is gehandhaafd, overweegt de rechtbank het volgende.

7. In deze besluiten heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres en van de eisers voorzover zij wonen in het buurtschap Schapenbout en de Graaf Jansdijk te Spui ongegrond verklaard en het bezwaarschrift voor wat betreft de overige eisers niet-ontvankelijk verklaard.

8. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder een belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

9. Verweerder heeft zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften op het standpunt gesteld dat eiseres op grond van haar statuten als belanghebbende kan worden beschouwd. Betreffende eisers is verweerder van mening dat, met uitzondering van de eisers die woonachtig zijn in de buurtschap Schapenbout en in de Graaf Jansdijk te Spui, deze niet als belanghebbende aangemerkt kunnen worden. Verweerder wijst erop dat slechts degenen die in de onmiddellijke nabijheid wonen en die voldoen aan het zichtcriterium als zodanig kunnen worden aangemerkt.

10. De rechtbank stelt vast dat eiseres gelet op haar doelstelling, die ziet op het creëren, handhaven en bevorderen van een leefbare woonomgeving voor alle omwonenden van de Koegorspolder als belanghebbende kan worden aangemerkt. Naar haar oordeel is deze doelstelling voldoende specifiek. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder met betrekking tot de ontvankelijkheid van eisers een juist criterium heeft aangelegd. Zij acht hierbij van belang dat hetgeen met de aanlegvergunning mogelijk wordt gemaakt ziet op het realiseren van werken, zoals verhardingen, dammen en bekabeling, die niet in een verre omtrek zichtbaar zijn. De grief van eisers op dit punt, welke verwijst naar rechtspraak met betrekking tot bouwplannen tot oprichting van een windmolenpark, volgt de rechtbank derhalve niet.

11. Verweerder heeft het besluit tot verlening van de aanlegvergunning gebaseerd op bovengenoemd voorbereidingsbesluit. Hierin is bepaald dat het verboden is voor het gebied dat onder de werking van het voorbereidingsbesluit is gebracht zonder of in afwijking van een aanlegvergunning over te gaan tot de aanleg van –kort weergegeven- infrastructurele werken. Voorts is bepaald dat zodanige vergunning wordt verleend tenzij door de uitvoering van die werken het terrein minder geschikt zou worden voor de verwerkelijking van de daaraan bij de partiële herziening van de bestemmingsplannen te geven bestemmingen. De rechtbank stelt vast dat het voorbereidingsbesluit genomen is met oog op de realisatie van een bedrijventerrein ten behoeve van afvalverwerkende activiteiten, het oprichten van een windmolenpark en overige ontwikkelingen. Gebleken is dat verweerder voorafgaand aan de verlening van de aanlegvergunning op 14 december 2004 vrijstelling van de geldende bestemmingsplannen heeft verleend ten behoeve van de realisering van het windmolenpark. Naar het oordeel van de rechtbank is met het verlenen van deze vrijstelling niet gebleken van een situatie waarbij door uitvoering van de werken het gebied waarvoor het voorbereidingsbesluit geldt, minder geschikt is voor de verwezenlijking van de toekomstige bestemming. Verweerder heeft derhalve op goede gronden besloten tot verlening van de aanlegvergunning.

12. Ten aanzien van de besluiten van 20 oktober 2005 overweegt de rechtbank als volgt.

13. Verweerder heeft zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van eisers op het standpunt gesteld dat alleen die eisers die binnen een straal van 1.200 meter van het windmolenpark wonen ontvankelijk kunnen worden verklaard in hun bezwaarschriften. Daarbij heeft verweerder acht geslagen op het zichtcriterium en op de ruimtelijke uitstraling. Eisers hebben dat standpunt bestreden en stellen dat een straal van 2.500 meter uitgangspunt zou moeten zijn.

14. Blijkens de ruimtelijke onderbouwing zullen de te plaatsen windmolens een masthoogte hebben van 80 meter en een tiphoogte van 120 meter. In de ruimtelijke onderbouwing is vastgesteld dat de windmolens op het lokale niveau in een zone van één tot twee kilometer duidelijk in beeld komen en als dominant kunnen worden ervaren. De schaal en maat van de windturbines is goed waarneembaar. Daarnaast wordt een zone op regionaal niveau onderscheiden van twee tot zes kilometer. In die zone zijn de windmolens wel zichtbaar doch dan maken zij meer deel uit van vele andere hoge elementen van het haven- en industriegebied van de Kanaalzone/Sluiskil.

