Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AS7573

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-10-2004
Datum publicatie
24-02-2005
Zaaknummer
04/59
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking exploitatievergunning coffeeshop na wijziging rechtsvorm onderneming. Verandering van omstandigheden in de zin van artikel 1.6 van de APV. weigering om langer te gedogen is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank [woonplaats]

Sector bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

Reg.nr.: 04/59

Inzake: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A. van Vliet, advocaat te Bergen op Zoom

Tegen: de burgemeester van de gemeente Middelburg, verweerder.

I. Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een door verweerder op bezwaar genomen besluit van 19 december 2003 (het bestreden besluit).

Hangende dit beroep heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij uitspraak van 17 december 2003 afgewezen.

Het beroep is op 2 september 2004 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. J.J. Groenenberg, ambtenaar bij de gemeente Middelburg.

II. Overwegingen

1. Eiser is exploitant van coffeeshop [naam coffeeshop] te Middelburg. Aan hem is in het verleden een exploitatievergunning op grond van artikel 106, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening (APV oud) verleend. Tevens is een vergunning alcoholvrij op grond van artikel 9.2, eerste lid, van de Drank- en Horecaverordening (oud) verleend. Eiser behoort blijkens de stukken tot de exploitanten van wie de coffeeshop ingevolge het softdrugsbeleid van de gemeente Middelburg is gedoogd.

2. Bij besluit van 10 september 2003 heeft verweerder besloten om genoemde exploitatievergunning en het verlof alcoholvrij in te trekken. Verweerder heeft in het besluit verder meegedeeld dat de gedoogstatus voor het verhandelen van drugs of het toestaan van handel in drugs in de coffeeshop van eiser met ingang van de onvangstdatum van voornoemd besluit is vervallen.

3. Het bezwaar van eiser tegen het besluit van 10 september 2003 tot intrekking van de vergunning en het verlof is met het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover het bezwaar gericht was tegen het vervallen van de gedoogstatus heeft verweerder het niet-ontvankelijk verklaard.

4. In geschil is of het bestreden besluit op juiste gronden is genomen.

5. Verweerder heeft gesteld dat de coffeeshop op 2 november 2002 in een nieuwe onderneming is ondergebracht. Dit is gebleken bij een controle van de gegevens uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Gelet op het persoonsgebonden karakter van de vergunning en het verlof is tot intrekking besloten. Dat de inschrijving in het handelsregister later weer is gewijzigd, maakt dit niet anders. Verweerder heeft de wijziging van onderneming aangemerkt als een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Middelburg 1997 (APV). Verweerder heeft zich voor zijn standpunt over de niet-ontvankelijk verklaring beroepen op vaste rechtspraak.

6. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet is gestopt met de exploitatie van de coffeeshop en evenmin met zijn onderneming. Hij is de onderneming persoonlijk, in de vorm van een eenmanszaak, blijven exploiteren. De inschrijving in het handelsregister van O. Cheikh als vennoot is een misverstand want het was de bedoeling dat hij als bedrijfsleider met beperkte volmacht zou worden ingeschreven. Volgens eiser is geen sprake van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1.6 van de APV. Eiser stelt voorts dat hij voorafgaand aan de intrekking van vergunning en verlof gehoord had moeten worden. De mededeling over het vervallen van de gedoogstatus is volgens eiser een besluit in de zin van de Awb. De weigering om langer te gedogen is namelijk op rechtsgevolg gericht nu de weigering in haar gevolgen op één lijn kan worden gesteld met toepassing van bestuursdwang. Eiser heeft in dit verband gewezen op een brief van 19 september 2003 waarin verweerder heeft aangekondigd zonodig bestuursdwang toe te passen. Daar komt bij dat in het bestreden besluit is aangegeven dat tegen alle onderdelen van het besluit bezwaar kon worden gemaakt. Het is dan in strijd met behoorlijk bestuur om vervolgens het bezwaar op één onderdeel niet-ontvankelijk te verklaren.

7. De rechtbank gaat van het volgende uit.

8. Krachtens overgangsrecht in de APV die op 28 juni 1997 in werking is getreden, zijn de vergunning en het verlof van kracht gebleven.

