Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2005:AR8714

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
05-01-2005
Zaaknummer
12/000046 en 12/006800-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op 5 januari 2005 heeft de rechtbank de beide verdachten van de moord, althans doodslag op John Wijngaarde vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummers: 12/000046-04 en 12/006800-04

Datum uitspraak: 5 januari 2005

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 8 maart 2004

Datum voorlopige hechtenis: 11 maart 2004

Onttrokken aan detentie: 5 september 2004

Datum voortzetting voorlopige hechtenis: 8 september 2004

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaken tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond – Huis van Bewaring

De IJssel, Van der Hoopstraat 100 te Krimpen aan de IJssel,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, advocaat te Terneuzen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 7 oktober 2004 en 23 december 2004.

De rechtbank heeft ter terechtzitting de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.W. Boogert en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder parketnummer 12/000046-04 onder 1 primair tenlastegelegde en het onder parketnummer 12/006800-04 onder 4 tenlastegelegde en ter zake van het onder parketnummer 12/000046-04 onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde, parketnummer 12/006800-04 onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde, en rekening houdende met het op de terechtzitting erkende ad informandum gevoegde strafbare feit, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaar, met aftrek van voorarrest. De officier heeft tevens de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen [benadeelde partij a], [benadeelde partij b] en [benadeelde partij c] gevorderd.

Ter terechtzitting is voorts behandeld de vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht betreffende verdachte. Op deze vordering doet de rechtbank heden afzonderlijk uitspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen. De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

(parketnummer 12/000046-04)

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 16 mei 2003, in de gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg de schedel van die [naam slachtoffer] met een (stuk) steen, althans met een hard en/of zwaar voorwerp ingeslagen, in elk geval hevig geweld op het hoofd/de schedel van die [naam slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 16 mei 2003, in de gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet de schedel van die [naam slachtoffer] met een (stuk) steen, althans met een hard en/of zwaar voorwerp ingeslagen, in elk geval hevig geweld op het hoofd/de schedel van die [naam slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

(parketnummer 12/005551-04)

2.

hij op of omstreeks 3 november 2003 in de gemeente Terneuzen, opzettelijk en weder-rechtelijk een schilderij, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting Kunstuitleen Zeeland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

(parketnummer 12/006800-04)

3.

hij op één of meer tijdstitppen in of omstreeks de periode van 4 maart 2004 tot en met 17 maart 2004, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de Irenestraat heeft weggenomen een televisietoestel en/of een computer en/of een toetsenbord en/of een monitor en/of een modem en/of een klok en/of een wasmachine en/of twee (eetkamer)stoelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij a], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel (te weten een bij die woning behorende, doch niet voor gebruik door verdachte(n) bestemde sleutel);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 27 februari 2004 tot en met 29 februari 2004, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit het Stadskantoor aan het Vlaanderenplein heeft weggenomen een computer en/of een beeldscherm en/of een printer en/of (een) telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Terneuzen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 23 februari 2004, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een auto (merk Mercedes) heeft weggenomen een lederen jack en/of parfum en/of 150 Euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij b], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 4 januari 2004, in elk geval op een tijdstip in of omstreeks de periode van 31 december 2003 tot en met 5 januari 2004, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de Irenestraat heeft weggenomen een televisietoestel en/of een dvd-speler en/of een stereocombinatie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij c], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 17 en/of 18 november 2003, in de gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de openbare bibliotheek aan de Oostkant heeft weggenomen twee computers en/of een beeldscherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Openbare Bibliotheek, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 5 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 17 en/of 18 november 2003, in de gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, (een) computer(s) en/of een beeldscherm heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 5 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 17 en/of 18 november 2003, in de gemeente Terneuzen, in elk geval in Nederland, (een) computer(s) en/of een beeldscherm heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen, hetgeen de verdachte in de zaak parketnr. 12/000046-04 onder 1. primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

