Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2006:AV3934

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
07-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
05/251
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onttrekking van een voetpad aan het openbaar verkeer. Overlast. Effectiviteit van de handhaving.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:23
Algemene wet bestuursrecht 6:24
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/104 met annotatie van D. Wenders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

____________________________________________________

UITSPRAAK

____________________________________________________

Reg.nr.: Awb 05/251

Inzake: de raad van de gemeente Middelburg, eiser,

gemachtigde: mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg,

tegen: de besliscommissie beroepschriften van de provincie Zeeland, verweerder,

gemachtigde: mr. A. van Langen, advocaat te Rotterdam.

I. Procesverloop.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een op administratieve beroepen genomen besluit van 21 februari 2005 van verweerder (hierna: het bestreden besluit).

Het beroep is op 15 december 2005 ter zitting behandeld. Voor eiser en verweerder zijn hun gemachtigden verschenen. Als derde-belanghebbenden zijn verschenen [derde belanghebbende a], bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.J. Smaling, [derde belanghebbenden b] en [derde belanghebbende c] (hierna: de derde-belanghebbenden).

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is het vooronderzoek heropend. In dat kader heeft de rechtbank op 20 januari 2006 een onderzoek ter plaatse gehouden waarna het onderzoek met toestemming van partijen is gesloten.

II. Overwegingen.

1. De derde-belanghebbenden hebben van de gemeente Middelburg onder de ontbindende voorwaarde van onttrekking aan de openbaarheid, een perceel grond met kadastrale gegevens: gemeente Middelburg, [kadastrale gegevens], gelegen in Nieuw- en Sint Joosland, gekocht. Het perceel ligt tussen de [locatie] en heeft het karakter van een park met een bestrate zitkuil met toeleidend en rondlopend voetpad. Het staat plaatselijk bekend als De Leefkuil. De derde-belanghebbenden zijn in de directe omgeving van De Leefkuil woonachtig.

2. Bij brief van 6 maart 2004 hebben de derde-belanghebbenden eiser verzocht om genoemd perceel aan de openbaarheid te onttrekken. De brief vermeldt onder meer dat tot aankoop is besloten vanwege overlast van het gebruik van het perceel door hangjongeren en tevens is aangegeven dat het de bedoeling is het perceel door middel van hekken af te sluiten. Op die manier wordt volgens de derde-belanghebbenden voorkomen dat de jongeren zich nog op het perceel kunnen ophouden en dat zij overlast kunnen veroorzaken.

3. Bij besluit van 21 juni 2004 heeft eiser het verzoek tot onttrekking afgewezen. De administratieve beroepen van de derde-belanghebbenden tegen dit besluit zijn bij het bestreden besluit gegrond verklaard, onder vernietiging van het besluit van 21 juni 2004 en met onttrekking van De Leefkuil, voor zover deze is aan te merken als een weg in de zin van de Wegenwet, aan het openbaar verkeer.

4. In geschil is of verweerder in redelijkheid tot de onttrekking aan het openbaar verkeer heeft kunnen komen.

5. Eiser heeft gesteld dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, onder meer doordat de door verweerder gemaakte afweging op onjuiste uitgangspunten berust. In dat kader is aangevoerd dat niet als belang is onderkend dat een aanzienlijk deel van de bewoners van Nieuw- en Sint Joosland prijs stelt op handhaving van het openbare karakter van De Leefkuil. Verweerder heeft ten onrechte uitsluitend het verkeersbelang in de beoordeling betrokken. Ook is aangevoerd dat er voor het voetpad geen volwaardig alternatief is. Voorts is nagelaten om belang te hechten aan de mate van effectiviteit van de handhaving ten aanzien van de gestelde overlast. Er is overlast geweest maar deze is afgenomen en een onttrekking is niet de juiste oplossing voor overlast. In dit kader is aangevoerd dat vrees voor toekomstige overlast niet als een zwaarwegende reden voor onttrekking kan worden aangemerkt. Ook is gesteld dat verweerder, gelet op artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te weinig terughoudendheid heeft betracht door, in afwijking van het besluit van eiser, zelf tot onttrekking te besluiten. Eiser heeft ook gesteld dat de motivering van het bestreden besluit tekortschiet doordat is overwogen dat het bestaan van overlast door de gemeenteraad niet wordt ontkend terwijl ook als mening van eiser is weergegeven dat de overlast tot aanvaardbare proporties is teruggedrongen.

6. Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat het voetpad geen belangrijke functie heeft voor voetgangers. Er is daarbij sprake van een alternatieve route die neerkomt op een omweg van slechts 26 meter. Dit alternatief is uit oogpunt van verkeersveiligheid niet onaanvaardbaar. Het voetpad heeft binnen de huidige wegenstructuur geen noodzakelijke functie voor het openbaar verkeer. Daar staat tegenover dat de omwonenden van De Leefkuil belang hebben bij een rustige woonomgeving. Er was sprake van ernstige overlast en deze is niet opgeheven. Het staat niet vast dat de overlast minder blijft. Volgens verweerder is niet gebleken dat het behoud van De Leefkuil dermate belangrijk is dat dit zwaarder weegt dan het belang van de derde-belanghebbenden. Met het bestreden besluit is geen inbreuk gemaakt op het verkeersbeleid van eiser aangezien niet blijkt dat eiser het verkeersbeleid bij zijn besluit van 21 juni 2004 heeft betrokken. Evenmin is sprake van inbreuk op het openbare orde-beleid nu de burgemeester heeft aangegeven dat in dat kader de grens van de mogelijkheden is bereikt. Verweerder is van oordeel dat hij in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

7. De rechtbank overweegt het volgende.

8. Artikel 1 van de Wegenwet luidt:

1. Deze wet is uitsluitend van toepassing op openbare wegen.

2. Onder wegen worden in deze wet mede verstaan:

I. voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik;

II. bruggen.

Artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet luidt, voor zover van belang:

Een weg kan aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen.

9. Gelet op artikel 1 van de Wegenwet heeft het bestreden besluit uitsluitend betrekking op het voetpad in De Leefkuil (hierna: het voetpad). De openbaarheid daarvan is geen onderwerp van geschil.

10. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is met openbare toegankelijkheid van wegen in beginsel het algemeen belang gediend. Dit is slechts anders indien een openbare weg feitelijk geen functie heeft voor het openbaar verkeer. Daar is bij het voetpad geen sprake van aangezien het voetpad wordt gebruikt door bewoners van Nieuw- en Sint Joosland. Hoewel er aldus een algemeen belang is dat zich tegen onttrekking aan de openbaarheid verzet, komt aan dit belang naar het oordeel van de rechtbank weinig gewicht toe nu in de onmiddellijke omgeving van het voetpad een alternatieve route aanwezig is in de vorm van een parallel aan De Leefkuil lopend voetpad. Dit alternatief is naar het oordeel van de rechtbank uit oogpunt van verkeersbelang niet onaanvaardbaar.

11. Vervolgens is ter beoordeling of er, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, sprake is van een zwaarwegend particulier belang van de derde-belanghebbenden. Volgens vaste rechtspraak kunnen particuliere belangen een gewichtige reden zijn voor onttrekking. De rechtbank gaat in dat kader van het volgende uit.

12. Uit het raadsvoorstel van 18 mei 2004 van B&W blijkt onder meer dat tot verkoop aan de derde-belanghebbenden is besloten omdat De Leefkuil een samenscholingsplek is geworden waardoor er voor de direct omwonenden onaanvaardbare overlast is ontstaan en hun woon- en leefklimaat in ernstige mate wordt aangetast. Volgens B&W kunnen de belangen van de derde-belanghebbenden, gelet op de aard van de overlast en gerelateerd aan het veranderde gebruik van De Leefkuil, als gewichtige redenen worden aangemerkt om tot onttrekking over te gaan.

13. In het besluit van 21 juni 2004 heeft eiser met betrekking tot genoemde overlast onder meer overwogen dat door maatregelen in het kader van de openbare orde, de overlast van jongeren die zich in De Leefkuil bevonden, tot aanvaardbare proporties is teruggedrongen. Volgens eiser is de oplossing eerder gelegen in het bieden van alternatieven aan de jongeren in samenhang met repressief optreden door de politie dan in het onttrekken van De Leefkuil aan de openbaarheid.

14. De rechtbank stelt vast dat de derde-belanghebbenden in administratief beroep, onder meer tijdens de hoorzitting van 25 januari 2005, hebben bevestigd dat de maatregelen die tegen de overlast genomen zijn, effect hebben en dat de overlast is verminderd. Voorts vermeldt een proces-verbaal van aangifte van 18 september 2005 van een van de derde-belanghebbenden dat het het afgelopen jaar, na jaren van voortslepende overlast, relatief rustig is geweest. Ook tijdens de zitting is door de derde-belanghebbenden bevestigd dat de overlast is verminderd, zij het dat er in het weekend sprake is van geluidsoverlast. Uit het dossier lijkt af te leiden dat dit samenhangt met het feit dat in het weekend zo rond 3 uur ’s nachts in de omgeving van De Leefkuil jongeren door een taxibusje worden afgezet.

15. De rechtbank stelt verder vast dat aan feitelijke gegevens over de overlast in het dossier een proces-verbaal van aangifte van 10 augustus 2004 van [naam aangever] is opgenomen. Het betreft een aangifte van een diefstal met braak uit een in de Van Akenstraat in Nieuw- en Sint Joosland geparkeerde auto. Voor het overige komen in het dossier geen politiemutaties of processen-verbaal voor die voorafgaand aan 21 februari 2005, zijnde de datum van het bestreden besluit, zijn opgemaakt. Het dossier bevat van na die datum twee processen-verbaal van aangifte van 18 september 2005 en een proces-verbaal van aangifte van 26 november 2005. De rechtbank heeft met betrekking tot genoemde processen-verbaal niet kunnen vaststellen dat sprake is van een direct verband met de gestelde overlast.

16. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is in een zaak als deze ook de mate van effectiviteit van de handhaving van belang. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in onderhavige zaak te meer reden om de effectiviteit van de handhaving bij de beoordeling te betrekken nu op grond van het dossier en het ter zitting verhandelde kan worden geconcludeerd dat de mate van effectiviteit aanzienlijk is geweest. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat genoemd belang is meegewogen. Dit is aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te vernietigen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier, gelet op het voorgaande, met betrekking tot de overlast onvoldoende feitelijke gegevens voor de conclusie van verweerder in het bestreden besluit dat sprake is van een zwaarwegend particulier belang van de derde-belanghebbenden. Er bestaat onvoldoende inzicht in de aard en omvang van de gestelde overlast ten tijde van het bestreden besluit en de samenhang daarvan met het voetpad. Het feit dat in het bestreden besluit als standpunt van de derde-belanghebbenden is weergegeven dat door het besluit van 21 juni 2004 van eiser een blijvende dreiging van overlast blijft bestaan, maakt dit niet anders nu niet is in te zien dat een dreiging van overlast op zichzelf beschouwd als een zwaarwegend particulier belang met betrekking tot een onttrekking aan de openbaarheid in de zin van de Wegenwet is aan te merken. In voornoemde zin berust het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet op een deugdelijke motivering in de zin van artikel 7:12 van de Awb. Ook in dat opzicht is het beroep gegrond.

18. De conclusie van het voorgaande is dat het bestreden besluit in rechte geen stand houdt. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb worden vernietigd.

19. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 805,--, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en 2,5 proceshandeling (1 voor het beroepschrift, 1 voor de zitting en 0,5 voor het onderzoek ter plaatse).

III. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de administratieve beroepen te nemen met in achtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat de Provincie Zeeland aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,-- (tweehonderdenzevenenzestig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 805,-- (achthonderdenvijf euro), te betalen door de Provincie Zeeland aan eiser.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2006 door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: