Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2005:AT3844

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
29-03-2005
Datum publicatie
26-04-2005
Zaaknummer
238-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

n.v.t.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 12/000238-04

Datum uitspraak: 29 maart 2005

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 15 november 2004

Datum voorlopige hechtenis: 18 november 2004

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres + woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Huis van Bewaring “De Boschpoort”, Nassausingel 26 te Breda,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

15 maart 2005.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G. Oosterveld en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en met de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

Zij vordert voorts toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 11.485,17, en -in combinatie daarmee- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 11.485,17 subsidiair hechtenis voor de duur van 100 dagen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie voornemens is een vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, tegen de verdachte aanhangig te maken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2003 tot en met 30 november 2004

te Middelburg en/of Vlissingen en/of Heinkenszand en/of Oost Souburg en/of

Kruiningen en/of Yerseke en/of een of meer andere plaatsen in het

arrondissement Middelburg, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan

een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van hem, verdachte en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meer andere personen, welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het opzettelijk al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

telen/bereiden/bewerken/verwerken/verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren

van hennep, zijnde een middel van lijst II behorende bij de Opiumwet en/of

- diefstal van stroom/elektriciteit;

zulks terwijl hij, verdachte, leider en/of bestuurder van die organisatie

was

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober

2003 tot en met 30 november 2004 te Middelburg (op het/de adres(sen)

[adressen]

en/of te Hoedekenskerke (op het adres [adres]) en/of te Goes (op het/de

adres(sen) [adressen] en/of te Ovezande

(op het adres [adres]) en/of te Vlissingen (op het/de adres(sen) [adressen] en/of te

Krabbendijke (op het adres [adres]) en/of te Yerseke (op het

adres [adres]) en/of elders in het arrondissement Middelburg, in elk geval

in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al

dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, meermalen, althans

eenmaal, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk aanwezig heeft gehad (telkens) een

(groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een

of meer hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober

2003 tot en met 30 november 2004 te Middelburg (op het/de adres(sen)

[adressen]) en/of te

Krabbendijke (op het adres [adres]) en/of te Yerseke (op het

adres [adres]) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (meermalen) heeft

weggenomen (telkens) een/of meer hoeveelhe(i)d(en) stroom/elektriciteit, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

stroom/electriciteit (telkens) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht

door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 26 februari 2003 te Leiden tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen een motorfiets (Yamaha, type FZ 750), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam eigenaar], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 4 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 26 februari 2003 tot en met 15 november

2004 te Vlissingen en/of te Leiden, in elk geval in Nederland, een motorfiets

(Yamaha, type FZ 750) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die motorfiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het feit kan niet worden bewezen omdat van verdachtes betrokkenheid bij diefstal onvoldoende is gebleken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 subsdiair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 januari 2004 tot en met 15 november 2004

op plaatsen in het arrondissement Middelburg, heeft deelgenomen aan

een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van hem, verdachte en

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het opzettelijk al dan niet in de uitoefening van een bedrijf telen/ bewerken van hennep, zijnde een middel van lijst II behorende bij de Opiumwet en

- diefstal van stroom/elektriciteit;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2004 tot en met 15 november 2004 te Middelburg (op de adressen [adressen]) en te Hoedekenskerke (op het adres [adres]) en te Goes (op het adres [adres] en te Ovezande (op het adres [adres]) en te Vlissingen (op de adressen [adressen]) en te Krabbendijke (op het adres [adres]), tezamen en in vereniging met anderen in de uitoefening van een bedrijf, meermalen, opzettelijk heeft geteeld en bewerkt een groot aantal hennepplanten en delen daarvan, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

3.

hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2004 tot en met 15 november 2004 te Middelburg (op de adressen [adressen]) en te Krabbendijke (op het adres [adres]) tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening meermalen heeft weggenomen telkens een hoeveelheid stroom/elektriciteit, toebehorende aan [benadeelde partij], waarbij verdachte en zijn mededader(s) weg te nemen stroom/electriciteit telkens onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

4 subsidiair

hij in de periode van 26 februari 2003 tot en met 15 november 2004 te Vlissingen een motorfiets (Yamaha, type FZ 750) heeft verworven, terwijl hij ten tijde van het verwerven van die motorfiets wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverweging

Door de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van een criminele organisatie, waarin verdachte deelnemer was of zelfs leiderschap had. De rechtbank verwerpt dit verweer ten dele.

Uit de processtukken valt af te leiden dat gedurende lange tijd en op grote schaal op zolders of vrije kamers in woningen van mensen die veelal in een financieel moeilijke positie verkeerden hennepkwekerijen werden gebouwd. Door aan hen, de locatiehouders, een deel van de opbrengst in het vooruitzicht te stellen, hun (achterstallige) huur te betalen of (behoudens in gevallen waar de stroom werd afgetapt) te beloven dat hun energierekening zou worden betaald, werden zij bewogen tot de afgifte van hun huissleutel. Met de huissleutel ging een van de verdachten, nadat de hennepkwekerij was ingericht, het huis binnen om de planten te verzorgen en te controleren of de installaties goed werkten.

De verdachten [medeverdachte 2]n [verdachte] waren in het begin alleen actief. In een later stadium kwam de broer van [verdachte], [medeverdachte 3], erbij. Door hen werden gezamenlijk afspraken gemaakt met de locatiehouders en werden de taken verdeeld, betreffende de bouw en de verzorging van de kwekerij. De locatiehouders werd in het vooruitzicht gesteld dat de energierekening achteraf zou worden betaald, wanneer zij, bij eventuele ontdekking van de kwekerij door de politie, geen namen zouden noemen.

