Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AV8688

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
10-04-2006
Zaaknummer
Awb 05/347 en 05/348
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BA9709, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

N.v.t.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

___________________________________________________

UITSPRAAK

___________________________________________________

Reg.nr.: Awb 05/347 en 05/348

Inzake: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. R.M.A. Lensen, advocaat te Terneuzen

tegen: het dagelijks bestuur van het Waterschap Zeeuws-Vlaanderen, verweerder.

I. Procesverloop.

In zaak 05/347:

Bij besluit van 13 december 2004 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag met onmiddellijke ingang op te leggen wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

Eiser heeft hiertegen een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser overeenkomstig het advies van de bezwarencommissie ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank.

In zaak 05/348:

Eiser heeft voorts op 28 januari 2005 bezwaar gemaakt tegen de salarisspecificatie over de maand december 2004.

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft verweerder nog enkele looncomponenten betaalbaar gesteld.

Hiertegen heeft eiser eveneens beroep ingesteld.

Beide beroepen zijn op 7 december 2005 en op 17 januari 2006 behandeld ter zitting. Eiser is beide zittingen in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Minderhoud, advocaat te Middelburg en ter zitting van 7 december 2005 vergezeld van [betrokkene], ambtenaar van het waterschap.

II. Overwegingen.

1. Beide beroepen zijn met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht versneld behandeld. De rechtbank zal eerst het beroep tegen het besluit tot oplegging van disciplinair straf van ongevraagd ontslag behandelen.

2. Voorafgaand aan zijn disciplinaire bestraffing was eiser sedert 1 juli 2000 werkzaam als ambtenaar in dienst van het Waterschap Zeeuws-Vlaanderen in de functie van hoofd belastingen bij de sector middelen. Zijn werkzaamheden betroffen het leidinggeven aan de afdeling belastingen, zorgdragen voor belastingheffing, belastinginvordering, kwijtscheldingsregelingen, opstellen van meerjarenplanning en –ramingen, het ontwikkelen van beleid en het adviseren op het terrein van informatievoorziening en automatisering.

3. Verweerder heeft in zijn besluit van 8 december 2004 het disciplinaire ontslag van eiser gestoeld op zeer ernstig plichtsverzuim bestaande uit - kort weergegeven – het volgende:

a. het accorderen als budgethouder van twee facturen van het bedrijf [bedrijf1] betrekking op dienstverlening aan het Waterschap, dat blijkens de gegevens van de Kamer van Koophandel staat geregistreerd staat op eisers naam.

b. de facturering van CMG Public Sector BV (verder: CMG) betreffende het project “Proefimplementatie GIBS” te laten geschieden via eisers bedrijf [bedrijf2] met als toevoeging dat dit bedrijf de projectorganisatie verzorgt voor het waterschap. Volgens verweerder zijn deze facturen via het door eiser ingeschakelde bedrijf Dekker Soft & Hardware te Axel doorbelast aan het waterschap. Daarbij is geconstateerd dat voor een bedrag € 127.000,- bij het waterschap in rekening is gebracht en dat de facturen van GMG een bedrag van € 72.000,- beliepen. Verweerder heeft voorts geconstateerd dat een bedrag van € 10.710,- aan kosten van CMG door Dekker Soft & Hardware in rekening is gebracht terwijl tevens een factuur met hetzelfde bedrag rechtstreeks van CMG werd ontvangen. In de debiteurenadministratie van CMG kwam dit bedrag slechts één keer voor.

c. het aanbieden van het softwarepakket FBCO-WVOB voor de heffing van verontreinigingsheffing aan andere waterschappen op briefpapier van het waterschap, als zijnde software dat door eisers bedrijf [bedrijf2] in samenwerking met het waterschap Zeeuws-Vlaanderen zou zijn ontwikkeld. Daarbij is vermeld dat het bedrijf [bedrijf2] de ondersteuning en de oplossing van problemen verzorgt.

Voorafgaand aan dit besluit is eiser in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden.

4. Verweerder heeft naar aanleiding van de feiten vermeld in het besluit van 8 december 2004, welke volgens verweerder door eiser zeer ten dele zijn weersproken, gesteld dat eiser in strijd heeft gehandeld met de Sectorale Arbeidsvoorwaarden Waterschapspersoneel (SAW). Naar de mening van verweerder dient het geconstateerde plichtsverzuim tot de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag te leiden als bedoeld in artikel 8.1.2, eerste lid, en onder j. van de SAW.

