Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2005:AZ5271

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-11-2005
Datum publicatie
28-12-2006
Zaaknummer
41429 HA ZA 03-652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

''...gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] stelt dat aangezien er sprake is van en overeenkomst van huurkoop conform het bepaalde in art. 93 sub c Rv de sector kanton van deze rechtbank bevoegd is en de zaak op grond van het bepaalde in art. 71, tweede lid Rv verwezen moet worden naar een kamer van deze rechtbank die tot de sector kanton behoort.

Volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] voldoet de overeenkomst aan alle essentialia van een huurkoopovereenkomst zoals die volgen uit de artt. 7A: 1576h lid 1 BW jo. 7A:1576 lid 1 BW en moet de overeenkomst dus als huurkoop gekwalificeerd worden. ...''

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 2 november 2005 in de zaak van:

rolnr: 03/652

De naamloze vennootschap

Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

procureur: mr. E.H.A. Schute,

advocaat: mr. H. Post,

tegen:

[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het[gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident],

wonende te Zierikzee,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

procureur: mr. M. Kalle.

1. Het verloop van de procedure

De volgende processtukken zijn in het incident gewisseld:

- conclusie inhoudende incidentele vordering tot verwijzing wegens onbevoegdheid ex art. 71 lid 2 Rv;

- conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing.

2. De feiten in het incident

2.1. Eiseres in de hoofdzaak, gedaagde in het incident – verder Dexia -, rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V., eveneens handelend onder de handelsnaam Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio-Lease B.V., vordert in de hoofdzaak veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident -verder [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident]- tot betaling aan haar van een bedrag van € 69.239,06, vermeerderd met rente over een bedrag van € 64.014,56 vanaf 10 oktober 2003 tot de dag van voldoening en met veroordeling van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] in de proceskosten.

Dexia stelt daartoe dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] in verzuim is doordat hij het bedrag van de eindafrekening, opgemaakt naar aanleiding van de beëindiging van de tussen partijen op 14 juli 2000 onder contractnummer [nummer] gesloten “effectenleaseovereenkomst” met betrekking tot het product “Overwaarde Effect Maandbetaling met Herbelegging” – verder de overeenkomst -, ondanks aanmaning daartoe, niet heeft voldaan.

2.2. De overeenkomst luidt, voor zover van belang:

“(…)

4. De lease-som bedraagt het totaal van 240 gelijke maandtermijnen van zegge: € 816,80/

f 1.800,00

(…)

De eerste maandtermijn dient te worden voldaan op of omstreeks de 1e van de maand volgend op de dagtekening van deze overeenkomst en daarna telkens op of omstreeks de 1e van de daaropvolgende maand.

(…)

6. Ter uitvoering van de in artikel 2 van de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease omschreven verbintenis tot voorwaardelijke overdracht, levert de Bank door middel van deze akte de waarden aan lessee, onder de opschortende voorwaarde dat lessee al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, van welke levering de Bank onverwijld na totstandkoming van deze akte mededeling doet aan de uitgevende instelling. Aldus is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden, zodra hij al datgene aan de Bank heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden.

(…)”.

2.3. Op de overeenkomst zijn de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease, verder te noemen: de Bijzondere Voorwaarden, van toepassing. Deze Bijzondere Voorwaarden luiden, voor zover van belang:

(…)

“2. De Bank en lessee komen overeen dat de eigendom van de waarden op de lessee

overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn

verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. De Bank behoudt de eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan en blijft als zodanig bevoegd over de waarden te beschikken.

De Bank draagt het risico van het verloren gaan van de waarden (maar uitdrukkelijk niet de koerswaarde van de waarden) totdat deze eigendom van lessee zijn geworden.

(…)”.

5. Het geschil in het incident

3.1. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] stelt dat aangezien er sprake is van en overeenkomst van huurkoop conform het bepaalde in art. 93 sub c Rv de sector kanton van deze rechtbank bevoegd is en de zaak op grond van het bepaalde in art. 71, tweede lid Rv verwezen moet worden naar een kamer van deze rechtbank die tot de sector kanton behoort.