[medeverdachte 1] leverde hand- en spandiensten bij de bouw en later, toen het aantal kweeklocaties toenam, verzorgde hij in sommige gevallen ook de planten.

Met het starten van de kwekerij op de [adres] in Middelburg en de [adres] te Krabbendijke hebben de verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] ook aan de criminele organisatie deel genomen. Alhoewel zij niet van alle activiteiten van de anderen op de hoogte waren, wisten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] wel dat zij zich bezig hielden met het telen en bewerken van hennep. De beide [medeverdachte 4 + 5] hebben hun aandeel geleverd door financiële middelen te verschaffen, potten en potgrond te leveren, hun aanhangwagen beschikbaar te stellen en de anderen te machtigen op hun rekening bouwmaterialen aan te schaffen ten behoeve van de bouw van de kwekerijen. Bij de bouw van een aantal hennepkwekerijen is een stroomkabel buiten de meter om aangelegd, zodat elektriciteit werd gebruikt zonder dat deze geregistreerd en daardoor ook niet betaald werd.

Gelet op het bovenstaande en op het duurzame en gestructureerde karakter van de samenwerking is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft deel genomen aan een criminele organisatie, die het opzetten en onderhouden van hennepkwekerijen beoogde. De taken en werkzaamheden werden in onderling overleg verdeeld. Gelet op die taakverdeling en op het aandeel van elk van de deelnemers kan niet worden afgeleid dat één van hen leider van de organisatie was. Niet van belang is dat bij de uitvoering van de misdrijven in wisselende samenstelling werd gewerkt. Ieder maakte op zijn manier deel uit van het geheel en wist dat ook.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat er sprake is van meerdaadse samenloop en zij zal toepassing geven aan artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

2. In de uitoefening van zijn bedrijf medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

4 subsidiair

Opzetheling

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie en aan grootschalige hennepteelt en eveneens aan diefstal van stroom zoals hiervoor al is overwogen. De rechtbank overweegt dat het verdachte meer dan duidelijk moest zijn dat het telen van hennep ontoelaatbaar is. Juist door de illegaliteit van het telen van hennep zijn grote financiële winsten te behalen. Het gebruik van hennep vormt, door het toenemende THC-gehalte, een gevaar voor de gezondheid van de gebruikers en het leidt door het verslavende karakter van het gebruik tot veel criminaliteit en overlast.

Daarnaast heeft verdachte onder dubieuze omstandigheden een motorfiets gekocht. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan opzetheling. Dat is een hinderlijk feit, omdat op door deze wijze van handelen de afzetmogelijkheden voor gestolen goed in stand wordt gehouden.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 19 november 2004;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 28 januari 2005 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Middelburg.

Verdachte is blijkens het documentatieregister niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van € 11.485,17.

De raadsman van verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. Zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vordering omdat zij niet van eenvoudige aard is nu de schade niet eenduidig is komen vast te staan.

De rechtbank acht de schade aan de locaties [adres] (post 3) € 1.204,19 en [adres] (post 2) € 3.207,60 voldoende duidelijk. Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder feit 3 bewezenverklaarde.

De rechtbank acht de berekening van de schade aan de [adres] (post 1) niet eenvoudig vast te stellen nu de duur en de intensiteit van het stroomverbruik onduidelijk is. Zij zal de benadeelde partij voor dat deel van de vordering, alsmede voor de gevorderde BTW van alle locaties, niet-ontvankelijk verklaren.

De vordering van de benadeelde partij kan dus tot het bedrag van € 4.411,79 worden toegewezen.

De verdachte is niet tot betaling gehouden voor zover het toegewezen bedrag reeds door zijn mededaders is voldaan. In de beslissing zal zulks tot uitdrukking worden gebracht.

Voorts dient de verdachte -samen met de mededaders- te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Tevens ziet de rechtbank aanleiding tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.411,79 ten behoeve van de benadeelde [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 47, 57, 140, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 susbsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het onder 1, 2, 3 en 4 subsidiair bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vier en twintig) maanden.

Zij bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Zij bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

De veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen die

hem zullen worden gegeven door Reclassering Nederland, unit Middelburg, zolang deze

instelling dit noodzakelijk oordeelt.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], [adres + vestigingsplaats], ten dele toe. Dit betreft het deel post 3 [adres] en post 5 [adres].

Zij veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan deze benadeelde partij te betalen € 4.411.79.

Zij veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Zij verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft het overige deel (post 1 [adres] en de gevorderde BTW) en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Zij legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de benadeelde [benadeelde partij], [adres + vestigingsplaats] te betalen € 4.411,79 bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 45 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij bepaalt daarbij dat voldoening, door verdachte of zijn mededaders, aan de verplichting tot betaling aan de Staat van € 4.411,79 ten behoeve van [benadeelde partij] de veroordeling tot betaling aan [benadeelde partij] tot laatstgenoemd bedrag doet vervallen, alsmede dat betaling van dat bedrag aan [benadeelde partij] de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter,

mrs. F.C.J.E. van Hemert-Meeuwis en E.J. Govaers, rechters,

in tegenwoordigheid van A.S. Heberlein-Guiran als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 maart 2005.

Mr. Govaers is buiten staat dit vonnis te ondertekenen