Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2005:AZ5296

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
43191 HA ZA 04-265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

dwangbevel

''(...)

Sjawi en Van Sleuwen komen tegen het dwangbevel in verzet. Zij vorderen primair voor recht te verklaren dat de betekeningsexploten d.d. 5 november 2003 nietig zijn en dat dientengevolge het dwangbevel jegens hen geen werking in rechte heeft en derhalve de gemeente geen executoriale titel biedt. Subsidiair vorderen zij voor recht te verklaren dat zij zich terecht verzetten tegen het dwangbevel van 31 oktober 2003 en de tenuitvoerlegging daarvan. Verder vorderen zij de tenuitvoerlegging van het dwangbevel buiten effect te stellen en de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding.

Sjawi en Van Sleuwen zijn van mening dat het dwangbevel op verzoek van de gemeente had moeten worden betekend. Nu dit op verzoek van het college van B & W is gebeurd en bovendien niet is vermeld dat verzet bij de gemeente kan worden aangetekend, is het exploot nietig en mist het dwangbevel dus executoriale werking.

(...)''

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 45
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 29 juni 2005 in de zaak van:

rolnr: 265/04

1. de besloten vennootschap Holding Maagdenbergweg van Sleuwen B.V.,

statutair gevestigd en zaakdoende te Zijtaart, gemeente Veghel,

2. de besloten vennootschap Holding Maagdenbergweg Sjawi B.V.,

statutair gevestigd en zaakdoende te Zijtaart, gemeente Veghel,

opposanten,

procureur: mr. J.B. de Meester,

advocaat: mr. A.A.M. van Beek,

tegen:

de openbare rechtspersoon Gemeente Sluis,

zetelende te Oostburg,

geopposeerde,

procureur: mr. C.J. IJdema.

1. Het verdere verloop van de procedure

De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 21 juli 2004. Ter uitvoering van dat vonnis is op 26 oktober 2004 een comparitie van partijen gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Vervolgens zijn nog de volgende processtukken gewisseld:

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Op 11 december 1997 heeft het college van B & W van de toenmalige gemeente Oostburg, na gemeentelijke herindeling opgevolgd door de gemeente Sluis, hierna de gemeente, een aanschrijving bestuursdwang gezonden aan opposanten, verder Sjawi en Van Sleuwen te noemen, inhoudende de verplichting voor Sjawi en Van Sleuwen binnen zes weken na dagtekening van deze brief de door hen geplaatste mestzak op het perceel Maagdenbergweg 13 te Oostburg te verwijderen. Tevens werd aangezegd dat indien Sjawi en Van Sleuwen hieraan niet binnen de gestelde termijn gevolg geven, de mestzak van gemeentewege met toepassing van bestuursdwang op hun kosten zal worden verwijderd.

2.2 Het door Sjawi en Van Sleuwen ingediende bezwaar bij de gemeente en het beroep bij de rechtbank respectievelijk de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn telkens ongegrond verklaard, zodat de aanschrijving bestuursdwang d.d. 11 december 1997 formele rechtskracht heeft gekregen.

2.3 In april 2003 is het college van B & W overgegaan tot toepassing van bestuursdwang. Tot betaling van de kosten hiervan heeft het op 31 oktober 2003 een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel is op verzoek van het college van B & W op 5 november 2003 aan Sjawi en Van Sleuwen betekend bij deurwaardersexploot.

2.4 De gemeente vordert volgens het dwangbevel betaling van € 76.914,13 inclusief BTW, vermeerderd met de kosten van invordering, de kosten van betekening alsmede de verdere executiekosten en de wettelijke rente. Volgens de aan het dwangbevel aangehechte specificatie zijn de kosten als volgt opgebouwd:

a. Adriaanse en Van der Weel advocaten € 463,51

b. Inzet gemeentepersoneel € 8.202,67

c. Verstraeten Verbrugge € 5.488,70

d. Milieuonderzoekslab. “Zeeuws-Vlaanderen” € 253,04

e. Sjaak Moens B.V. € 601,95

f. Kees Mechielsen B.V. € 593,96

g. Kees Mechielsen B.V. € 152,22

h. Eyke Hogendoorn B.V. € 5.810,77

i. Advisering Mulders € 5.155,08

j. Agri Service Nabuurs € 43.897,58

k. Kegels Sloopbedrijf € 5.491,85

l. Huur containers € 856,80.

3. Het geschil

3.1 Sjawi en Van Sleuwen komen tegen het dwangbevel in verzet. Zij vorderen primair voor recht te verklaren dat de betekeningsexploten d.d. 5 november 2003 nietig zijn en dat dientengevolge het dwangbevel jegens hen geen werking in rechte heeft en derhalve de gemeente geen executoriale titel biedt. Subsidiair vorderen zij voor recht te verklaren dat zij zich terecht verzetten tegen het dwangbevel van 31 oktober 2003 en de tenuitvoerlegging daarvan. Verder vorderen zij de tenuitvoerlegging van het dwangbevel buiten effect te stellen en de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding.