Het lijk van [naam slachtoffer] is 16 mei 2003 gevonden in een loods aan de Stationsweg 68 te Terneuzen. Bij het forensisch onderzoek is het volgende vastgesteld. Hij is gestorven op de plaats waar hij gevonden. Het is waarschijnlijk dat hij op die plaats is neergeslagen of gevallen. Hij is terwijl hij op die plaats lag meermalen met een stomp voorwerp op het hoofd geslagen en door dat geweld is hij overleden. Het PMI, dat wil zeggen: de tijd tussen de dood en het aantreffen/onderzoeken van het lijk, is ten minste vier weken. Het entomologische rapport d.d. 8 juli 2003 is vooral gebaseerd op de ei-afzetting van de bromvliegensoort Calliphora vicina. Opgemerkt wordt:

“Vermoedelijk zijn de bromvliegen op zijn vroegst in april (voortplantings)actief geworden, zeker wanneer men de temperaturen in aanmerking neemt.”

De conclusie luidt:

“De genoemde poppen van C. vicina wijzen bij de gegeven lage temperaturen op een PMI van minstens 4 weken. Een veel langere PMI kan niet worden uitgesloten; er zijn echter geen entomologische omstandigheden die hierop wijzen.”

De officier van justitie heeft het NFI gevraagd of het PMI nader gepreciseerd kon worden en of er ook een maximum PMI kon worden aangegeven. De forensisch patholoog kon hier niet verder helpen. De entomoloog heeft onder meer geantwoord:

“Hoe lager de temperaturen, hoe geringer de kans op bromvlieginfectie en hoe trager de ontwikkeling van ei tot volwassen vlieg na de infectie. Gedurende de winter en het zeer vroege voorjaar vindt dus i.h.a. geen of slechts een geringe infectie van bromvliegen plaats. Soms treden er wel andere insectensoorten in aantal op. De in de bijlage bij ons rapport geconstateerde samenstelling van de insectenfauna wijst niet op een vroeger koud seizoen, dus niet op een PMI dat zeer veel langer terug kan gaan dan midden april.”

De rechtbank stelt vast dat de entomoloog hier een uitspraak doet over het PMI en niet slechts over het minimum PMI, zoals de officier van justitie ter terechtzitting heeft gesteld.

De rechtbank acht het waarschijnlijk dat [naam slachtoffer] is overleden in de periode van 16 t/m 18 april 2003. De loods waar hij is gevonden is herhaaldelijk door de politie bezocht. Op 3 april 2003 is de politie-inspecteur [N.] geweest op de plaats waar het lijk later is gevonden en heeft geen lijkengeur geroken. Op 9 april 2003 hebben de hoofdagenten [B.] en [H.] in de loods een verdachte gezocht. Ook zij zijn op de bewuste plaats in de loods geweest. Zij hebben geen lijkengeur geroken. Zij zijn van mening dat het lijk door hen opgemerkt had moeten zijn, wanneer het daar op 9 april 2003 reeds had gelegen.

Uit de verklaringen van de getuige [naam getuige] (p. 2549) volgt dat hij er tamelijk zeker van is dat hij op 16 april 2004 [naam slachtoffer] in leven heeft gezien in Terneuzen. Hij relateert de datum aan zijn vertrek naar Engeland op 22 april 2003 en die vertrekdatum staat weer vast aan de hand van een ticket.

Ten slotte is het verslaafde echtpaar [naam getuige b] en [naam getuige c], dat in een ander deel van de loods woonde, op 17/18 april 2004 zonder aanwijsbare reden op stel en sprong uit de loods vertrokken met achterlating van hun schamele bezittingen. Aannemelijk is dat zij hebben gemerkt dat in de loods een lijk lag. Er hing in de loods immers een nog sterkere stank dan normaal. Dat [naam getuige b] het lijk heeft gezien kan ook worden afgeleid uit de verklaring van [naam getuige d] die heeft gezegd dat [naam getuige b] wist te vertellen dat [naam slachtoffer] de hersens waren ingeslagen en dat hij in een grote plas bloed lag. Deze informatie klopt met de situatie die daar uiteindelijk is aangetroffen. Ook hun vertrek uit de loods in die periode wijst erop dat er toen iets bijzonders is gebeurd.