15. De rechtbank merkt op dat verweerder geen onderbouwing heeft gegeven waarom hij de grens voor wat betreft het bepalen van het belanghebbendeschap heeft gelegd op 1.200 meter. De rechtbank is van oordeel dat in een situatie als hier aan de orde, waar sprake is van windmolens met een masthoogte van 80 meter en een tiphoogte van 120 meter, de ruimtelijke uitstraling een zwaarwegend gegeven is in de beoordeling van de ontvankelijkheid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aansluiting dient te worden gezocht bij de in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven verschillende zones van zichtbaarheid en dat in dat verband het daarin gestelde met betrekking tot zichtbaarheid op lokaal niveau goede aanknopingspunten biedt voor het bepalen van de ontvankelijkheid. De rechtbank is, gezien het gemaakte onderscheid in zichtbaarheid en dominantie van het windmolenpark binnen een straal van 2.000 meter ten opzichte van het gebied dat daar buiten ligt, van oordeel dat deze grens op 2.000 meter moet worden gesteld.

16. Gelet op het vorenoverwogene heeft verweerder de grens ten onrechte gesteld op 1.200 meter in plaats van 2.000 meter. De eisers die binnen twee kilometer van het windmolenpark woonachtig zijn heeft verweerder dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

17. Verweerder heeft eiseres en de overige eisers terecht ontvankelijk geacht in hun bezwaren. De rechtbank kan daarom toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De hiervoor bedoelde eisers, waarvan de bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard, hebben geen andere gronden in het beroep aangevoerd dan degenen die wel ontvankelijk zijn verklaard. Gelet hierop laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het deels vernietigde besluit in stand.

18. Allereerst hebben eiseres en eisers gewezen op een discrepantie in de tenaamstelling van enerzijds de bouwvergunning en anderzijds de milieuvergunning. Zij wijzen erop dat de bouwvergunning voor het oprichten van het windpark aan [belanghebbende], is verleend terwijl aan hem geen milieuvergunning is verleend. Daarmee is volgens eiseres en eisers niet aan de coördinatieplicht als bedoeld in artikel 52 van de Woningwet voldaan.

19. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 52 van de Woningwet niet is bepaald dat de bouwvergunning en noodzakelijke milieuvergunning op dezelfde naam zijn gesteld. Voorts is in dit verband van belang dat uit de jurisprudentie met betrekking tot artikel 8:20, eerste lid, van de Wet Milieubeheer voortvloeit dat de milieuvergunning van rechtswege overgaat op de drijver van de inrichting. Dit betekent dat er geen civielrechtelijke overdracht van de vergunning nodig is. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat artikel 52 beoogt te voorkomen dat een bouwvergunning wordt afgegeven voordat duidelijk is of de milieuvergunning bouwkundige gevolgen heeft voor het bouwplan waarop de bouwaanvraag betrekking heeft, is het feit dat de bouw- en milieuvergunning op verschillende namen zijn gesteld, niet relevant.

20. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, van de WRO is herzien of geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, van de WRO is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

21. Anders dan eiseres en eisers stellen bestaat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen aanleiding om naast de eis van een goede ruimtelijke onderbouwing de eisen te stellen die zijn ontwikkeld bij de toepassing van artikel 19 van de WRO (oud), zoals het urgentiecriterium. Dit geldt evenzeer in het geval toepassing wordt gegeven aan artikel 19, vierde lid, van de WRO. Met het huidige artikel 19, eerste lid, van de WRO is volgens de Afdeling voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare, bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor een project.

22. De rechtbank stelt allereerst vast dat met het afgeven van een verklaring van geen bezwaar door het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland op 23 november 2004, het nemen van bovengenoemd voorbereidingsbesluit en de aanwezigheid van een ruimtelijke onderbouwing aan de formele vereisten voor het toepassen artikel 19, eerste en vierde lid, van de WRO is voldaan.

23. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met boven genoemde bestemmingsplannen, waarin de betreffende gronden in de Koegorspolder zijn bestemd voor agrarische doeleinden en industrie. Met eiseres en eisers is de rechtbank van oordeel dat de oprichting van het windmolenpark een aanzienlijke inbreuk betekent op de bestaande planologische situatie. Derhalve dienen zware eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

