Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2005:AT7796

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-05-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
04/879
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rooivergunning. Afwijzing verzoek benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

________________________________________________

UITSPRAAK

____________________________________________________

Reg.nr.: Awb 04/879

Inzake: de Stichting Tuin van Zeeland, gevestigd te Middelburg, eiseres,

gemachtigde: P.J. Fraanje,

tegen: het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, verweerder.

I. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit van 2 november 2004 van verweerder (het bestreden besluit).

Het beroep is op 21 april 2005 behandeld ter zitting. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J.G. Meijer. Als derde-belanghebbende is [naam] (hierna: vergunninghouder) verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot.

II. Overwegingen

1. Aan vergunninghouder is bij besluit van 7 juli 2004 vergunning verleend voor het rooien van een kastanje naast het perceel [adres] te Middelburg. De boom maakt deel uit van een op grond van het bestemmingsplan Beschermd Stadsgezicht te beschermen waardevol groenelement. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Verweerder heeft besloten tot vergunningverlening na inwinning van advies bij boomtechnisch adviesbureau Van Jaarsveld/Van Scherpenzeel. Naar aanleiding van het bezwaar heeft heeft verweerder nog een second opinion gevraagd aan O.B.T.A. De Linde.

3. Van Jaarsveld/Van Scherpenzeel komt middels visuele waarneming, waarbij op hoogte de ernst van de inrotting en de restwanddikte is bepaald, tot de conclusie dat als gevolg van de inrotting de stabiliteit van de stam ernstig verzwakt is. Het risico op breuk dreigt en zal in de aankomende jaren verder toenemen als gevolg van verdere inrotting van de stam en toename van de kroongrootte. Vanuit boomveiligheidsoogpunt is dat een onacceptabele situatie. Het enige reële advies is om de boom te kappen. Als alternatief kan gedacht worden aan het aanzienlijk verkleinen van de kroongrootte. In dat geval zal de boom binnen een periode van circa 5 tot 7 jaar alsnog gekapt dienen te worden.

4. Ook De Linde noemt in zijn rapport de verhoogde kans op breuk. Vanwege de standplaats en het verhoogd risico voor de omgeving is het advies om de boom te verwijderen. Middels snoei is mechanisch het risico te beperken maar wat men dan overhoudt is een mechanisch tijdelijk veilige boom met een matige conditionele toestand die verder afneemt, aldus De Linde.

5. Tussen partijen is het onderzoek van de twee genoemde deskundigen in geschil. Niet in geschil is dat de boom van enige natuurwaarde, beeldbepalend en van betekenis is voor het stadsschoon. Ook een herplantplicht is geen onderwerp van de rechtsstrijd.

6. Eiseres stelt dat verweerder zich niet mag verlaten op de louter indicatieve adviezen van Van Jaarsveld/Van Scherpenzeel en De Linde, omdat de door hen gehanteerde Visual Tree Assessment-methode (VTA) onvoldoende is. Eiseres heeft aangevoerd dat de deskundigen de boom ook mechanisch hadden dienen te onderzoeken, omdat alleen dan een juist beeld van de stabiliteit van de boom kan worden verkregen. Eiseres verzoekt de rechtbank derhalve verweerder te verplichten een deskundige in te schakelen, die alsnog het gewenste mechanische onderzoek doet.

7. Verweerder acht een nader onderzoek niet nodig. De beide deskundigen hebben de mate van inrotting eenduidig beoordeeld en er bestaat, gelet op de eenduidigheid van de adviezen en de deskundigheid van Van Jaarsveld/Van Scherpenzeel en De Linde, geen twijfel aan de juistheid van de uitgebrachte adviezen om de boom te verwijderen.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

9. Ingevolge artikel 4.5.2 van de Apv is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

Op grond van artikel 4.5.3a van de Apv kan de vergunning geweigerd worden op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

10. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres geen andersluidend gekwalificeerd tegenadvies heeft overgelegd. Daarbij ziet de rechtbank in de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden evenmin aanleiding voor het oordeel dat de adviezen van Van Jaarsveld/Van Scherpenzeel en De Linde op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, noch dat verweerder niet heeft mogen afgaan op deze adviezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door de deskundigen gehanteerde VTA-methode ondeugdelijk is ter bepaling van de gezondheidstoestand van de boom. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor toewijzing van het verzoek van eiseres nogmaals een deskundige in te schakelen.

11. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder bij de afweging van de betrokken belangen de (slechte) gezondheidstoestand van de boom en het daarmee samenhangende veiligheidsaspect maatgevend heeft kunnen achten en in redelijkheid de gevraagde rooivergunning heeft kunnen verlenen.

12. De conclusie van het voorgaande is dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep is mitsdien ongegrond.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2005 door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 12 mei 2005.