Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AV5122

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-03-2006
Datum publicatie
16-03-2006
Zaaknummer
12/700226-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft twee confrontaties gehad met het slachtoffer, waarbij hij het slachtoffer heeft gestoken met het mes dat hij altijd bij zich droeg. Na de eerste confrontatie vreesde verdachte voor represailles van de zijde van het slachtoffer, waardoor hij een tweede confrontatie aanging. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet hierop sprake van een kalm beraad en rustig overleg, hoewel kort, waardoor zij het primair tenlastegelegde, te weten moord, bewezen acht. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van (putatief) noodweer c.q. noodweerexces, nu zich geen noodweersituatie voordeed. Toen het slachtoffer de woorden ‘ik maak je af’ tegen verdachte sprak, stond hij op enige afstand van verdachte en liep daarna van verdachte weg. Er was derhalve geen sprake van een onmiddellijke en directe dreigende wederrechtelijke aanranding van het lichaam. Handelen uit angst voor een dreiging van een mogelijke toekomstige aanranding kan geen noodweer opleveren. Gelet op de zojuist geschetste omstandigheden is er geen sprake van omstandigheden waarin verdachte in redelijkheid had kunnen dwalen over het bestaan van een noodweersituatie.

De rechtbank is van oordeel dat evenmin sprake is geweest van psychische overmacht. In gemoede kan niet worden gezegd dat de door het slachtoffer geuite bedreiging ‘ik maak je af’ een zodanige druk op verdachte heeft gelegd dat zijn wilsvrijheid was aangetast. Voorts mocht van verdachte verwacht worden dat hij weerstand bood aan de druk van de omstandigheden, die naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig extreem waren dat zij tot geen andersoortig handelen van verdachte als bewezenverklaad onder 1 primair konden leiden.

De rechtbank gaat uit van de rapporten van de vaste gerechtelijke gedragsdeskundigen Van Panhuis en Ligthart – die concluderen dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar was – en niet van het rapport van de door de verdediging ingeschakelde gedragsdeskundige Bakker – die concludeert dat verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar was – , nu niet geheel duidelijk is welk onderliggend onderzoek Bakker heeft gepleegd en zijn rapport voornamelijk algemene leerstukken uit zijn vakgebied bevat, waarbij niet duidelijk is of en in hoeverre één en ander zich bij verdachte heeft voorgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 12/700226-05

Datum uitspraak: 16 maart 2006

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 5 september 2005

Datum voorlopige hechtenis: 8 september 2005

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West – Huis van Bewaring Torentijd te Middelburg.

ter terechtzitting verschenen.

Als raadslieden van de verdachte zijn ter terechtzitting verschenen mrs. J. Boksem en W. Anker, beide advocaat te Leeuwarden.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 maart 2006.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Overmeer en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren. Ten aanzien van de in beslaggenomen voorwerpen heeft zij gevorderd dat teruggave wordt gelast aan de verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen onder 4 tot en met 8 en dat de overige in beslaggenomen voorwerpen aan het verkeer zullen worden onttrokken. Aangaande de onder 1 en 2 op de beslaglijst genoemde voorwerpen deelt de officier van justitie mede dat verdachte van deze voorwerpen afstand heeft gedaan.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 22 augustus 2005 te Middelburg, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen althans eenmaal met een (dolk)mes, in elk geval met een steekwapen in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden; art 289 Wetboek van Strafrecht en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat hij op of omstreeks 22 augustus 2005 te Middelburg, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen althans eenmaal met een (dolk)mes, in elk geval met een steekwapen in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

2. hij op of omstreeks 05 september 2005 te Middelburg, een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten negen werpsterren en/of twee wurgstokken, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

art 55 lid 1 Wet wapens en munitie

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1. hij op 22 augustus 2005 te Middelburg, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een dolkmes, in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2. hij op of omstreeks 05 september 2005 te Middelburg, een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten negen werpsterren en twee wurgstokken, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Verweer betreffende de nietigheid van de dagvaarding