24. Eiseres en eisers stellen dat de ruimtelijke onderbouwing niet toereikend geacht kan worden.

25. Uit de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan, dat door verweerder wordt onderschreven, blijkt dat in het windenergiebeleid van het rijk is voorzien in een taakstelling voor de provincie Zeeland voor een bijdrage in het windenergievermogen van 205 megawatt in 2010 waarbij criteria zijn geformuleerd ten aanzien van de keuze van plaatsingsgebieden. In aansluiting hierop zijn door de provincie in de streekplanuitwerking windenergie 1999 drie locaties voor grootschalige opwekking van windenergie en twee bijzondere locaties voor windenergie, waaronder de zeehaventerreinen Sloegebied en Kanaalzone, aangegeven. Het plaatsingsvoorstel voor het windpark Koegorspolder sluit volgens de ruimtelijke onderbouwing volledig aan op de in de streekplanuitwerking voorziene aansluiting van windparken op of nabij zeehaventerreinen. Voorts is in de structuurvisie van de (voormalige) gemeente Terneuzen vastgelegd dat de Koegorspolder in principe geschikt is voor de plaatsing van windturbines. In het advies van 26 september 2005 van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (STAB) aan de Afdeling in het kader van de milieuvergunningprocedure wordt gesteld dat de Koegorspolder valt in de door de provincie Zeeland onderscheiden categorie van windparken op of nabij zeehavens. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast komen te staan dat de Koegorspolder in het planologische beleid van de betrokken overheden geschikt wordt geacht voor de plaatsing van een windmolenpark.

26. In de ruimtelijke onderbouwing is gesteld dat de ontwikkeling van het windmolenpark goed inpasbaar is in de beoogde integrale ontwikkeling van de Koegorspolder en goed past binnen de toekomstige bestemmingen van het gebied. Gebleken is dat ten tijde van de bestreden besluiten de uitvoering van de afspraken met betrekking tot de aanleg van het baggerspeciedepot twijfelachtig is geworden. Verweerder heeft te dien aanzien in het schrijven van 20 februari 2006 gesteld dat hiermee geen einde is gekomen aan de ontwikkeling van een veelzijdig bedrijvengebied in de Kanaalzone. Het voorontwerp bestemmingsplan uit 2002 zal, met een wijziging in de invulling daarvan, weer in procedure worden gebracht. Uit de opsomming van verweerder blijkt dat ruimte zal worden gemaakt voor algemene bedrijven naast afvalverwerkende bedrijven en de vestiging van een leisurecentre. Voorts zal de vestiging van glastuinbouw planologisch mogelijk gemaakt worden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de opsomming niet dat de thans voorziene ontwikkelingen in zodanige mate afwijken van de ontwikkelingen voorzien in het voorontwerpbestemmingsplan 2002 dat het windmolenpark daar niet meer ingepast zou kunnen worden.

27. Op grond van het Besluit Milieueffectrapportage van 1994, gewijzigd bij Besluit van 7 mei 1999, en de daarbij behorende lijst met beoordelingsplichtige activiteiten (bijlage 1, onderdeel D categorie 22.2) geldt voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van één of meer met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van electriciteit door middel van windenergie de m.e.r.- beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een gezamenlijk vermogen van 10 megawatt per jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het onderhavige windmolenpark een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. In de ruimtelijke onderbouwing is gesteld dat een afzonderlijke m.e.r.-beoordeling is achterhaald nu de aanleg van het windpark is beoordeeld in het bovengenoemde MER Bedrijventerrein Koegorspolder, de aanvulling op het MER van 20 januari 2004 en in het toetsingsadvies van 6 februari 2004 van de commissie m.e.r.

28. Eiseres en eisers menen dat deze m.e.r. onvoldoende informatie geeft en dat daarin de effecten van het windmolenpark op de omgeving niet voldoende zijn beoordeeld. Eiseres en eisers wijzen in dit verband op het vervallen van het baggerspeciedepot en op het feit dat het aannemelijk is dat het in geding zijnde gebied een andere invulling zal krijgen. Deze ontwikkelingen zijn niet betrokken geweest bij de gevolgde m.e.r.- procedure. De rechtbank merkt op dat ook in het advies van de STAB van 25 september 2005 twijfel is gerezen omtrent de actualiteit van de m.e.r.

29. Uit bovengenoemde m.e.r. en de aanvulling daarop blijkt dat voor de opstelling van de windmolens drie varianten zijn onderzocht. Daarbij is gekozen voor alternatief C (geluid optimaal) met 22 windmolens. De belangrijkste beoordelingsaspecten hierbij waren energieopbrengst, geluid en landschap. Alternatief C gaf de minste geluidsbelasting doch de minste opbrengst. In landschappelijk opzicht werden alle alternatieven even acceptabel geacht.

30. In het toetsingsadvies wordt een essentiële tekortkoming geconstateerd met betrekking tot eventuele wijzigingen in de plannen voor baggerspecieberging. Aanbevolen wordt een actualisatie van het Mer uit te voeren. Betreffende de alternatieven voor de opstelling voor windturbines en de afweging tussen deze varianten constateert de commissie dat er geen tekortkoming meer is en is zij van mening dat hiermee voldoende informatie beschikbaar is gekomen. De rechtbank stelt hierbij vast dat de commissie ten aanzien van de windturbines geen verband heeft gelegd met het eventueel gewijzigd uitvoeren van de baggerspecieberging.