9. Artikel 1.5 van de APV luidt: de vergunning, ontheffing of het verlof is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Van dit laatste is de rechtbank niet gebleken.

Artikel 1.6, onder b, van de APV luidt: de vergunning, ontheffing of het verlof kan worden ingetrokken of gewijzigd indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of het verlof, moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of het verlof is vereist.

10. Blijkens de toelichting op artikel 1.6 van de APV hangt de verkrijging ven een persoonsgebonden vergunning uitsluitend of in hoge mate af van de persoon van de vergunningaanvrager, waarbij gedacht wordt moet worden aan diens persoonlijke kwaliteiten zoals het bezit van diploma’s en bewijs van onbesproken levensgedrag. Bij een exploitatievergunning is de persoon van de vergunninghouder van belang om te waarborgen dat de exploitatie zodanig geschiedt dat daardoor de openbare orde of de leef- en woonsituatie niet op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed. Een persoonsgebonden vergunning wordt in beginsel niet overdraagbaar geacht.

11. Uit een uittreksel uit het handelsregister van 19 juni 2003 blijkt dat de coffeeshop met ingang van 5 november 2002 is geëxploiteerd in de vorm van een vennootschap onder firma, waarbij O. Cheikh als medevennoot van eiser is ingeschreven. Volgens het uittreksel mochten beide vennoten onbeperkt namens de vennootschap handelen. Voordien was de coffeeshop een eenmanszaak. Volgens informatie van het handelsregister is O. Cheikh per 24 september 2003 als vennoot uitgeschreven.

12. De rechtbank overweegt als volgt.

13. Gelet op de inhoud van het uittreksel van het handelsregister heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eisers coffeeshop op 5 november 2002 in een andere rechtsvorm is ondergebracht. Daarmee was sprake van een nieuwe onderneming en dit feit is, nu met ingang van voornoemde datum behalve eiser ook O. Cheikh voor de coffeeshop verantwoordelijk was, als een verandering van omstandigheden in de zin van artikel 1.6 van de APV aan te merken.

14. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder op de gegevens van het handelsregister afgaan en rustte op hem geen andere onderzoeksplicht naar de feitelijke situatie dan eiser de gelegenheid bieden om voorafgaand aan het besluit van 10 september 2003 zijn zienswijze kenbaar te maken. Dat is gebeurd bij brief van 14 augustus 2003 maar eiser heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het gegeven dat de brief tijdens de vakantie van eiser is ontvangen komt voor zijn risico. Van schending van de hoorplicht is geen sprake.

15. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser dat de oprichting van de vennootschap onder firma op een misverstand berust aangezien uit verklaringen van O. Cheikh blijkt dat hij beheersdaden verrichtte en medeverantwoordelijk was voor de inkoop van de coffeeshop.

16. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om de exploitatievergunning en het verlof in te trekken. Mede gegeven het feit dat de vergunning en het verlof persoonsgebonden waren, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot intrekking kunnen besluiten.

17. De mededeling van verweerder over de gedoogstatus wordt door de rechtbank aangemerkt als een weigering om nog langer te gedogen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan een dergelijke weigering, behoudens bijzondere omstandigheden, niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. In dit verband kan de rechtbank eiser niet volgen in de stelling dat de weigering om langer te gedogen feitelijk neer komt op het toepassen van bestuursdwang. De enkele mededeling van verweerder in een brief van 19 september 2003 dat bestuursdwang wordt toegepast als eiser niet per direct stopt met het handelen van softdrugs of het toestaan er van, is daartoe onvoldoende redengevend.

De vermelding van een rechtsmiddel in het besluit van 10 september 2003 maakt het voorgaande niet anders.

18. Gelet op het voorgaande heeft verweerder op goede gronden tot niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar tegen het vervallen van de gedoogstatus besloten.

19. De conclusie is dat het bestreden besluit in rechte stand houdt. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

III. Uitspraak

De rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2004 door mr. G.H. Nomes, in tegenwoordigheid van A.F. van Leest, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.