5. In het besluit van 22 maart 2005 heeft dit standpunt gehandhaafd. Of eiser een voordeel heeft behaald ter grootte van

€ 55.000,- bij facturering als hierboven beschreven onder b. heeft verweerder bij gebreke van feitelijke aanwijzingen in het midden gelaten. De rechtbank stelt vast dat zulks ook in het besluit van 8 december 2004 is geschied.

6. Eiser heeft aangevoerd dat het besluit tot buitendienststelling onbevoegd is genomen. Naar de mening van eiser berust die bevoegdheid bij het dagelijks bestuur van het waterschap. Van een mandatering van die bevoegdheid is volgens eiser geen sprake. Hij voert verder aan dat deze buitendienststelling hem geschaad heeft in zijn verantwoording ten aanzien van het hem verweten plichtsverzuim omdat hij geen toegang meer had tot het waterschap waardoor hij de door hem benutte computer niet meer kon raadplegen. Naar zijn mening is zijn verzoek om aanhouding van de behandeling van zijn bezwaren door de Commissie behandeling bezwaren van ambtenaren teneinde nog toegang te kunnen krijgen tot het electronisch archief ten onrechte en op onbevoegde wijze geweigerd. Eiser heeft gesteld dat hij naderhand wel van verweerder toestemming heeft gekregen voor raadpleging van zijn computer doch op dat tijdstip was verweerder reeds tot het bestreden besluit gekomen. Bij inzage van de computer bleek volgens eiser dat relevante informatie was gewist dan wel voor eiser ontoegankelijk gemaakt. Eiser wijst in dit verband op mailverkeer tussen hem en zijn directe chef [naam chef] en op brieven eisers inzake het bedrijf [bedrijf2]. Eiser acht deze handelwijze van verweerder ontoelaatbaar en hij acht zich hierdoor in zijn verdediging geschaad. Ten onrechte heeft verweerder volgens eiser opmerkingen van hem gepasseerd die betrekking hebben op de positie die zijn chef [naam chef] heeft ingenomen ten aanzien van het hem verweten handelen.

Eiser beklemtoont dat bij leidinggevenden wetenschap bestond van zijn aanpak bij de implementatie van het GIBS-systeem, alsmede van het Accessysteem. De houding van de leidinggevenden, die weliswaar geen expliciete instemming inhield, kon eiser redelijkerwijs begrijpen als impliciete instemming. Daarbij wijst eiser erop dat de kosten van de inzet van de medewerkers van CMG het beslissingsbudget van eiser overstegen, hetgeen volgens eiser op zijn minst voor de leidinggevenden zichtbaar kon zijn. Eiser heeft voorts gewezen op een brief van 27 september 2002 aan het waterschap die volgens eiser door toedoen van [naam chef] door CMG opnieuw is verzonden maar dan aan het privé-adres van eiser. De aan het waterschap gerichte brief zou door [naam chef], dan wel in zijn opdracht, zijn verwijderd uit registratiesysteem van het waterschap. Eiser wijst er voorts op dat het managementteam van het waterschap een nadelige financiering heeft gekozen voor de aanschaf van een nieuwe hoofdcomputer. Binnen deze context en in het licht van de complimenten die eiser ontving voor de uitvoering van zijn projecten dient naar de mening van eisers handelswijze te worden bezien. Dat voor de acquisitiebrieven voor het softwarepakket voor de heffingen van verontreinigingsheffing bij bedrijven het briefpapier van het waterschap is gebruikt beschouwt eiser als ongelukkig. Eiser stelt over deze activiteit open te zijn geweest waarbij hij geen misbruik van zijn positie bij het waterschap heeft gemaakt. Eiser concludeert dat de feiten niet juist zijn en voorzover deze al juist zijn wordt het hem verweten plichtsverzuim niet wordt gedragen door deze feiten. Voorts acht de gekozen disciplinaire maatregel niet evenredig nu verweerder de stelling dat eiser zich zou hebben verrijkt door zijn handelwijze niet langer handhaaft.