Namens verdachte is aangevoerd dat ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde, de tenlastelegging niet duidelijk maakt op welke confrontatie de steller van de tenlastelegging doelde, de eerste confrontatie na de bedreiging of de tweede confrontatie op de brug. Indien het onder 1 primair tenlastegelegde ziet op de tweede confrontatie blijkt dat onvoldoende duidelijk uit de tenlastelegging. De tenlastelegging is dan ambigu en de dagvaarding is om die reden nietig, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dat sprake is van een complex van feiten, te onderscheiden in twee confrontaties, die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer]. Dat de tenlastelegging voor wat betreft het onder 1 primair tenlastegelegde niet expliciet aangeeft op welke van de confrontaties het ziet, maakt niet dat tot nietigheid van de dagvaarding geconcludeerd moet worden, nu verdachte weet waartegen hij zich heeft te verdedigen, te weten het complex van feiten. Het is vervolgens aan de rechtbank over dit complex van feiten te oordelen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Bewijsvoering

Ter terechtzitting heeft verdachte naar voren gebracht dat hij tijdens zijn verklaringen bij de politie een bepaalde voorstelling van zaken heeft gegeven, om zo voor zichzelf te kunnen verklaren hoe hij tot het plegen van het feit heeft kunnen komen, maar dat hij zich eigenlijk niets meer van het voorval kan herinneren. Voor zover verdachte hiermee bedoeld heeft dat zijn verklaringen niet betrouwbaar zijn omdat hij eigenlijk geen herinnering heeft aan het voorval en bij de politie wat verzonnen heeft, overweegt de rechtbank dat zij dit niet volgt, nu verdachte ook heeft verklaard over voorvallen die zijn bevestigd door objectieve feiten, zoals bijvoorbeeld over de mobiele telefoon die hij in de hand van het slachtoffer zag. De rechtbank gaat op grond van het dossier, met name de verklaringen van verdachte bij de politie, uit van de volgende toedracht. In de nacht van 22 augustus 2005 is [slachtoffer] verdachte achterop gelopen toen die tijdens het uitlaten van zijn honden bij het grasveldje tussen de Seisdam en de Seisbinnenbrug liep. [slachtoffer] heeft toen tegen verdachte gezegd: “Sodemieter op (met die honden)”. Daarop liet verdachte [slachtoffer] passeren en zei tegen hem: “hou je smoel”. [slachtoffer], die hem inmiddels gepasseerd was, heeft zich toen omgedraaid richting verdachte en gezegd: “ik maak je af”, waarbij [slachtoffer] op ongeveer één meter afstand van verdachte stond en armbewegingen maakte. Hierop heeft verdachte het mes gepakt dat hij bij zich droeg in de binnenzak van zijn jas en heeft [slachtoffer] gestoken, die wegliep naar zijn auto. Toen verdachte hem had gestoken rende [slachtoffer] de Seisbinnenbrug op, waar hij ten val kwam. Verdachte is achter hem aangerend en heeft [slachtoffer] op de brug meermalen gestoken. Verdachte is vervolgens rustig weggelopen met zijn honden, terwijl [slachtoffer] op dat moment nog leefde. Thuisgekomen heeft hij het mes afgespoeld en verstopt en heeft hij zijn jas gewassen. Na het eerste getuigenverhoor heeft verdachte de schoenen die hij die nacht droeg weggegooid in een prullenbak op straat. Uit de verklaring van de patholoog blijkt dat het slachtoffer is overleden door het grote aantal messteken. De verwondingen zijn aangetroffen op hals, nek, borst en rug. Uit de verklaring van verdachte blijkt niet precies op welk moment deze steken zijn toegebracht; hij zegt zich niet te herinneren dat hij zovaak heeft gestoken. Nu er een verklaring van de getuige [getuige 1] is die heeft gezien dat de man met de twee honden bij het slachtoffer stond en zich oprichtte alsof hij juist daarvoor gebukt had gestaan en nu verdachte heeft gezegd dat hij daar was met de twee honden en dat hij het slachtoffer heeft gestoken, terwijl het mes na afloop in zijn woning is aangetroffen en er geen enkele aanwijzing is dat er nog iemand anders op dat moment in de buurt van het slachtoffer is geweest, acht de rechtbank bewezen dat verdachte alle vastgestelde messteken heeft toegebracht.