Centraal in de bewijsvoering van de officier van justitie staan de verklaringen van [medeverdachte]. Hij is negenmaal als verdachte door de politie verhoord. Tijdens zijn zesde verhoor heeft [medeverdachte] verklaard dat [naam verdachte] [naam slachtoffer] in de loods heeft doodgeslagen. [medeverdachte] verklaart dat dit in zijn zwervende periode was en dat je als zwerver niet zo’n besef hebt van tijd. (p. 816) Toch kan uit zijn verklaringen worden opgemaakt, op welke datum [naam verdachte] deze doodslag zou moeten hebben gepleegd.

In de eerste plaats houden de verklaringen van [medeverdachte] in dat hij inwoonde bij [naam verdachte] en [getuige e] op de [verblijfadres verdachte] op de dag van de door hem gerelateerde doodslag. Vast staat dat [getuige e] op 27 maart 2003 voor [verdachte] uit die woning is gevlucht en dat er op die dag een einde is gekomen aan het samenwonen van [verdachte] en [getuige e]. Dit sluit reeds uit dat de door [medeverdachte] gerelateerde doodslag is begaan na 27 maart 2003.

In de tweede plaats verklaart [medeverdachte] dat de doodslag is begaan op de bewuste woensdag. Daarmee doelt hij op een woensdag waarover hij eerder al had verklaard in een ander verband. [medeverdachte] verklaart dat hij vrijwel zeker weet dat de doodslag is geschied op de woensdag voordat zijn moeder [getuige f] terugkeerde in Terneuzen vanuit een blijf-van- mijn-lijfhuis te Eindhoven. Verder verklaart [medeverdachte] dat hij vanwege de afwezigheid van zijn moeder zijn hart heeft gelucht bij [getuige g]. De politie heeft vastgesteld dat [getuige f] van 28 februari tot 14 maart 2003 in dat huis te Eindhoven heeft verbleven. [getuige f] heeft die periode als getuige bevestigd. De eerste woensdag vóór 14 maart 2003 valt op 12 maart 2003.

Er zijn diverse getuigen die zeggen uit de mond van [verdachte] te hebben gehoord dat hij een bruine/zwarte met een baksteen heeft geslagen en/of dat in dat kader een jas van [verdachte] is verbrand. Hierbij denkt de rechtbank aan [getuige g], [getuige f] en [getuige e]. Wat er verder zij van die verklaringen, ook zij situeren de gebeurtenissen waarover zij verklaren in februari of maart 2003. In die richting wijst ook de verklaring van [getuige h]. In deze zin ondersteunen zij de verklaring van [medeverdachte] inzake de tijdsaanduiding.

De rechtbank is van oordeel dat deze datum van 12 maart 2003 waarop – naar volgt uit de verklaringen van [medeverdachte] - de doodslag door [verdachte] zou zijn begaan, niet in overeenstemming is te brengen met de hierboven vermelde bevindingen van de entomoloog, te weten dat het PMI niet zeer veel eerder terug kan gaan dan midden april 2003 en de verklaring van [naam getuige a] dat hij [naam slachtoffer] op 16 april 2003 in leven heeft gezien.

Uit de verklaringen van [medeverdachte], ondersteund door die van [getuige g], [getuige f] en [getuige e], volgt dat [naam slachtoffer] rond half maart 2003 gestorven zou moeten zijn, terwijl anderzijds aan de hand van de technische gegevens vast staat dat de dood van [naam slachtoffer] niet eerder dan half april 2003 is ingetreden.

Deze frictie leidt ertoe dat de rechtbank niet anders kan concluderen dan dat hetgeen is verklaard niet ziet op de dood van [naam slachtoffer].

De officier van justitie heeft betoogd dat [medeverdachte] vanaf zijn zesde verhoor informatie heeft gegeven, die bij niemand anders dan de politie en de dader(s) bekend kon zijn. Als zulke informatie heeft de officier van justitie opgesomd:

- de plaats binnen de loods waar de doodslag is begaan;

- het feit dat het slachtoffer is geslagen terwijl hij lag;

- het feit dat zijn aangezicht was verbrijzeld;

- het feit dat het slachtoffer daarna niet meer heeft bewogen.

De rechtbank deelt dit betoog niet. Het laatste feit komt niet van [medeverdachte]. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij [verdachte] naar buiten is gevolgd, nadat [verdachte] was opgehouden met slaan. [medeverdachte] heeft volgens zijn verklaring geen aandacht meer geschonken aan het slachtoffer. Het feit dat het aangezicht van [naam slachtoffer] was verbrijzeld was algemeen bekend, zoals blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte] zelf.

Het eerste feit was waarschijnlijk veel breder bekend dan de politie aanneemt. Na de vondst van het lijk is de omgeving afgezet voor het technisch onderzoek. Talrijke nieuwsgierigen werden geweerd. Maar van buitenaf was goed waar te nemen op welk deel van de loods het onderzoek zich concentreerde. Daar komt bij dat [naam getuige b] zeer waarschijnlijk zelf heeft waargenomen waar en hoe het lijk in de loods lag. Hij behoorde, net als [medeverdachte], tot de scene van verslaafden en zwervers in Terneuzen en in deze kring heeft de doodslag veel onrust veroorzaakt en de tongen losgemaakt.

Dan blijft over het feit dat het slachtoffer is geslagen, terwijl hij lag. Niet uitgesloten kan echter worden dat [medeverdachte] dit feit heeft “geraden”. Hij heeft constant onder de druk van het verhoor zijn verklaringen aangepast en het is geen feit waar iemand die er maar naar raadt niet op zou kunnen komen.

Wat van dit laatste onderdeel ook zij, dit heft de eerder genoemde frictie niet op. De conclusie is dat er zoveel twijfel blijft bestaan, dat [verdachte] behoort te worden vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van [naam slachtoffer].

Tevens is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 is tenlastegelegd. De verdachte moet ook hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 7 primair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

2.

hij op of omstreeks 3 november 2003 in de gemeente Terneuzen, opzettelijk en weder-rechtelijk een schilderij, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stichting Kunstuitleen Zeeland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(parketnummer 12/006800-04)

3.

hij op één of meer tijdstitppen in of omstreeks de periode van 4 maart 2004 tot en met 17 maart 2004, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de Irenestraat heeft weggenomen een televisietoestel, en/of een computer en/of een toetsenbord en/of een monitor en/of een modem en/of een klok en/of een wasmachine en/of twee (eetkamer)stoelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij a], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel (te weten een bij die woning behorende, doch niet voor gebruik door verdachte(n) bestemde sleutel);

4.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 27 februari 2004 tot en met 29 februari 2004, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit het Stadskantoor aan het Vlaanderenplein heeft weggenomen een computer en/of een beeldscherm en/of een printer en/of (een) telefoon(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Gemeente Terneuzen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.

hij op of omstreeks 23 februari 2004, te Sas van Gent, gemeente Terneuzen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een auto (merk Mercedes) heeft weggenomen een lederen jack en/of parfum en/of 150 Euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij b], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

7.

hij op of omstreeks 17 en/of 18 november 2003, in de gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de openbare bibliotheek aan de Oostkant heeft weggenomen twee computers en/of een beeldscherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Openbare Bibliotheek, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 7 primair bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3, 4, 5 en 7 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

2.Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

3.Diefstal door twee of meer verenigde personen.

4.Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7.Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachtes geestvermogens ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde is gerapporteerd door twee gedragsdeskundigen.