7. De rechtbank overweegt het volgende.

8. Ingevolge artikel 7.2.5. van de SAW is de ambtenaar verplicht aan het dagelijks bestuur op een door dit orgaan te bepalen wijze op gave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met zijn functievervulling kunnen raken. Ingevolge artikel 7.2.6, eerste lid, van de SAW is het de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst. In artikel 8.1.1., eerste lid, van de SAW is bepaald dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair worden gestraft. In artikel 8.1.1., tweede lid, van de SAW is bepaald dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat met betrekking tot het besluit tot buitendienststelling, waarvan het gespreksverslag van 12 november 2004 gewag maakt, eiser in diens bezwaarschrift van 31 december 2004 noch in diens aanvullende bezwaarschrift van 25 januari 2005 bezwaar tegen dit besluit heeft gemaakt. Zij zal daarom de hierop betrekking hebbende grief van eiser buiten beschouwing laten.

10. Uit de stukken blijkt verder dat eiser per fax van 14 februari 2005 aan de voorzitter van de bezwarencommissie heeft verzocht de behandeling van de bezwaren van eiser te verdagen. Na de aanvankelijke afwijzing van dit verzoek op 15 februari 2005 is het verzoek alsnog ter hoorzitting op 16 februari 2005 behandeld. Eiser beoogde met het verzoek de mogelijkheid te scheppen om voorafgaand aan de behandeling van zijn bezwaren nog de door hem gebruikte computer te kunnen raadplegen voor aanvullende bewijsstukken. Blijkens het advies van de bezwarencommissie van 16 februari 2005 is het verzoek afgewezen omdat ter zitting niet duidelijk was geworden over welke gegevens eiser nog zou willen beschikken en niet met zekerheid te zeggen viel of deze gegevens nog aanwezig zouden zijn.

11. Gebleken is dat verweerder bij brief van 3 maart 2005 eiser de gelegenheid heeft geboden om de bestanden van zijn computer alsnog in te zien. Op 7 april 2005 heeft eiser van die gelegenheid gebruik gemaakt. Verweerder heeft op 23 maart 2005, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 16 februari 2005, op de bezwaren van eiser beslist. Gelet op deze gang van zaken stelt de rechtbank vast dat verweerder de bevindingen van eiser bij de inzage van de computerbestanden niet bij het bestreden besluit heeft betrokken, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank in rede zou liggen gelet op belang dat eiser aan deze informatie hecht. De rechtbank wijst in dit verband op het bepaalde in artikel 7:9 van de Awb.

12. De rechtbank ziet echter geen aanleiding hieraan consequenties te verbinden voor het bestreden besluit. Daartoe stelt de rechtbank vast dat verweerder de bevindingen van eiser neergelegd in diens verslag van 8 april 2005 met klem heeft bestreden en dat alle traceerbare bestanden welke door eiser zijn aangemaakt of beheerd op een harddisk zijn vastgelegd en dat eiser copieën van deze bestanden op 7 april 2005 heeft ingezien. Voorts is eiser in de gelegenheid gesteld om documenten te printen dan wel om deze op te slaan op een floppy disk. Ter zitting van de rechtbank heeft het hoofd van de Afdeling POIC in zijn verklaring als getuige de vastlegging van vorenbedoelde bestanden op de harddisk bevestigd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er niet meer documenten cq. bestanden zijn dan die welke op de harddisk zijn vastgelegd en dat partijen daarvan de in hun ogen relevant te achten stukken als gedingstukken hebben overgelegd. Gebleken is dat de stukken die eiser heeft overgelegd niet afwijken van de stukken die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. Voor de stelling van eiser dat hij in zijn verdediging is geschaad ziet de rechtbank geen grond.

13. Zij stelt verder vast dat eiser de gedragingen, omschreven in het besluit van 8 december 2004, welke verweerder aan het plichtsverzuim van eiser ten grondslag heeft gelegd op zichzelf niet heeft bestreden. De vraag of eiser het daarin genoemde voordeel heeft behaald dient hierbij buiten beschouwing te blijven, nu verweerder dit punt uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten. Eisers standpunt berust met name op diens visie dat bij de leidinggevenden van het waterschap wetenschap en impliciete instemming bestond omtrent zijn aanpak van het GIBS project en de werkzaamheden aan het Access systeem.