Vrijspraakverweren

Namens verdachte is voorts ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Er was geen sprake van opzet, omdat verdachte door een psychische storing, te weten een kortsluitingreactie, puur reflexmatig heeft gehandeld en op dat moment geen invloed had op zijn handelen. Daarbij drong het niet tot hem door waar hij mee bezig was en kon hij zich achteraf nog slechts flarden herinneren. Verdachte heeft derhalve niet willens en wetens gehandeld. Wanneer de opzet niet bewezen kan worden, dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt dat de raadsman aan dit betoog het rapport van psychiater dr. B. Bakker ten grondslag heeft gelegd, welk rapport voor wat betreft de aanwezigheid van een ‘kortsluitingreactie’ overeenstemt met de rapporten van psychiater dr. P.J.A. van Panhuis en psycholoog dr. drs. L.E.E. Ligthart. Evenals Bakker hebben Van Panhuis en Ligthart in hun rapporten geconcludeerd dat ten tijde van het delict sprake was van een kortsluitingreactie, maar zij spreken niet over een reflexmatig handelen als gevolg hiervan. Zij omschrijven de kortsluitingreactie als een doorbreken van gestuwde emoties, te weten angst, die wordt omgezet in agressie. Niet is gebleken dat verdachte door deze kortsluitingreactie geen invloed op zijn handelen had. De enkele stelling van verdachte dat hij achteraf niet meer precies weet wat hij heeft gedaan, leidt niet tot de conclusie dat hij niet wist wat hij deed. Ligthart geeft een verklaring voor de gestelde amnesie, te weten dat deze het gevolg kan zijn van een bij verdachte ontwikkelde posttraumatische stressstoornis na het delict. De rechtbank leidt het opzet van verdachte op de dood van het slachtoffer niet af uit verdachtes mededelingen daaromtrent, maar uit de handelingen zoals ze zijn gebleken, uit het resultaat ervan, te weten het aantal en de plaats van de toegebrachte steekwonden. Zoals gezegd is het slachtoffer zo’n 44 maal gestoken in hals-, nek-, borst- en rugstreek. Kortom, op plaatsen waarbij schade aan hart, longen en andere vitale delen van het lichaam te verwachten is.

De raadsman heeft voorts namens de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde aangevoerd dat geen sprake is geweest van ‘kalm beraad en rustig overleg’. Dit geldt volgens de raadsman in ieder geval voor wat betreft de eerste confrontatie. Voor wat betreft de tweede confrontatie heeft hij aangevoerd dat niet duidelijk is of het slachtoffer op dat moment nog leefde. Indien hij reeds was overleden, kan bij die confrontatie geen sprake zijn geweest van levensberoving en van daaraan voorafgaande ‘voorbedachte raad’. De verdachte dient volgens de raadsman dan ook te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De rechtbank heeft al vastgesteld dat het slachtoffer nog leefde toen hij op de Seisbinnenbrug lag. De rechtbank heeft dit gebaseerd op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] die hebben gezien dat [slachtoffer] nog bewoog. Op dat moment was hij dus nog in leven. Dat betekent dat zich hier niet de situatie voordoet dat het slachtoffer bij de eerste meste(e)k(en) al was overleden. De verdachte heeft verklaard dat hij, toen [slachtoffer] na de eerste confrontatie wegrende, de achtervolging heeft ingezet en een tweede confrontatie is aangegaan, omdat hij bang was voor represailles van de kant van [slachtoffer] als gevolg van de eerste confrontatie. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte op enig moment, te weten na de eerste confrontatie, een afweging heeft gemaakt en heeft besloten dat [slachtoffer] moest worden uitgeschakeld. Zij kan dit niet anders opvatten dan een ‘kalm beraad en rustig overleg’, ook al heeft dit moment van afwegen slechts kort geduurd, en verwerpt daarom de verweren.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Aangaande de strafbaarheid van het feit en van de verdachte heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een situatie van (putatieve) noodweer c.q. noodweer-exces. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte werd bedreigd door het latere slachtoffer en er mogelijk sprake was van een handgemeen. Verdachte kon niet gemakkelijk wegkomen, gelet op de locatie en de omstandigheid dat hij zijn honden bij zich had. Verdachte was bang van het slachtoffer vanwege zijn reputatie en vreesde dat het slachtoffer vrienden zou bellen om hem te helpen. Onder deze omstandigheden was er in de beleving van verdachte sprake van ogenblikkelijk dreigend gevaar en dus van een noodweersituatie. Bij de eerste confrontatie handelde verdachte derhalve uit noodweer, aldus de raadsman. Ten aanzien van de tweede confrontatie doet de raadsman een beroep op noodweerexces, voortkomend uit de hevige gemoedsbeweging als gevolg van de eerdere dreigende wederrechtelijke aanranding. De raadsman heeft tevens aangevoerd dat verdachte wellicht in de – later onjuist gebleken – veronderstelling verkeerde dat hij zich moest verdedigen tegen een onmiddellijk dreigend gevaar.

De rechtbank verwerpt deze verweren. Naar het oordeel van de rechtbank was geen sprake van een noodweersituatie. De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat er sprake geweest zou zijn van een handgemeen tussen verdachte en het slachtoffer. De omstandigheid dat [slachtoffer] bedreigende woorden heeft gesproken tegen verdachte, maakt niet dat er sprake is geweest van een dreiging met een zodanige onmiddellijke en directe wederrechtelijke aanranding dat verdachte niet anders kon dan zich daartegen te verdedigen. De rechtbank wijst daarbij met name op de omstandigheid dat [slachtoffer] zich op enige afstand van verdachte bevond en van verdachte wegliep, nadat hij de bedreiging had geuit. Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was van een noodweersituatie kan er geen sprake zijn van noodweer c.q. noodweer-exces. Handelen uit angst voor dreiging van een mogelijke toekomstige – niet ogenblikkelijke – aanranding kan geen noodweer opleveren. Voorts is de rechtbank gelet op de zojuist geschetste omstandigheden van oordeel dat geen sprake was van omstandigheden waarin verdachte in redelijkheid had kunnen dwalen over het bestaan van een noodweersituatie. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op (putatief) noodweer en noodweer-exces.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het primair tenlastegelegde aangevoerd dat sprake zou kunnen zijn van psychische overmacht. Er was volgens hem sprake van een wezenlijke en buitennormale psychische druk, te weten de concrete dreiging die van [slachtoffer] uitging, waardoor verdachte in een extreme angsttoestand kwam te verkeren, hetgeen tot een kortsluitingreactie leidde bij verdachte. Deze reactie kan worden beschouwd als een psychische dwang, waartegen weerstand bieden op dat moment redelijkerwijs niet kon worden gevergd. Van verdachte kon redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij weerstand zou bieden aan de drang om het slachtoffer met een mes te lijf te gaan.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht dient sprake te zijn van een zodanige druk dat in gemoede kan worden gezegd dat de wilsvrijheid van de dader is aangetast en dat van de dader in concreto redelijkerwijs niet te vergen valt dat hij weerstand biedt aan de druk van de omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in het onderhavige geval geen sprake. Immers, in gemoede kan niet worden gezegd dat de door [slachtoffer] geuite bedreiging “ik maak je af” een zodanige druk op verdachte heeft gelegd dat zijn wilsvrijheid was aangetast. De rechtbank baseert zich hierbij op de hierboven genoemde rapporten van Van Panhuis en Ligthart, waarin zij weliswaar spreken van een kortsluitingreactie, maar waaruit de rechtbank niet afleidt dat daardoor sprake is geweest van aantasting van de wilsvrijheid van verdachte. Voorts mocht van de verdachte verwacht worden dat hij weerstand bood aan de druk van de omstandigheden, welke omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig extreem waren dat zij tot geen andersoortig handelen van verdachte als bewezenverklaard onder 1 primair konden leiden.