31. Verweerder heeft ten aanzien van de noodzaak van een afzonderlijke m.e.r. beoordeling van het windmolenpark betoogd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 7.8, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dit luidde tot 11 oktober 2005, waarbij een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. In dit verband heeft verweerder naar de uitspraak van 25 januari 2006 van de Afdeling bestuursrechtspraak verwezen inzake de milieuvergunningprocedure waarin is geconcludeerd dat het gebied van de Koegorspolder niet in een natuurgevoelig gebied ligt en waaraan de bevindingen van het advies van de STAB aan ten grondslag liggen. De rechtbank kan zich vinden in dit standpunt van verweerder.

32. In het licht hiervan heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat bij het verlenen van de onderhavige vrijstelling volstaan kan worden met de verrichte integrale m.e.r.- beoordeling. Gezien de vermoedelijke uitkomst van een afzonderlijke m.e.r.- procedure voor het windpark is in feite het meerdere gedaan in plaats van het mindere, aldus verweerder. De rechtbank acht de gemaakte keus van verweerder niet onaanvaardbaar. Daarbij acht de rechtbank van belang dat naar haar oordeel, anders dan eiser en eiseres stellen, niet sprake zal zijn een essentieel gewijzigde planologische ontwikkeling van de Koegorspolder.

33. Eisers en eiseres hebben aangevoerd dat hun vrees voor visuele hinder onvoldoende door verweerder is weerlegd.

34. Te dien aanzien merkt de rechtbank op dat in de rapportage van Royal Haskoning van maart 2002 wordt opgemerkt dat het totaalbeeld van het windmolenpark nogal rommelig zal zijn omdat de turbines die deel uitmaken van de parkopstelling op onregelmatige onderlinge afstand staan, er hiaten in de opstelling zijn en omdat elk van de deelopstellingen een andere richting kent. De rechtbank stelt vast dat de opstelling van de windmolens voorvloeit uit de keuze van bovengenoemde opstellingsvariant C. Aan die keuze heeft blijkens de stukken een belangenafweging ten grondslag gelegen, waarin ondermeer aan landschappelijke criteria is getoetst. De welstandscommissie heeft op 23 december 2004 in positieve zin geadviseerd. Op verzoek van verweerder is het advies nader gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het advies kunnen baseren. Van belang acht de rechtbank hierbij dat verweerder in zijn welstandsnota voor het in geding zijnde gebied een repressief welstandstoezicht van toepassing heeft verklaard.

35. Uit de stukken blijkt verder dat verweerder het bouwplan heeft getoetst aan de norm NVN 11400 waarin de criteria zijn gesteld waaraan moet worden voldaan om de constructieve veiligheid van windturbines te waarborgen. Verweerder heeft gesteld dat daartoe in het Nederlands gestelde berekeningen en tekeningen zijn overgelegd. Uit het genoemde rapport van de STAB van 26 september 2005 blijkt dat voornoemde norm voldoende waarborgen biedt voor de externe veiligheid. De rechtbank acht daarmede de grief van eiseres en eisers op dit punt voldoende weerlegd.

36. De rechtbank komt gezien het vorenstaande tot de conclusie dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan toereikend moet worden geacht. Verweerder was derhalve bevoegd vrijstelling van de geldende bestemmingsplannen verlenen. Van die bevoegdheid heeft verweerder niet een onredelijk gebruik gemaakt. Zij stelt verder vast dat, nu niet gebleken is van gronden waarop deze geweigerd zou dienen te worden, verweerder terecht tot verlening van de bouwvergunning heeft besloten.

37. De beroepen van eiseres en eisers dienen derhalve ongegrond te worden verklaard.

38. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg

verklaart de beroepen van eiseres en eisers voorzover deze zich richten tegen de besluiten van 10 oktober 2005 ongegrond;

verklaart het beroep van eisers tegen het besluit van 20 oktober 2005, voorzover daarbij de bezwaren van de eisers die wonen op een afstand tussen 1200 meter en 2000 meter niet-ontvankelijk zijn verklaard, gegrond;

vernietigt het besluit van 20 oktober 2005 in zoverre;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;

verklaart de beroepen van eiseres en eisers tegen de besluiten van 20 oktober 2005 voor het overige ongegrond;

bepaalt dat de gemeente Terneuzen aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,- (tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Terneuzen aan eisers.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2006 door mr. T. Damsteegt als voorzitter en mr. G.H. Nomes en mr. I. Dijkman als leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: