Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2005:AT3167

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
05-04-2005
Zaaknummer
04/379
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Gebrekkige motivering want onvoldoende inzichtelijk waarom in hoofdgroep V uitsluitend bij de functie van eiser aan de factor keuzemogelijkheden een waardering van twee punten is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

____________________________________________________

Reg.nr.: Awb 04/379

Inzake: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

tegen: het college van burgemeester en wethouders der gemeente Schouwen-Duivelandhet college van Gedeputeerde Staten in de provincie Zeeland, verweerder.

I. Procesverloop.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een op bezwaar genomen besluit van 26 april 2004 (het bestreden besluit).

Het beroep is op 13 december 2004 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Koper, werkzaam bij verweerder.

II. Overwegingen.

1. Eiser is sinds 1 januari 1996 als senior medewerker financiën en bedrijfsvoering werkzaam bij de provincie Zeeland, directie ruimte, milieu en water.

2. Bij besluit van 21 oktober 2003 is de waardering van zijn functie vastgesteld, onder meer resulterend in een totaalscore V-11 en een functieniveau 12. De waardering is gebaseerd op een waarderingsrapport van 21 mei 2003, inhoudende:

- hoofdgroep V-1 (1 voor functionele vorming)

- handelingsvrijheid 3

- keuzemogelijkheden 2

- leiding geven 2

- contact 3

3. Het bezwaar van eiser tegen genoemd besluit is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. In geschil is de waardering van de factor keuzemogelijkheden met cijfer 2. De onderliggende functiebeschrijving is, zoals door eiser ter zitting desgevraagd is bevestigd, geen onderwerp van geschil.

5. Verweerder heeft aangevoerd dat de waardering voor deze factor verband houdt met het feit dat in de betreffende functie beheer en uitvoering centraal staan. Het financieel beleid wordt centraal ontwikkeld en geformuleerd. In de functie gaat het, gelet op de hoofdgroepindeling, opleiding, het gewogen werk- en denkniveau en de functionele vorming, vooral om bekend veronderstelde oplossingen. Dat rechtvaardigt volgens verweerder een waardering 2 voor de factor keuzemogelijkheden.

6. Eiser heeft gesteld dat hij niet alleen belast is met uitvoering en beheer maar dat de bij de functie behorende taken zich ook afspelen op een integraal beleidsterrein. Als voorbeeld heeft eiser de deelname aan het Functioneel Overleg Financiën genoemd op welk niveau ook beleidsbepaling plaatsvindt. Volgens eiser gaat het ook regelmatig om het bedenken van eenmalige, op voorhand niet bekende beleidsoplossingen. Volgens eiser is een waardering 3 op zijn plaats. Eiser heeft in dit verband ook gesteld dat sprake is van rechtsongelijkheid aangezien alle overige functies van hoofdgroep V een waardering 3 voor de factor keuzemogelijkheden hebben.

7. De rechtbank overweegt het volgende.

8. De rechtbank stelt bij de beoordeling van de waarderingsfactor voorop dat de rechterlijke toets volgens vaste rechtspraak een terughoudende dient te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, moet beperken tot de vraag of de in geding zijnde waardering op onvoldoende gronden berust. Dit laatste betekent dat eerst tot vernietiging van de omstreden waardering kan worden overgegaan indien deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daarvoor is ontoereikend de enkele omstandigheid dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is.

9. Van belang is voorts dat als uitgangspunt heeft te gelden de op 21 oktober 2003 vastgestelde functiebeschrijving. De functiebestanddelen zijn afstemming en coördinatie, financieel-economische beleidsadvisering directie, bedrijfsvoering/programmering en overige taken. Als functie-eisen gelden: academische opleiding (bedrijfseconomisch) dan wel gelijkwaardig door een combinatie van opleiding en ervaring, alsmede kennis en ervaring met betrekking tot de werkterreinen van de directie. Aan competenties is nodig: plannen en organiseren, voortgangscontrole, initiatief, integraal werken, probleemanalyse en klantgerichtheid.

