Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2005:AU0886

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-06-2005
Datum publicatie
12-08-2005
Zaaknummer
Awb 04/914 & 05/366 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning; verplicht agrarisch advies.

Bij uitspraak 200506813/2 d.d. 12-9-2005 heeft de Raad van State een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

voorzieningenrechter

____________________________________________________

UITSPRAAK

met toepassing van

artikel 8:86, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht,

tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van

artikel 8:81, eerste lid, van die wet

____________________________________________________

Reg.nrs.: Awb 04/914 en 05/366VV

Inzake: [verzoekers], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis,

tegen: het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2004 heeft verweerder geweigerd aan [vergunninghouder] te [woonplaats] een vergunning te verstrekken voor de bouw van twee bedrijfsgebouwen, waarbij een dienstwoning deel uitmaakt van één van de bedrijfsgebouwen, op een perceel aan de [locatie], kadastraal bekend gemeente [kadastrale gegevens]

Na bezwaar van [vergunninghouder] heeft verweerder alsnog bij besluit van 9 november 2004, verzonden 16 november 2004, de gevraagde bouwvergunning verleend.

Tegen dit besluit hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 8 juni 2005 behandeld ter zitting. Voor verzoekers daar hun gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde R. Stam. [vergunninghouder] (verder: de vergunninghouder) is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. K.M. Moeliker, advocaat te Middelburg.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien het verzoek wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het geschil.

2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beoordeling van de zaak geen nader onderzoek meer vergt, terwijl ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zich tegen toepassing van artikel 8:86 Awb zouden verzetten.

Er is derhalve aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Daartoe wordt als volgt overwogen.

3. Ingevolge artikel 44 van de Woningwet - voor zover hier van belang - mag alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met een bestemmingsplan of krachtens zodanig plan gestelde eisen.

4. Het in geding zijnde perceel is gelegen in een gebied, waarin het bestemmingsplan “Buitengebied Brouwershaven” het vigerende bestemmingsplan is. Volgens de plankaart van dit bestemmingsplan (hierna: het bestemmingsplan) rust op de grond waarop het bouwplan is geprojecteerd de bestemming “Landbouw, veeteelt en tuinbouw”.

Artikel 9, eerste lid van het bestemmingsplan luidt – voor zover hier van belang - : “De gronden met de bestemming landbouw, veeteelt en tuinbouw mogen uitsluitend worden gebruikt voor de bedrijfsvoering van al dan niet aan de grondgebonden agrarische bedrijven”

Ingevolge het tweede lid van artikel 9 van het bestemmingsplan mogen op deze gronden met inachtneming van de op de kaart en de hierna gegeven nadere aanwijzingen uitsluitend worden gebouwd:

a. niet voor bewoning bestemde bedrijfsgebouwen ten behoeve van het in lid 1 toegestane gebruik;

b. per bedrijf ten hoogste één dienstwoning;

c. andere bouwwerken ten behoeve van het in lid 1 toegestane gebruik.

Het derde lid van genoemd artikel 9 geeft voorschriften voor maatvoering.

In het vierde lid is bepaald dat bij afwijking van de lid 3 sub b voorgeschreven maten het bouwplan in handen wordt gesteld van de Hoofdingenieur-Direkteur van de Landinrichting met het verzoek kenbaar te maken:

a. of naar zijn oordeel het bouwplan betrekking heeft op een agrarisch bedrijf als genoemd in lid 1;

b. of een overwegend agrarisch gebruik van het desbetreffende gebouw is te verwachten;

c. of – indien bouwvergunning wordt gevraagd voor een dienstwoning – deze dienstwoning voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf noodzakelijk is.

Ingevolge het vijfde lid van artikel 9 van het bestemmingsplan mag een bouwvergunning, waarbij wordt afgeweken van het oordeel van de Hoofdingenieur-Direkteur voornoemd inzake het bepaalde in lid 4, slechts worden verleend, indien vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.

5. De betreffende bouwaanvragen zijn ingediend ten behoeve van een biologische consumptieve kwekerij. Verweerder heeft in het primaire besluit een bouwvergunning geweigerd na een negatief advies van de Agrarische Adviescommissie Zeeland (AAZ). Na een uitvoerig beargumenteerd bezwaarschrift heeft verweerder een tweede mening over de bouwplannen gevraagd bij de Stichting Abc. Deze stichting heeft op 6 oktober 2004 advies uitgebracht.

Mede op basis van dit advies heeft verweerder alsnog op 9 november 2004 besloten tot afgifte van een bouwvergunning.

6. Verzoekers kunnen zich daarmee niet verenigen. Zij stellen dat verweerder een verklaring van geen bezwaar had moeten vragen bij Gedeputeerde Staten, nu het instituut Hoofdingenieur-Directeur van de Landinrichting niet meer beschikbaar is voor advies. Uit het AAZ-advies blijkt dat mevrouw Klompe naast agrarische activiteiten, ook opleidings-faciliteiten wil bieden. Ook verweerder geeft aan dat er stagiaires op het bedrijf meelopen. In het advies van de Stichting Abc wordt in het geheel niet ingegaan op het bieden van opleidingsfaciliteiten. Die niet-agrarische activiteiten zijn strijdig met de vigerende bestemming. Tenslotte menen verzoekers dat het verzoek niet zorgvuldig is voorbereid. Er zijn tegenstrijdige adviezen gegeven. Verzoekers betwijfelen of de gewassen zoveel zorg vragen als de Stichting Abc betoogt en dat daarom een bedrijfswoning noodzakelijk is. Omzetgegevens zonder de hoogte van kosten erbij te betrekken zeggen niets over de levensvatbaarheid van het bedrijf. Verzoekers betwijfelen of er sprake is van een reëel agrarisch bedrijf.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een reëel agrarisch bedrijf en dat een bedrijfswoning doelmatig wordt geacht voor de bedrijfsvoering met name gelet op de arbeidsintensieve aard van deze specifieke bedrijfsvoering. Van een opleidingsfaciliteit is geen sprake. Het advies van de Stichting Abc voldoet aan de criteria waaraan de beoordelingen van agrarische aanvragen als de onderhavige moeten voldoen volgens de jurisprudentie. Levensvatbaarheid is geen criterium bij de beoordeling of sprake is van een agrarisch bedrijf. Volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2003 is een dienstwoning noodzakelijk indien de bedrijfsvoering zoveel tijd en aandacht opeist dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Verweerder is van mening dat de vergunninghouder een redelijk belang heeft om op het perceel te wonen.