Volgens [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] voldoet de overeenkomst aan alle essentialia van een huurkoopovereenkomst zoals die volgen uit de artt. 7A: 1576h lid 1 BW jo. 7A:1576 lid 1 BW en moet de overeenkomst dus als huurkoop gekwalificeerd worden.

3.2. Dexia betwist dat effectenlease als huurkoop te kwalificeren is en dat de sector kanton van de rechtbank bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Dexia voert daartoe het navolgende aan.

Volgens Dexia is effectenlease geen koop op afbetaling en dus ook geen huurkoop omdat de overeenkomst van effectenlease niet voldoet aan de wezenlijke kenmerken van koop op afbetaling zoals opgenomen in artikel 7A:1576 lid 1 BW.

Dexia stelt daartoe dat effecten geen zaken zijn maar vermogensrechten. Het feit dat lid 5 van artikel 7A:1576 BW het in titel 5A bepaalde ook van toepassing verklaart op vermogensrechten maakt nog niet dat dat de overeenkomsten met bedoelde vermogensrechten als onderwerp, als overeenkomsten uit huurkoop te kwalificeren zijn. Deze bepaling bevat geen uitbreiding van de definitie “koop op afbetaling”.

Voorts stelt Dexia dat er geen sprake is van de overige vereisten voor de kwalificatie van een transactie als “koop op afbetaling”; er is geen sprake van aflevering van de effecten, de overeenkomst voorziet niet in afbetaling van de koopprijs in twee of meer termijnen en partijen hebben geen eigendomsoverdacht beoogd.

4.1. De beoordeling van het geschil in het incident

4.1. [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] heeft voor alle weren de exceptie van onbevoegdheid voorgesteld ten aanzien van de vordering van Dexia.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de tussen partijen gesloten overeenkomst gekwalificeerd te worden als een overeenkomst van huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW. De rechtbank overweegt daartoe, mede gelet op hetgeen door Dexia in haar verweer naar voren is gebracht, het volgende.

4.2. Uit artikel 7A:1576 lid 5 BW volgt dat titel 5A van boek 7A, welke titel primair betrekking heeft op de koop op afbetaling en huurkoop van zaken, van overeenkomstige toepassing is op vermogensrechten, voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Gelet hierop dient uitgangspunt te zijn dat effecten, die als vermogensrechten zijn aan te merken, onderwerp kunnen zijn van koop op afbetaling en daarmee ook van huurkoop in de zin van voornoemde titel. Zulks is, gelet op hetgeen hieromtrent in de Memorie van Toelichting bij artikel 7A:1576 BW wordt overwogen, ook in overeenstemming met de doelstellingen van de wetgever.

4.3. De rechtbank is voorts van oordeel dat levering van de effecten in casu reeds voorafgaand aan een mogelijke eigendomsoverdracht in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 en 7A:1576h lid 1 BW heeft plaatsgevonden.

Hierbij is van belang dat de aandelen weliswaar niet in stoffelijke vorm in de macht van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] zijn gebracht maar dat ingevolge artikel 17 Wge een bijschrijving op naam van de verkrijger in de administratie van de betrokken instelling heeft plaatsgevonden. Uit de stellingen van Dexia kan worden afgeleid dat deze bijschrijving in casu daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Blijkens de memorie van toelichting op artikel 17 Wge is de strekking van die bepaling dat de levering, als formele handeling ten behoeve van een aandeel in een verzameldepot, geschiedt door middel van bijschrijving op naam van de verkrijger. Dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] middels deze bijschrijving gelet op de tekst van artikel 2 van de Bijzondere Voorwaarden slechts een voorwaardelijk recht op de effecten heeft verkregen doet hieraan niet af. De betreffende bepalingen zijn niet anders te beschouwen dan als een eigendomsvoorbehoud in de zin van artikel 3:92 BW.