Het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport d.d. 17 juni 2004 van K. Visser, psychiater te Breda, vast gerechtelijke deskundige, bevat als conclusie van die deskundige onder meer -zakelijk samengevat- :

Bij betrokkene is een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens geconstateerd. In diagnostische zin te omschrijven als een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport d.d. 16 juni 2004 van dr. Drs. L.E..E. Ligthart, klinisch en forensisch psycholoog en drs. B. Meuwese, forensisch psycholoog, beide vast gerechtelijke deskundigen, bevat geen conclusies van deze deskundigen aangezien verdachte niet aan dit onderzoek wilde meewerken.

Gelet op bovenstaande kan de rechtbank met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte geen rekening houden met een eventueel aanwezige gebrekkige ontwikkeling of stoornis.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Motivering van de op te leggen sanctie[s]

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;

- het hierna te noemen door de officier van justitie ter bepaling van de strafmaat naast de ten laste gelegde feiten op de dagvaarding vermelde en door de verdachte erkende (ad informandum gevoegde) feit;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen dan wel alleen, schuldig gemaakt aan inbraken in een woning, bedrijven en een auto, welke feiten, naast onrustgevoelens ook financiële schade voor de bewoners, gebruikers en eigenaren met zich meebrengt. Daarnaast brengen dergelijke vermogensmisdrijven bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte heeft zich naast deze inbraken ook nog schuldig gemaakt aan zaaksbeschading.

Behalve aan de hiervoor bewezenverklaarde feiten heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan, ‘het volgende, door de verdachte ter terechtzitting én tegenover de politie bekende strafbare feit:

- vernieling van een ruit op 6 maart 2004, parketnummer 12/006800-04;

Het openbaar ministerie heeft het betreffende proces-verbaal gevoegd bij het dossier en door een korte vermelding op de inleidende dagvaarding te kennen gegeven dat dit feit onder de aandacht van de rechter zal worden gebracht en dat de verdachte daarvoor niet apart zal worden vervolgd.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 19 juni 2004;

- het op naam van verdachte staand Persoonsdossier van de Centrale Justitiële Documentatie d.d. 21 juni 2004;

- het over de verdachte uitgebrachte vroeghulprapport d.d. 11 maart 2004 van het Zeeuws Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs, regiobureau Walcheren te Middelburg;

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport d.d. 17 juni 2004 van K. Visser, psychiater;

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport d.d. 16 juni 2004 van dr. Drs. L.E..E. Ligthart, klinisch- en forensisch psycholoog en drs. B. Meuwese, forensisch psycholoog, beide vast gerechtelijke deskundigen;

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij a], [adres benadeelde partij a], heeft zich in verband met feit 3 als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van € 30.000,00.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij a], niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafgeding. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in haar vordering en deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[benadeelde partij b], wonende [adres benadeelde partij b] heeft zich in verband met feit 5 als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak.

De verdachte heeft deze vordering betwist. Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 5 bewezenverklaarde feit. De vordering van deze benadeelde partij kan dus worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die deze benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Uit de beslissing die ter zake van het 6 tenlastegelegde wordt genomen volgt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij c], wonende [adres benadeelde partij c], tot vergoeding van de tengevolge van dat feit geleden schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard en deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 310, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht .

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 6 tenlaste-gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 7 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat de onder 2, 3, 4, 5 en 7 primair bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij verklaart de benadeelde partij [naam en adres benadeelde partij a], niet ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij b], [adres benadeelde partij b] toe.

Zij veroordeelt de verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan deze benadeelde partij te betalen € 600,00. (zeshonderd Euro)

Zij veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Zij verklaart de benadeelde [benadeelde partij c], wonende [adres benadeelde partij c] niet ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Zij heft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door: mr. M.J.M. Klarenbeek, voorzitter, en mrs. F.C.J.E. van Hemert-Meeuwis en I. Dijkman, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Buijze als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 januari 2005.

Mr. Dijkman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.