Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2005:AS9120

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
08-03-2005
Zaaknummer
04/449
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AU6517
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Hoofdelijke aansprakelijkheid voor het niet betalen premies werknemersverzekeringen vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur. Omstandigheden op grond waarvan een bestuurder zich kan disculperen voor het gevoerde kennelijk onbehoorlijk bestuur. In casu onvoldoende gebleken van door de bestuurder zelf gepleegd kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AU6517

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

____________________________________________________

UITSPRAAK

____________________________________________________

Reg.nr.: Awb 04/449

Inzake: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M. Kalle, advocaat te Goes,

tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

I. Procesverloop.

Bij besluit van 12 mei 2003 heeft verweerder eiser op grond van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door de besloten vennootschap Holland Zeevis Internationaal BV over de jaren 2001 en 2002 onbetaald gelaten premies werknemersverzekeringen ten bedrage van € 46.326,20.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 28 mei 2004 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 13 januari 2005 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. Overwegingen.

1. Artikel 16d CSV bepaalt – onder meer -:

1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de premie en de voorschotpremie verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.

2. Het lichaam als bedoeld in het eerste lid is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden.

3. Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.

5. De bestuurder kan slechts worden aangesproken, indien het lichaam met de betaling van de premie of de voorschotpremie in gebreke is.

9. Onder premie en voorschotpremie wordt uitsluitend verstaan de premie en de voorschotpremie die het lichaam dient te betalen ter zake van werknemers die tot hem in dienstbetrekking staan.

2. De besloten vennootschap Holland Zeevis Internationaal BV (hierna: de BV) is van 7 februari 2001 tot 29 september 2002 aangesloten geweest bij de sector Voedingsindustrie. De BV is op 14 augustus 2002 in staat van faillissement verklaard.

3. Verweerder heeft eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door de BV over de jaren 2001 en 2002 onbetaald gelaten premies werknemersverzekeringen, omdat het niet betalen van de premies volgens verweerder te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van de zijde van eiser als bestuurder van de BV.

4. Eiser stelt dat hij slechts formeel bestuurder was van de BV en dat [collega] – als feitelijk beleidsbepaler van de BV - verder alle beslissingen nam aangaande de BV. Eiser heeft getracht [collega] ter verantwoording te roepen, maar [collega] liet dat niet toe. Eiser meent dat niet kan worden gesteld dat het niet betalen van de premies te wijten is aan onbehoorlijk bestuur van zijn kant.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat zich uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) laat afleiden dat eenieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon, daarmee de verantwoordelijkheid voor het (financiële) beleid van die rechtspersoon op zich neemt. Aan die verantwoordelijkheid kan een bestuurder zich niet onttrekken door zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon. Van een bestuurder mag verwacht worden dat hij zich op de hoogte houdt van de financiële toestand van de rechtspersoon, en zonodig ter zake adequate maatregelen treft.

7. Uit die jurisprudentie blijkt echter tevens dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan een bestuurder zich kan disculperen voor het binnen een BV gevoerde kennelijk onbehoorlijk bestuur.

8. Naar het oordeel van de rechtbank is het op grond van de door en namens verweerder ingestelde onderzoeken voldoende aannemelijk dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur binnen de BV, ten gevolge waarvan de premies werknemersverzekeringen onbetaald zijn gebleven. In haar uitspraak van 2 februari 2005 met betrekking tot de andere bij het bestuur betrokken persoon heeft de rechtbank de hoofdelijke aansprakelijkheid van die persoon voor de onbetaald gebleven werknemerspremies vastgesteld.

9. De rechtbank stelt ten aanzien van eiser vast dat deze getracht heeft het tij te keren. Blijkens de door [betrokkene] op 28 maart 2003 opgemaakte rapportage ter beoordeling van de verzekeringsplicht van [collega] heeft [collega] desgevraagd meegedeeld dat in de omstandigheden waaronder en de voorwaarden waarop hij werkzaam is geweest ten behoeve van de BV geen wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de situatie bij de drie eerder gefailleerde ondernemingen. ‘[collega]. regelde alles zelf hetgeen moge blijken uit het feit dat [eiser]. nooit werd geraadpleegd inzake te nemen beleidsbeslissingen. [eiser]. heeft herhaaldelijk aangedrongen bij [collega]. om hem inzage te geven in de financiële gang van zaken. Dit werd steeds door [collega]. afgehouden en op de lange baan geschoven. Ook wilde [eiser]. een AVA houden om [collega]. ter verantwoording te kunnen roepen. Om redenen voornoemd is ook dit initiatief een zachte dood gestorven.’, aldus dit rapport.

10. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat onvoldoende is gebleken van door eiser zelf gepleegd kennelijk onbehoorlijk bestuur. Eiser heeft getracht zijn statutaire positie als bestuurder invulling te geven. Eiser heeft daarvoor blijkbaar onvoldoende gehoor gevonden bij [collega]. Gelet op het overwicht van [collega] vanwege diens leeftijd en ervaring in de branche kon van eiser niet meer gevergd worden dan hij heeft gedaan. De rechtbank kan de bijdrage van eiser in alle redelijkheid niet beschouwen als kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser ten onrechte hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de niet betaalde premies werknemersverzekeringen door de BV. Het beroep is mitsdien gegrond.

11. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

bepaalt dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37 (zevenendertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door het UWV aan eiser.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op door mr. G.J.A. van Unnik, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.