8. De voorzieningenrechter kan het standpunt van verzoekers dat het bedrijf van de vergunninghouder niet beschouwd kan worden als een grondgebonden agrarisch bedrijf niet volgen. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen de vergunninghouder in woord en geschrift naar voren heeft gebracht over de aard van haar bedrijf. Stagiaires, die vanuit een opleiding meewerken in een bedrijf, maken een bedrijf niet tot een opleidingsinstituut. De AAZ heeft ten onrechte inkomsten van de vergunninghouder uit haar nevenfunctie in het onderwijs betrokken bij de omzet van het agrarisch bedrijf. Daardoor is de indruk ontstaan dat een groot deel van het bedrijf gericht is op opleiding. Die indruk is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onjuist. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan vastgesteld worden dat het bedrijf van vergunninghouder beschouwd moet worden als een grondgebonden agrarisch bedrijf. Van strijd met de op het perceel rustende bestemming is derhalve geen sprake.

9. Bij de behandeling van de onderhavige bouwaanvraag diende verweerder toepassing te geven aan artikel 9, vierde lid van het bestemmingsplan “Buitengebied Brouwershaven”. In dit artikellid wordt advies van de Hoofdingenieur-Direkteur van de Landinrichting voorgeschreven. Vaststaat dat het instituut “Hoofdingenieur-Direkteur van de Landinrichting” nog steeds bestaat, maar dat geen adviezen zoals bedoeld in eerdergenoemd artikellid worden gegeven. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder meegedeeld dat de Zeeuwse gemeenten in overleg met de provincie hebben afgesproken bij agrarische bouwaanvragen de AAZ te raadplegen in plaats van de Hoofdingenieur-Direkteur van de Landinrichting.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de strekking van artikel 9, lid 4 van het bestemmingsplan dat bij afwijking van de voorgeschreven maatvoering eerst advies wordt gevraagd aan een agrarische adviesinstantie.

10. De AAZ heeft ten behoeve van het onderhavige bouwplan meermalen advies uitgebracht. Uit het laatste advies van 17 september 2003 blijkt dat de AAZ niet heeft getoetst aan de bepalingen van het bestemmingsplan. In genoemd advies stelt de AAZ dat zij adviseert binnen de kaders van het provinciaal ruimtelijk beleid. Voorts is gebleken, zoals hierboven reeds is overwogen, dat het advies feitelijk onjuist is wat betreft de bepaling van de omzet van het bedrijf. Verweerder kon derhalve dit advies niet ten grondslag leggen aan een besluit inzake de gevraagde bouwvergunning. Daarom kon verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet anders dan advies vragen aan een andere gekwalificeerde agrarische adviesinstantie.

De Stichting Abc heeft vervolgens op verzoek van verweerder advies uitgebracht en zich uitgelaten over de onderdelen a, b en c, zoals neergelegd in artikel 9, vierde lid van het bestemmingsplan.

11. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Zoals hierboven al is overwogen, kan het advies van de AAZ de toets der kritiek niet doorstaan. De Stichting Abc heeft gemotiveerd antwoord gegeven op de vragen die in de onderdelen a, b en c van artikel 9, vierde lid van het bestemmingsplan aan de orde worden gesteld. De Stichting Abc heeft vastgesteld dat er sprake is van een zeer verzorgde kwekerij met een grote teeltdiversiteit. Gezien de grote zorg die het gewas continu vraagt, gekoppeld aan het zelf regelen van de afzet wordt in het advies een bedrijfswoning doelmatig geacht voor de agrarische bedrijfsvoering. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van een bedrijfswoning voldoende aangetoond. Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat omzet niets zegt over het bestaan van een reëel agrarisch bedrijf merkt de voorzieningenrechter op dat de Stichting Abc vertrouwelijk inzage heeft gehad in de boekhouding, zodat aangenomen kan worden dat de Stichting Abc niet alleen de omzet, maar ook de kosten in de beschouwing heeft kunnen betrekken. Het standpunt van verweerder dat er sprake is van een reëel agrarisch bedrijf berust dan ook op een toereikende motivering.

12. In overeenstemming met het advies van de Stichting Abc heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend. Een redelijke uitleg van het vijfde lid van artikel 9 van het bestemmingsplan brengt met zich dat, nu niet wordt afgeweken van het deskundig agrarisch advies, verweerder niet een verklaring van geen bezwaar bij Gedeputeerde Staten behoefde aan te vragen. De door de gemachtigde van verzoekers ter zitting genoemde jurisprudentie is in het onderhavige geval niet van toepassing, aangezien het in die situatie ging om vrijstelling van het bestemmingsplan. In het onderhavige geval gaat het om de toepassing van het bestemmingsplan.

13. Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Verweerder was gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Woningwet gehouden de gevraagde bouwvergunning te verlenen. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond,

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2005 door mr. G.J.A. van Unnik[naam_voorzieningenrechter] als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt als griffier.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kan, voorzover er op het beroep is beslist, een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 30 juni 2005