Omtrent verdachtes geestvermogens ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde is gerapporteerd door drie gedragsdeskundigen van verschillende disciplines. De rapportage d.d. 25 januari 2006 van de vaste gerechtelijke deskundige dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater, bevat als conclusie onder meer - zakelijk weergegeven -:

Betrokkene heeft een gezonde psychologische ‘opmaak’. Bij het plegen van het ten laste gelegde lijkt er sprake te zijn geweest van een zogenaamde kortsluitingreactie. Een dergelijke reactie kan voorkomen bij psychisch gezonde mensen, wanneer zij in een situatie terechtkomen waarin gestuwde emotie ineens een rol gaat spelen. Het lijkt alsof betrokkene zich bedreigd heeft gevoeld en hierbij is het zeker aannemelijk dat de eerdere ervaring van in elkaar geschopt te worden de angst en de daaruit voortkomende reactie om letterlijk van zich af te steken, in gang heeft gezet. Mogelijk heeft ook de reputatie van het slachtoffer bij de situatie van het ‘in het nauw gebracht zijn’ een rol gespeeld bij het loskomen van de gestuwde emoties. Betrokkene is lijdende aan een posttraumatische stressstoornis (hierna PTSS) in remissie, als gevolg van een eerder incident waarbij hij in elkaar werd geschopt door twee allochtone mannen. Gezien het feit dat de posttraumatische stressstoornis goeddeels genezen was en betrokkenes persoonlijkheid geen defecten vertoont, is er geen sprake van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rapportage d.d. 12 januari 2006 van de vaste gerechtelijke deskundige dr. drs. L.E.E. Ligthart, psycholoog, bevat als conclusie onder meer - zakelijk weergegeven -:

Betrokkene heeft een gemiddeld tot bovengemiddeld IQ. Uit de scores in het persoonlijkheidsonderzoek komt het ‘3 – 6 profiel’ naar voren: uitdrukkelijk passief-agressieve trekken, waarbij de eigen agressieve en vijandelijke gevoelens sterk repressief benaderd worden. Personen met een dergelijk profiel kenmerken zich door een patroon van conventionaliteit en nadrukkelijke aangepastheid ten aanzien van maatschappelijk en interpersoonlijk gedrag. Betrokkene scoort bovengemiddeld op de schalen emotiegerichte coping en vermijdende strategieën. De vermijdende coping en de neiging bij oplopende spanning en stress via emoties te reageren, past in een passief-agressieve en ontwijkende of vermijdende persoonlijkheidsstructuur. Op zich genomen kan het tenlastegelegde in een dergelijke copingsstrategie passen.

De relatie tussen de persoonlijkheidsstructuur en het feit is hierin gelegen dat sprake was van deregulatie ten gevolge van reactivatie van belevingen en angsten die samenhangen met eerdere gewelddadige traumatische gebeurtenissen. Het is plausibel dat de voorheen beleefde ontreddering en angsten als een zwakke plek binnen het psychisch apparaat aanwezig blijven. De confrontatie met een potentieel gewelddadige situatie, te weten het weer opnieuw geconfronteerd worden met een potentieel gewelddadige allochtone man, maakt het aannemelijk dat angsten massief doorgebroken zijn en vervolgens in agressie zijn omgezet. Betrokkene merkt dan ook op dat hij eerst bang werd en vervolgens woedend. Dat deze reactie met een dergelijke destructieve intensiteit gebeurt, kan in de ogen van de rapporteur slechts toegeschreven worden aan eerdere – mogelijk opgestapelde – ingrijpende en bedreigende situaties. Ten tijde van het feit was er bij betrokkene sprake van een PTSS in remissie bij een neurotisch vermijdende en passief-agressieve persoonlijkheidsstructuur. Betrokkene lijdt noch aan een gebrekkige ontwikkeling, noch aan een ziekelijke stoornis der geestvermogens, zodat hij volledig toerekeningsvatbaar is.