10. Uit de toelichting op de toepassing van het functiewaarderingssysteem bij de Regeling organieke functiebeschrijving en -waardering 1999 bij hoofdgroep V blijkt onder meer dat het vooral gaat om kwaliteiten van analytisch, synthetisch-methodisch denken, creatieve zin en onafhankelijke oordeelsvorming, onder andere tot gelding komende in het uitwerken van beleidsideeën en het ontwikkelen van beleidslijnen op breed terrein en lange termijn.

11. Genoemde toelichting luidt bij de factor keuzemogelijkheden:

- Evenals bij de handelingsvrijheid geldt ook voor dit gezichtspunt dat die werkonderdelen die van overwegende invloed zijn geweest op de bepaling van de hoofdgroep en de score voor functionele vorming maatgevend zijn voor de score van dit gezichtspunt.

- Onder nieuwe oplossingen/wegen dienen te worden verstaan die oplossingen/wegen die op grond van het werk- en denkniveau, zoals blijkt uit de hoofdgroepindeling en de score voor functionele vorming van de functionaris, niet bekend verondersteld mogen worden (nieuwe oplossingen/wegen binnen de organisatie).

12. Uitgaande van de functiebeschrijving en genoemde toelichting is verweerders waardering van de factor keuzemogelijkheden naar het oordeel van de rechtbank niet onhoudbaar te achten. Gedaagde heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het in de betreffende functie vooral gaat om oplossingen die op grond van het werk- en denkniveau bekend mogen worden verondersteld.

13. Ter beoordeling is voorts of eisers grond dat sprake is van rechtsongelijkheid doel treft. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

14. Eiser heeft ter zitting een overzicht Fuwa en Formatie, Directie: WEB, gedateerd: 13 december 2004, overgelegd. Uit dat overzicht blijkt volgens eiser dat alle functies van hoofdgroep V, met uitzondering van de functies met code ***900 en volgende, voor de factor keuzemogelijkheden een waardering 3 toegekend hebben gekregen. De categorie met genoemde code is volgens eiser voor de vergelijking niet representatief omdat het bij die functies gaat om opleidingsfuncties. Dit is door verweerder ter zitting bevestigd in die zin dat het in die categorie gaat om instroomfuncties voor jonge mensen met opleiding maar zonder werkervaring. Volgens verweerder betreft het een uitzonderingscategorie.

15. De rechtbank heeft op basis van genoemd overzicht vastgesteld dat de functies van hoofdgroep V, met uitzondering van genoemde uitzonderingscategorie, de functie met code 510015 (junior jurist) en met uitzondering van de functie van eiser, voor de factor keuzemogelijkheden met een 3 zijn gewaardeerd. In het advies van de adviescommissie bezwaarschriften is aan dit overzicht gerefereerd ter onderbouwing van het standpunt dat de stelling van eiser dat alle functies binnen hoofdgroep V drie of vier punten op de factor keuzemogelijkheden scoren, onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank is die vaststelling op zichzelf juist, maar daarmee is voorbij gegaan aan het onderscheid dat binnen hoofdgroep V tussen opleidingsfuncties, waaronder die van junior jurist, en de overige functies kan worden gemaakt. Dit betekent dat deze beroepsgrond van eiser doel treft in die zin dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet goed is gemotiveerd. In het licht van het voorgaande en derhalve gegeven het feit dat de opleidingsfuncties niet met de functie van eiser vergelijkbaar zijn, is onvoldoende inzichtelijk op grond van welke overwegingen in hoofdgroep V uitsluitend bij de functie van eiser aan de factor keuzemogelijkheden een waardering van twee punten is toegekend.

16. De conclusie is dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht zal worden vernietigd.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat de provincie Zeeland aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,- (honderdzesendertig euro) vergoedt;

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol - Enklaar, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Nota bene:

In deze uitspraak is het beroep (deels) gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.

Als de rechtbank daarbij gronden van uw beroep uitdrukkelijk heeft verworpen en u wilt daarin niet berusten, moet daartegen binnen bovengenoemde termijn hoger beroep worden ingesteld.