4.4. De tussen partijen gesloten overeenkomst voorziet voorts in betaling van de koopprijs in termijnen. Zulks volgt uit het in artikel 4 van de overeenkomst opgenomen betalingsschema. Hierbij is de totale leasesom als koopprijs in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 alsmede 7A:1576j lid 1 BW aan te merken. Daarbij is niet van belang dat deze koopsom is opgebouwd uit een bedrag waarvoor Dexia de effecten heeft aangekocht en een bedrag aan te betalen rente, nu uit artikel 7A:1576c lid 2 BW volgt dat onder koopprijs wordt verstaan alle betalingen waartoe de koper (in casu [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident]) bij regelmatige nakoming van de overeenkomst gehouden is. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt immers dat [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] de totale leasesom moet voldoen om de effecten in eigendom te verkrijgen. Met de in de overeenkomst vastgestelde en vastgelegde – periodieke – betalingen voldoet de overeenkomst daarmee tevens aan het criterium dat de koopprijs in meerdere termijnen door [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] moet worden voldaan.

4.5. Tenslotte kan worden geconcludeerd dat partijen eigendomsoverdracht van de effecten hebben beoogd. In dat verband zijn van belang artikel 6 van de overeenkomst en artikel 2 van de Bijzondere Voorwaarden. In die artikelen wordt uitdrukkelijk bepaald dat de eigendom van de effecten automatisch en van rechtswege op lessee ([gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident]) overgaat op het moment dat hij aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan. Teneinde een dergelijke eigendomsovergang te bewerkstelligen heeft Dexia, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.3. is overwogen, al bij aanschaf door haar van de effecten de leveringshandeling overeenkomstig artikel 17 WGE verricht.

Uitgangspunt is derhalve dat de eigendom van de effecten van rechtswege wordt overgedragen aan [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] nadat hij heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst.

De rechtbank verwerpt de stelling van Dexia dat de overeenkomst, bij gebreke van een bepaling waarin een afnameverplichting dan wel een zogenaamde urgerende optie is neergelegd, niet strekt tot het daadwerkelijk verkrijgen van de eigendom. Nu partijen reeds bij het sluiten van de overeenkomst hebben afgesproken dat de eigendom automatisch en van rechtswege overgaat, is die overgang immers niet van een afnameverplichting of optie afhankelijk. Ook het feit dat overeenkomsten als de onderhavige gewoonlijk zijn gericht op het profiteren van koersfluctuaties waardoor in de praktijk veelal wordt overgegaan tot verkoop van de effecten, doet niet af aan het doel van eigendomsverkrijging. Immers, teneinde tot verkoop van de effecten te kunnen overgaan is in ieder geval een, zij het kort, moment van eigendom van die effecten vereist. Dat om redenen van praktische aard en kostenbesparingen de cliënt er aan het einde van de looptijd van de overeenkomst voor kiest de afwikkeling van de overeenkomst en de verkoop in één handeling door Dexia te laten verrichten waarbij een verrekening plaatsvindt, in plaats van, na betaling van het restantbedrag, uitlevering van zijn effecten uit het verzameldepot te laten plaatsvinden om vervolgens zelf tot verkoop daarvan over te gaan, maakt daarbij geen verschil.

4.6. Gelet op het vorenstaande en nu ook aan de overige kenmerken van huurkoop, welke tussen partijen niet ter discussie staan, is voldaan, dient de zaak op grond van artikel 93 onder c Rv door de sector kanton van de rechtbank te worden behandeld en beslist. De vordering in het incident kan derhalve worden toegewezen.

De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de sector kanton van deze rechtbank.

4.7. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident.

5. De beslissing

De rechtbank:

in het incident:

wijst de vordering tot verwijzing toe;

veroordeelt Dexia in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident] begroot op € 452,-- aan procureurssalaris;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de sector kanton van de rechtbank (zittingsplaats Zierikzee) op dinsdag 13 december 2005 om 11.00 uur, waarbij partijen, in persoon of bij gemachtigde, dienen te verschijnen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 2 november 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

AIJ