Voor wat betreft amnesie meldt de rapporteur dat dit er ten diepste toe dient om te waarborgen dat de integriteit en structuur van de persoonlijkheid niet verloren gaan bij ingrijpende of pijnlijke gebeurtenissen. Reactief op het tenlastegelegde en op de detentie heeft betrokkene weer kenmerken van een PTSS laten zien. Amnesie ‘hoort’ als het ware bij PTSS. Het is belangrijk om vast te stellen dat betrokkene met partiële amnesie reageert. Bij het doorbreken van de boosheid heeft massieve stuwing van emoties plaatsgevonden. In deze situatie kan gemakkelijk partiële amnesie uit zelfbescherming optreden.

De rapportage d.d. 28 februari 2006 van dr. drs. A. Bakker, psychiater, bevat als conclusie onder meer - zakelijk weergegeven -:

Er is geen verschil van mening tussen rapporteur en Ligthart en Van Panhuis dat er al voor het tenlastegelegde feit bij betrokkene sprake was van psychische klachten die passen bij een PTSS. Naar de mening van rapporteur is van genezing van deze PTSS geen sprake geweest, zoals dat blijkt uit het feit dat hij altijd angstig is gebleven in situaties als die waarin het delict is gepleegd en altijd een mes is blijven dragen. Ook deelt hij de mening van de andere rapporteurs dat er thans sprake is van een PTSS, maar ziet daarin ook een argument dat eerdere psychische klachten nooit volledig verdwenen zijn, en dat er geen sprake is van een psychiatrische stoornis bij betrokkene.

De rapporteur is van mening dat er bij betrokkene bepaalde trekken in zijn karakter aanwijsbaar zijn die in de aanloop naar het delict een relevante rol hebben gespeeld. Betrokkene heeft zich niet geheel losgemaakt van zijn ouders, en heeft een opvoeding gehad waarin aan het uiten van gevoelens en emoties relatief weinig aandacht besteed is, hetgeen een risicofactor vormt voor het ontstaan van een gestoorde agressieregulatie.