14. Uit de stukken blijkt dat in het jaar 2002 aan het waterschap het Geintegreerd Belastingsysteem (GIBS), in gebruik bij het Hoogheemraadschap van Rijnland, in de vorm van een proefimplementatie voor de eigen belastingheffing en invordering ter beschikking is gesteld. Beoogd werd de bij het waterschap tot dusver in gebruik zijnde systemen te vervangen indien het GIBS systeem voor het waterschap bruikbaar zou blijken te zijn. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat in dat jaar uitsluitend gelden beschikbaar waren voor een deze proefimplementatie. Hiermee was blijkens het plan van aanpak uit februari 2002 een bedrag van ongeveer 15.000 euro gemoeid. Blijkens een e-mailbericht van 24 juni 2002 heeft eiser aan CMG, het bij de implementatie betrokken externe bedrijf, bericht dat de ondertekening van een gebruikerscontract ziende op het GIBS systeem niet in augustus 2002 doch eerst in december 2002 zal kunnen plaatsvinden. Eiser heeft daarbij toegelicht dat een investering in het systeem niet eerder zal kunnen plaatsvinden dan 2003 en dat daartoe de oorspronkelijk geplande investering in 2005 naar voren zou worden gehaald. In een daaropvolgende mail van 27 juni 2002 bericht eiser aan diens direct leidinggevende [naam chef] dat het uitstel van de ondertekening van het gebruikerscontract niet goed gevallen is bij CMG. Eiser doet aan zijn leidinggevende het voorstel het systeem eerst te huren en de huurtermijnen te verrekenen bij de aanschaf, zodra die aanschaf budgettair mogelijk is. Eiser stelt voor daartoe een intentieverklaring op te stellen. Bij schrijven 12 september 2002 heeft eiser aan CMG bericht dat alle facturen met betrekking tot de proefimplementatie gericht dienen te worden aan [bedrijf2] te [woonplaats] dat de project-organisatie verzorgt voor het waterschap. In een brief van 27 september 2002 van CMG wordt de voortzetting van het implementatieproject GIBS, welke is gericht aan het prive-adres van eiser, bekrachtigd door eiser. Tot 1 januari 2003 dient gefactureerd worden aan [bedrijf2].

15. Ten aanzien van de werkzaamheden betreffende Access-applicaties bij het waterschap blijkt uit de stukken dat eiser voor het onderhoud daarvan het bedrijf [bedrijf1] heeft ingeschakeld. Verweerder heeft in dit verband twee facturen overgelegd welke door eiser zijn geaccordeerd.

16. Gebleken is dat zowel het bedrijf [bedrijf2] als het bedrijf [bedrijf1] op eisers naam stonden geregistreerd. Eisers heeft dit ook niet ontkend. Ter verklaring van de inschakeling van deze bedrijven heeft eiser gesteld dat het noodzakelijk was automatiseringspakket GIBS met ingang van 2003 in gebruik te nemen omdat de kwaliteit van de heffingsaanslagen met de in gebruik zijnde systemen onder druk kwam te staan en het mogelijk was om met het nieuwe pakket op licentiekosten te besparen. Eiser constateerde dat hij met de beschikbare middelen het project niet kon uitvoeren en hij besloot toen het project voor te financieren via het bedrijf [bedrijf2] door de facturen van CMG te laten doorzenden aan laatstgenoemd bedrijf. Met betrekking tot de Access-applicatie heeft eiser verklaard dat het ging om het onderhoud aan het heffingensysteem voor de verontreinigingslasten bij bedrijven, een systeem dat door het bedrijf [bedrijf2] was ontwikkeld. De afdeling PIOC (informatievoorziening) zou volgens eiser het in 2003 en 2004 benodigde onderhoud niet willen uitvoeren. Eiser was van mening dat dit een ongewenst risico zou inhouden, waarmee het sectorhoofd middelen het eens zou zijn. Hij besloot daarop het onderhoud uit te besteden aan [bedrijf2] die daarvoor het bedrijf [bedrijf1] inschakelde. Ter rechtvaardiging van deze handelwijzen heeft eiser in zijn verantwoording gesteld dat het wel eens nodig kan zijn om gebruik te maken van omwegen om het doel te bereiken. De omstandigheid dat de gekozen wegen financieel neutraal waren en voorts in het belang van het waterschap was woog voor eiser zwaarder dan het al dan niet volgen van formele procedures.