Sjawi en Van Sleuwen zijn van mening dat het dwangbevel op verzoek van de gemeente had moeten worden betekend. Nu dit op verzoek van het college van B & W is gebeurd en bovendien niet is vermeld dat verzet bij de gemeente kan worden aangetekend, is het exploot nietig en mist het dwangbevel dus executoriale werking. Het college van B & W is natuurlijke persoon, noch rechtspersoon en kan derhalve geen verzoek tot het uitbrengen van een exploot doen. Verder is in het exploot niet de juiste zetel van de gemeente vermeld. De gemeente zetelt in Oostburg, niet in Sluis.

Verder menen Sjawi en Van Sleuwen dat ten aanzien van de kosten die de gemeente wegens het toepassen van de bestuursdwang stelt te hebben gemaakt, geldt dat deze slechts door hen verschuldigd zijn voor zover de redelijkheid daaraan niet in de weg staat. Zij betwisten de kosten verschuldigd te zijn op gronden die de rechtbank bij de beoordeling voor zover nodig zal aanhalen.

3.2 De gemeente acht het verzet ongegrond. Op grond van art. 125 Gemeentewet is het college van B & W bevoegd bestuursdwang toe te passen. Ex art. 5:26 Awb is het bestuursorgaan dat dwang heeft toegepast, bevoegd de kosten in te vorderen. In het derde lid van dat artikel is geregeld dat verzet mogelijk is bij de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. Overigens is het ook logisch dat protest tegen een handeling van een bestuursorgaan tegen de rechtspersoon waartoe het orgaan behoort, moet worden gericht. Dat dat in dit geval de gemeente Sluis is en waar deze is gevestigd, is genoegzaam bij Sjawi en Van Sleuwen bekend uit eerdere contacten over en weer. Bovendien staat bovenaan het exploot vermeld: “Betalingen en correspondentie uitsluitend richten aan: Gemeente Sluis, postbus 27, 4500 AA Oostburg.” Ten slotte zou een gebrek in het exploot slechts tot nietigheid leiden als Sjawi en Van Sleuwen daardoor onredelijk zijn benadeeld. Dat is hier niet het geval en Sjawi en Van Sleuwen onderbouwen dit ook niet.

De gemeente blijft bij haar standpunt dat de kosten die worden ingevorderd, gemaakt zijn bij de toegepaste bestuursdwang en dat deze niet onredelijk hoog zijn (bij de beoordeling zal de rechtbank de onderbouwing voor zover nodig aanhalen).

4. De beoordeling van het geschil

4.1 Op grond van artikel 45 lid 2 aanhef en sub b Rv moet de naam en de woonplaats, dan wel vestigingsplaats of zetel, van degene op wiens verzoek de betekening van het exploot geschiedt op het exploot worden vermeld, teneinde omtrent de identiteit van deze persoon geen twijfel te laten bestaan. De persoon kan een natuurlijke of een rechtspersoon zijn. Vermelding van het college van B & W, dat geen rechtspersoon is en vermelding van de verkeerde zetel zijn gebreken aan het exploot, die ingevolge art. 65 Rv tot nietigheid daarvan kunnen leiden. Dat het college van B & W als dagelijks bestuur van de gemeente optreedt, leidt niet tot een ander oordeel. In zoverre kunnen Sjawi en Van Sleuwen in hun betoog worden gevolgd.

De vraag echter of deze gebreken daadwerkelijk tot nietigheid moeten leiden beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daarvoor moet aannemelijk zijn dat Sjawi en Van Sleuwen door deze gebreken onredelijk zijn benadeeld. De benadeling zou erin gelegen moeten zijn dat bij Sjawi en Van Sleuwen door de verkeerde vermelding gerede twijfel was ontstaan omtrent de identiteit van degene op wiens verzoek het dwangbevel werd betekend. Gesteld noch gebleken is dat er bij Sjawi en Van Sleuwen twijfel is gerezen, laat staan dat deze twijfel gerechtvaardigd zou zijn. Gegeven de contacten die er zijn geweest tussen Sjawi en Van Sleuwen en de gemeente in de jaren voorafgaand aan de uitvaardiging van het dwangbevel en de betekening daarvan bij het aangevallen exploot, moet het hen zonder meer duidelijk zijn geweest van wie het exploot uitging. Daarbij komt dan nog dat in de kop van het exploot wel de juiste gegevens vermeld staan. De rechtbank acht de nietigheid voor de gestelde gebreken derhalve voldoende gedekt. De primaire vordering moet worden afgewezen.

4.2 Tussen partijen staat vast dat de gemeente gerechtigd was tot het toepassen van bestuursdwang. Het besluit d.d. 11 december 1997 tot aanzegging van bestuursdwang is onherroepelijk geworden en heeft derhalve formele rechtskracht gekregen. Uitgaande van de gerechtvaardigde toepassing van bestuursdwang dient de rechtbank ten aanzien van het verhaal van de kosten daarvan op Sjawi en Van Sleuwen te toetsen of deze kosten redelijkerwijs passen binnen de reikwijdte van de aanzegging en niet onredelijk hoog zijn.

4.3 Sjawi en Van Sleuwen zijn van mening dat verwijdering van de mest uit de te verwijderen mestzak niet onder de aanzegging bestuursdwang valt en dat zij alle daarmee samenhangende kosten niet verschuldigd zijn. De gemeente stelt dat voor verwijdering van de mestzak verwijdering van de mest noodzakelijk was en het daarom voor zich spreekt dat verwijdering van de mest onder de aanzegging valt, ook al staat in het door partijen zogenoemde dictum van de aanzegging verwijdering van de mest niet met zoveel woorden vermeld.

De rechtbank volgt de gemeente hierin.

Op grond van de overgelegde producties met betrekking tot de verwijdering van de mestzak (de rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar prod. 4 “draaiboek 2003.05.01” en prod. 5 “dagverslag verwijdering op 12, 13 en 14 mei 2003” bij de conclusie van antwoord) is zonder meer duidelijk dat de mestzak niet te verwijderen is als deze gevuld is. Dit stuit niet alleen op onoverkomelijke technische problemen, de mestzak kan ter verwijdering niet worden opgevouwen en afgevoerd, maar ook op grote problemen voor het milieu, omdat de mest uit de mestzak zou stromen en de directe omgeving sterk zou vervuilen. Nu het voor het bereiken van het beoogde doel van de aanzegging - verwijdering van de mestzak - noodzakelijk is de inhoud ervan te verwijderen, vallen ook de kosten van verwijdering van de mest redelijkerwijs onder de reikwijdte van de aanzegging.

4.4 Na overlegging van de facturen en betalingsbewijzen door de gemeente bij conclusie van antwoord zijn Sjawi en Van Sleuwen niet teruggekomen op hun aanvankelijk gevoerde verweer dat niet vaststaat dat de gevorderde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Dit staat thans derhalve tussen partijen vast.

4.5 De gemeente heeft bij de uitvoering van de benodigde werkzaamheden derden ingeschakeld, zijnde bedrijven en adviseurs die de noodzakelijke deskundigheid en ervaring hebben.

Sjawi en Van Sleuwen hebben daartegen aangevoerd dat van de gemeente mag worden verwacht dat zij zelf over de noodzakelijke deskundigheid beschikt (ten aanzien van de advisering op technisch en juridisch gebied) en dat, nu er toch voor de inschakeling van een extern adviesbureau is gekozen, de aanwezigheid van gemeenteambtenaren op het uit te voeren werk overbodig is.

De gemeente stelt bij de uitvoering van het werk steeds in ogenschouw te hebben genomen de, gelet op de financiële positie van Van Sleuwen, reële mogelijkheid uiteindelijk toch zelf de kosten te moeten dragen. De gemeente had er daarom, zo stelt zij, ook zelf belang bij de kosten zoveel mogelijk te beperken.

Sjawi en Van Sleuwen hebben hierop niet gereageerd.

De rechtbank acht op grond van de gemotiveerde stellingen van de gemeente en de overgelegde stukken, waaronder met name de vorengenoemde prod. 4 en 5 bij de conclusie van antwoord (“draaiboek 2003.05.01” en “dagverslag verwijdering op 12, 13 en 14 mei 2003”) de enkele stelling van Sjawi en Van Sleuwen dat de gemeente dergelijke zaken in eigen beheer moet kunnen uitvoeren onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente dit soort kwesties vaker aan de hand heeft, zodat in redelijkheid niet van de gemeente kan worden verwacht hiervoor de – vrij specifieke - kennis en ervaring zelf op peil te brengen en te houden. Dat er bij de uitvoering van het werk gemeenteambtenaren aanwezig zijn geweest is, ligt voor de hand. De gemeente is immers de opdrachtgeefster. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzet van Sjawi en Van Sleuwen moet worden gepasseerd. Het moet er voor worden gehouden dat de bij de toepassing van bestuursdwang gemaakte kosten niet onredelijk zijn. Sjawi en Van Sleuwen hebben zich niet gemotiveerd verzet tegen de hoogte van de kosten. De rechtbank gaat daar dan ook vanuit.

4.6 Hetgeen Sjawi en Van Sleuwen met betrekking tot de kosten voor opslag hebben aangevoerd laat de rechtbank buiten beschouwing, nu is gebleken dat de gemeente verzuimd heeft deze kosten bij hen in te vorderen. Deze kosten zijn niet opgenomen in het dwangbevel.

4.7 Op grond van hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.6 dienen de subsidiaire vordering, alsmede de vordering tot buiten effect stellen van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel te worden afgewezen. Sjawi en Van Sleuwen zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen van Sjawi en Van Sleuwen af;

veroordeelt Sjawi en Van Sleuwen tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de gemeente gevallen, tot dusver begroot op € 241,-- aan griffierechten en op € 2.682,-- voor salaris van haar procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.