Het is thans algemeen geaccepteerd dat ten gevolge van traumatische ervaringen het stresssysteem van het menselijk lichaam ernstig en blijvend ontregeld kan raken. Uit fundamenteel neurobiologisch onderzoek is steeds duidelijker geworden dat controle over menselijk gedrag wordt gereguleerd door de hersenschors. Impulsen uit dieper in de hersenen gelegen structuren worden in het algemeen door de hersenschors gefilterd of anderszins bewerkt, alvorens er wordt overgegaan tot actie of juist wordt besloten geen actie te ondernemen. Met andere woorden: een goed functionerend bewustzijn en geweten bestaan bij de gratie van goede communicatie tussen de dieper gelegen hersenstructuren en de hersenschors. Wetenschapper LeDoux heeft aannemelijk weten te maken dat er soms een soort kortsluiting kan optreden waarbij afwijkend gedrag niet onder bewuste controle geschiedt, maar reflexmatig. Er wordt dan gedrag in gang gezet dat zich onttrekt aan de bewuste controle van de hersenschors. Bij betrokkene is zeer waarschijnlijk sprake geweest van reflexmatig gedrag, waarover hij geen controle kon uitoefenen. Betrokkene was daarom sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Omdat de conclusies van gedragsdeskundigen Van Panhuis en Ligthart aan de ene kant en die van Bakker aan de andere kant voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid recht tegenover elkaar staan, zal de rechtbank aangeven welke conclusie zij volgt. Zij overweegt dat de rapporten van Van Panhuis en Ligthart tot stand zijn gekomen aan de hand van diverse gesprekken met verdachte en aan de hand van door verdachte uitgevoerde uitgebreide tests. Het is niet geheel duidelijk welk onderliggend onderzoek Bakker heeft gepleegd, behalve dat hij verdachte éénmaal kort heeft gesproken. Voorts bevat zijn rapport voornamelijk algemene leerstukken uit zijn vakgebied, waarbij niet duidelijk is of en in hoeverre één en ander zich bij verdachte heeft voorgedaan. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat zij zich voor de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid baseert op de rapporten van Van Panhuis en Ligthart. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij ter terechtzitting in het gedrag van verdachte een bevestiging heeft gezien van het beeld dat Ligthart in zijn rapport geeft van verdachte. Verdachte toonde afweer om over de feiten en over de gevolgen daarvan voor het slachtoffer te spreken. Zijn gedrag toonde overeenkomst met het gedrag direct na het feit: rustig de honden uitlaten, de sporen wegmaken en ‘gewoon gelukkig doorleven’. De rechtbank neemt op grond van de adviezen van Van Panhuis en Ligthart aan dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde volledig toerekeningsvatbaar was en dat het feit hem derhalve geheel kan worden toegerekend.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. Moord

2. Overtreding van artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Nu het feit geheel aan verdachte kan worden toegerekend en overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 22 augustus 2005 [slachtoffer] na een korte woordenwisseling op brute wijze van het leven beroofd. Hij heeft [slachtoffer] 44 messteken toegebracht, waarna het slachtoffer door interne verbloeding is overleden. De rechtbank neemt het de verdachte allereerst zeer kwalijk dat hij een mes bij zich droeg. Het gevaar bestaat dat iemand die een dergelijk wapen draagt, dit ook daadwerkelijk gaat gebruiken, zoals ook in het onderhavige geval is gebleken, met fatale afloop. De rechtbank rekent het de verdachte daarnaast zwaar aan dat hij na het delict sporen heeft weggemaakt. Zo heeft hij direct toen hij die nacht thuiskwam het mes afgespoeld en verstopt, en de volgende dag zijn jas gewassen, kennelijk om eventuele bloedsporen te wissen. Voorts heeft hij, toen hij na zijn getuigenverhoor ervan op de hoogte was dat er schoensporen waren aangetroffen op de plaats van het delict, de schoenen die hij in de nacht van 22 augustus 2005 droeg weggegooid in een openbare vuilnisbak. Verdachte kende het slachtoffer slechts uit zijn straat; het slachtoffer werkte als bezorger in de shoarmazaak tegenover het café van verdachte. Hoewel er in de straat irritaties bestonden bij de café-eigenaren over het rijgedrag van sommige bezorgers van de shoarmazaken, waaronder het slachtoffer, heeft verdachte vóór 22 augustus 2005 nooit persoonlijk een aanvaring met het slachtoffer gehad. Na het feit heeft verdachte zich niets aan het slachtoffer of diens nabestaanden gelegen laten liggen. In eerste instantie zag hij het slachtoffer als de oorzaak van de verstoring van zijn gelukkig leven en ook later heeft verdachte geen compassie richting de nabestaanden getoond, ook niet ter terechtzitting.

Verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd en daarmee het leven ontnomen van een nog jonge man van 21 jaar. Dit feit heeft de familie van het slachtoffer onbeschrijflijk veel leed toegebracht, zoals de rechtbank ook ter terechtzitting heeft begrepen uit de door de zus van het slachtoffer afgelegde slachtofferverklaring. Voor wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde overweegt de rechtbank dat het onbevoegd voorhanden hebben van wapens, zoals bewezen verklaard, maatschappelijk onaanvaardbaar is vanwege de bedreiging die daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat. Dat het bezit van wapens tot gevaarlijke situaties kan leiden, blijkt eens te meer uit het onder 1 primair bewezenverklaarde.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 9 september 2005;

- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport d.d. 7 september 2005 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg;

- de over de verdachte uitgebrachte milieurapportage d.d. 7 februari 2006 van Novadic & Kentron te Breda;

- het rapport d.d. 25 januari 2006, opgesteld door dr. P.J.A. van Panhuis, psychiater;

- het rapport d.d. 12 januari 2006, opgesteld door dr. drs. L.E.E. Ligthart, psycholoog;

- het rapport d.d. 28 februari 2006, opgesteld door dr. drs. B. Bakker, psychiater.

Uit het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister blijkt dat verdachte nooit eerder met justitie in aanraking is geweest; hij heeft een blanco strafblad. De rechtbank zal hiermee in de strafmaat in het voordeel van verdachte rekening houden.

Uit de milieurapportage d.d. 7 september 2005 komt naar voren dat verdachte een gelukkige jeugd zonder noemenswaardige problemen heeft gekend. Voorts was hij tevreden met zijn werk en gelukkig in zijn relatie. In dit rapport wordt het incident aangehaald waarbij verdachte enkele jaren geleden door twee allochtone mannen in elkaar werd geslagen, nadat hij hen had aangesproken op hun gedrag toen zij bezig waren met het vernielen van een fiets. Ook wordt gesproken over de gespannen situatie op [adres] – de straat waar verdachte woonde en zijn café had – tussen de allochtone en autochtone ondernemers en bezoekers aldaar. In detentie is verdachte een ontredderde en emotionele man, blijkt uit het hierboven genoemde vroeghulprapport. Hij lijkt het gebeurde los te koppelen van zijn persoon. Er zijn op dat moment zorgen over de psychische toestand van verdachte. Zoals al is overwogen is bij verdachte volgens de gedragsdeskundigen Van Panhuis en Ligthart geen sprake van een geestelijke stoornis en is verdachte volledig toerekeningsvatbaar. De kans op herhaling wordt door de gedragsdeskundigen laag ingeschat en zij zien daarom geen indicatie om verdachte te laten behandelen met het oog op het voorkomen van recidive. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte een behandeling op te leggen in de vorm van een maatregel of een bijzondere voorwaarde, nog afgezien van het feit dat de straf die de rechtbank passend acht hiervoor geen ruimte laat.

De rechtbank overweegt dat een brute en onbeheerste moord als deze op zichzelf een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, zoals door de officier van justitie gevorderd, rechtvaardigt, maar de rechtbank wil meer dan de officier van justitie zegt te hebben gedaan rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank wijst dan op de persoonlijkheid van de verdachte, met name zijn vermijdende copingstyle, zijn blanco strafblad en de omstandigheid dat verdachte zelf ook heel veel heeft verloren door het plegen van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Met betrekking tot de in beslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1.00 stuk jas, donker ribjasje;

- 1.00 stuk jas, soort van regenjas met teddyvoering,

- 1.00 stuk broek, spijkerbroek,

- 1.00 stuk fietstas, kl.: zwart,

- 1.00 stuk fietstas, kl.: gekleurd,

acht de rechtbank verdachte degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal de teruggave van deze voorwerpen aan verdachte gelasten.

De in beslaggenomen en niet teruggeven voorwerpen, te weten:

- 1.00 stuk mes

- 1.00 stuk mes,

- 1.00 stuk pistool, neppistool,

zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 primair begane feit zijn aangetroffen en deze voorwerp kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Voornoemde voorwerpen zullen daarom onttrokken worden aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36c, 36d en 289 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten 2 jassen, een spijkerbroek en twee fietstassen aan verdachte.

Zij verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 2 messen en een neppistool.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P. Meeuwisse, voorzitter, mrs. J.P.M. Hopmans en F.C.J.E. van Hemert-Meeuwis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hengst als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2006.