17. Uit het verhandelde ter zitting en de verklaringen die de getuigen daarin zijn afgelegd heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden dat eiser van zijn direct leidinggevende [naam chef] noch van andere leden van het managementteam de instemming voor dit handelen, dat zag op de definitieve implementatie van het systeem, heeft gehad. Uit de getuigenverklaringen ter zitting komt naar voren dat met betrekking tot het GIBS-project van de zijde van de leidinggevenden slechts instemming bestond voor een proef met het systeem om het op bruikbaarheid te kunnen testen en dat er geen organisatorische druk was die noopte tot een verdere implementatie. De rechtbank stelt in dit verband voorts vast dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam chef] een rechtstreeks aan het waterschap gerichte brief van 27 september 2002 met dezelfde strekking als de brief van 27 september 2002 gericht aan eisers privé-adres uit het postregistratiesysteem van het waterschap zou hebben laten verwijderen om diens bekendheid met handelen van eiser te verdoezelen. Uit de verklaringen van de getuigen is gebleken dat het onwaarschijnlijk is dat zulks ongemerkt zou kunnen geschieden. Naar het oordeel van de rechtbank biedt ook hetgeen eiser naar voren heeft gebracht over de omvang van de kosten van de medewerkers van CMG evenmin aanknopingspunten voor de impliciete instemming van het management met het handelen van eiser. Ter zitting is hierover verklaard dat wel overzichten van kosten bestonden doch niet gespecificeerd naar bedrijf. Ten aanzien het handelen van eiser met betrekking tot het onderhoud aan de Access-toepassingen is uit de verklaring van [betrokkene] gebleken dat eiser koos voor een onafhankelijker opstelling van de afdeling van eerstgenoemde. De rechtbank heeft tenslotte niet kunnen vaststellen dat het managementteam van het waterschap op de hoogte was van de aanbieding van softwarepakket FBCO-WVOB voor de heffing van verontreinigingsheffing aan andere waterschappen.

18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het handelen van eiser terecht heeft gekwalificeerd als het overtreden van de artikelen 7.2.5 en 7.2.6, eerste lid, van de SAW. Blijkens de afgelegde getuigenverklaringen ter zitting heeft eiser noch van de nevenwerkzaam-heden voor zijn bedrijven, noch van het inschakelen van deze bedrijven voor werkzaamheden bij het waterschap melding gemaakt. Voorts valt het handelen van eiser te scharen onder het verbod bedoeld in artikel 7.2.6, eerste lid van de SAW, gelet op eisers betrokkenheid in de ingeschakelde bedrijven. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van ernstig plichtsverzuim. De rechtbank merkt op in dit verband op bij de toelichting op artikel 7.2.6 is vermeld dat het een ambtenaar, die nevenactiviteiten uitoefent op het gebied van kantoorautomatisering, niet toegestaan is zijn product te slijten aan het waterschap. Vanuit zijn positie als ambtenaar kan hij te gemakkelijk invloed uitoefenen op een dergelijke transactie en zichzelf daarbij bevoordelen.

19. De rechtbank volgt verder niet eisers stelling dat sprake is van onevenredigheid tussen straf en misdraging. Zij acht hierbij niet van belang dat het waterschap geen nadeel heeft ondervonden van eisers handelwijze, hetgeen verweerder overigens in het midden heeft gelaten. Van enige bewilliging van de leidinggevenden van het waterschap bij het handelen van eiser in die zin dat het plichtsverzuim in mindere mate aan eiser zou zijn toe te rekenen is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank merkt verder op dat eiser als afdelingshoofd en als budgethouder tot een bedrag van 23.000 euro belast was met een taak, die meebracht, dat hij zich afzijdig diende te houden van elke vorm van nevenactiviteit waarmee hij uit hoofde van zijn functie bemoeienis had en waartoe gemakkelijk een indruk van vermenging van persoonlijke belangen en waterschapsbelangen kon ontstaan.

20. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat het besluit van 22 maart 2005 in rechte stand zal kunnen houden. Het beroep daartegen dient ongegrond te worden verklaard.

21. Met betrekking tot het beroep van eiser tegen het besluit van 30 maart 2005 (tegen de specificatie van zijn salaris) merkt de rechtbank op dat eiser zijn beroep niet van nadere gronden heeft voorzien. Voorts is gebleken dat hem het tegoed aan verlof uren is uitbetaald. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van dat beroep. Het tegen voornoemd besluit gerichte beroep dient daarom niet ontvankelijk te worden verklaard.

22. Er is geen aanleiding tot het uitspreken van een kostenveroordeling.

III. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep van eiser tegen het besluit van 22 maart 2005 ongegrond;

verklaart het beroep van eiser tegen het besluit van 30 maart 2005 niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2006 door mr. G.J.A. van Unnik, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: