Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AS1990

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
10-01-2005
Zaaknummer
04/266 & 04/273
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AU3341
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vrijstelling en bouwvergunning; aanzienlijke inbreuk op bestaande planologische situatie; onvoldoende ruimtelijke onderbouwing.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer

Reg.nr.: Awb 04/266 en 04/273

Inzake: 04/266; [eisers I] , allen wonende te [woonplaats], eisers,

(hierna te noemen: eisers I)

gemachtigde: mr. J.E. Dijk, advocaat te Dordrecht,

04/273: [eisers II], wonende te [woonplaats], eisers,

(hierna te noemen: eisers II)

gemachtigde: mr. W. Visser, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden

tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes, verweerder.

I. Procesverloop.

Bij besluit van 4 november 2003 heeft verweerder aan de besloten vennootschap De Groene Groep Ontwikkeling b.v. (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (hierna: WRO) en bouwvergunning verleend voor de bouw van 17 woningen aan de Anjelierstraat en 20 appartementen aan de Oostsingel, op het perceel kadastraal bekend sectie F nummer 02295 G 0000 te [woonplaats].

Hiertegen hebben eisers I en II bezwaarschriften ingediend.

Bij besluit van 3 maart 2004, verzonden 5 maart 2004, heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers I en II beroep ingesteld bij de rechtbank.

Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft bij zijn uitspraak van 22 juli 2004 de besluiten van verweerder van 3 maart 2004 en 4 november 2003 geschorst voor zover daarbij vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor de bovenste bouwlagen (de kapverdiepingen) van de appartementengebouwen aan de Oostsingel alsmede voor de meest zuidelijk gelegen woning van het complex woningen aan de Anjelierstraat.

Het beroep is op 8 oktober 2004 behandeld ter zitting. Voor eisers I en II is daar het woord gevoerd door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J.J. Jacobse, advocaat te Middelburg en door J.M. Zandee, werkzaam bij de gemeente Goes.

Vergunninghoudster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M. Hoogesteger, advocaat te Rotterdam.

II. Overwegingen.

1.Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 1:2 van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.Vergunninghoudster heeft aangevoerd, dat betwijfeld moet worden of alle eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb, omdat zij niet allen direct en of volledig zicht hebben op de bouwlocatie. Als voorbeelden noemt vergunninghoudster [namen en adressen belanghebbenden]

3.Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de door vergunninghoudster overgelegde situatieschets alleszins aannemelijk dat alle eisers vanuit hun woningen juist wegens de hoogte van in het bijzonder de aan de Oostsingel te bouwen appartementen zicht daarop zullen hebben. Om die reden kunnen zij allen als belanghebbende worden aangemerkt bij het besluit tot handhaving van de in geding zijnde vrijstelling en bouwvergunning.

4.Gelet op de toelichting daaromtrent ter zitting van gemachtigde van eisers I moet ervan uit worden gegaan dat de door vergunninghoudster genoemde [belanghebbende], die volgens vergunninghoudster geen bezwaren heeft tegen het bouwplan, een ander is dan de [belanghebbende], wonend [adres belanghebbende], die beroep heeft ingesteld.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat laatstgenoemde [belanghebbende] zijn beroep handhaaft.

5.Ingevolge artikel 19, eerste lid van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Ingevolge het tweede lid van artikel 19 WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 44 van de Woningwet (Wonw) mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien - kort gezegd - het bouwen niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit of de Bouwverordening, het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen, of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand.

6.Het bouwplan betreft de bouw van 17 eengezinswoningen aan de Anjelierstraat en 20 appartementen verdeeld over drie appartementengebouwen aan de Oostsingel.

Op het grootste gedeelte van de bouwlocatie was voorheen - aan de Anjelierstraat - een garagebedrijf gevestigd. Daarnaast was op de hoek van de Oostsingel en de Magnoliastraat een vrijstaande woning gelegen. Het terrein waarop de bouw is voorzien is gelegen aan en direct achter de oostelijke singel rond de historische, als beschermd stadsgezicht aangewezen, kern van Goes. De bebouwing aan de Oostsingel bestaat uit 19e eeuwse grotendeels aaneen gebouwde individuele stadswoningen in wisselende bouwhoogten. Daarachter, oostelijk van het stadsblok, bevinden zich in hoofdzaak aaneen gebouwde eengezinswoningen van na 1960, voornamelijk bestaande uit twee woonlagen met kap.

De bouwlocatie vormt aldus een overgangsgebied tussen de stedelijke afronding van de binnenstad door de singel enerzijds en de achterliggende kleinschaligere woongebieden anderzijds.

7.In het vigerende bestemmingsplan Oost I van de gemeente Goes heeft het terrein gelegen aan de Anjelierstraat de bestemming bedrijfsdoeleinden, garagebedrijf. Het perceelsgedeelte op de hoek van de Oostsingel/Magnoliastraat heeft de bestemming woondoeleinden (vrijstaand) met een maximum dakvoethoogte van 4,5 meter, het naastgelegen terrein aan de Oostsingel valt onder de bestemming woondoeleinden, minimum twee aaneen met een maximum dakvoethoogte van 6 meter.

8.Ten behoeve van het bouwplan heeft verweerder het voorontwerp bestemmingsplan “Locatie De Groene”, van 29 augustus 2002, (hierna: het voorontwerp bestemmingsplan) doen opstellen.

9.Gedeputeerde Staten van Zeeland hebben in hun besluit van 25 maart 2003 met betrekking tot de toepassing van artikel 19, tweede lid, WRO bepaald dat burgemeester en wethouders zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan voor projecten die in overeenstemming zijn met onderdelen van een (voor) ontwerp bestemmingsplan, waarover de subcommissie (PCO) voor de gemeentelijke plannen, in het kader van het overleg ex artikel 10 van het Besluit op de ruimtelijke ordening, zonder meer positief heeft geadviseerd.

10. Bij brief aan verweerder van 8 mei 2003, verzonden 13 mei 2003, heeft de PCO, na kennis genomen te hebben van het voorontwerp bestemmingsplan, geconcludeerd dat artikel 19, tweede lid, van de WRO ten aanzien van het bouwplan kan worden toegepast.

11.Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwproject past in het voorontwerp bestemmingsplan en dat dit voorontwerp voorziet in een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de WRO.

12.Eisers verzetten zich tegen het project. Zowel eisers I als eisers II menen dat het voorontwerp bestemmingsplan niet voorziet in een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in artikel 19, eerste lid WRO. Eisers I stellen daartoe dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de strenge eisen die daaraan gesteld moeten worden, nu sprake is van een zeer ingrijpende inbreuk op het planologisch regime.

Volgens alle eisers is onvoldoende aandacht besteed aan de inpasbaarheid van het project bij de architectonische en cultuurhistorische waarden van de omgeving, met name het beschermd stadsgezicht van de binnenstad van Goes en de als beschermd stadsgezicht aan te wijzen Oostsingel. Vooral het appartementencomplex aan de Oostsingel valt door hoogte en massiviteit volledig uit de toon bij de bestaande bebouwing. Ter onderbouwing van hun stellingen verwijzen eisers I naar de door hen overgelegde stedenbouwkundige analyse locatie De Groene, Goes van het Bureau Mattie & de Moor.

Eisers II stellen dat het bouwproject op een aantal onderdelen niet past in het voorontwerp bestemmingsplan. Zij voeren aan dat het bouwplan voor de drie appartementengebouwen aan de Oostsingel voorziet in vier en vijf bouwlagen en aan de Anjelierstraat in drie bouwlagen, in plaats van de in het voorontwerp toegestane drie en vier respectievelijk twee bouwlagen. Voorts voldoet, volgens deze eisers, de afstand tussen de achtergevel van hun woning aan de [adres eisers] en de achtergevel van de meest nabij geprojecteerde woning aan de Anjelierstraat niet aan het bepaalde in artikel 4, lid 3 onder h en g van de voorschriften bij het voorontwerp bestemmingsplan. Eisers menen tevens dat de als glaskasten aangeduide bouwdelen van de woningen aan de Anjelierstraat ten onrechte als ondergeschikte bouwdelen zijn aangemerkt.

Nu het bouwplan op onderdelen niet voldoet aan het voorontwerp bestemmingsplan ontbreekt volgens eisers II voor verweerder de bevoegdheid om de in geding zijnde vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid WRO te verlenen.

Voorts stellen eisers dat verweerder er in het voorontwerp bestemmingsplan ten onrechte vanuit gaat dat in de Anjelierstraat een 30-kilometer regime kan worden gerealiseerd en in verband daarmee een (extra) akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder niet nodig is.

Tenslotte menen eisers I dat niet-planologische argumenten, te weten overwegingen van politieke en/of financiële aard, zoals een dreigende schadeclaim bij het niet doorgaan van het bouwplan, de doorslag hebben gegeven bij het nemen van het besluit tot vrijstelling. Zij wijzen er daartoe op dat verweerder zich in de op 29 oktober en 5 november 2001 ondertekende met vergunninghoudster gesloten exploitatieovereenkomst al vergaand vastgelegd heeft ten aan zien van het bouwproject, zonder dat daaraan gedegen planologisch onderzoek en een planologische onderbouwing ten grondslag lagen. Bovendien blijkt uit die overeenkomst dat zienswijzen, bedenkingen, beroepschriften of uitspraken geen aanleiding mogen zijn tot eenzijdige opzegging van de overeenkomst. Daardoor is geen sprake van een zorgvuldige besluitvorming. Bovendien staat de handelwijze van verweerder op gespannen voet met artikel 2:4 van de Awb. aldus deze eisers.

De rechtbank overweegt als volgt.

13. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het bouwplan een aanzienlijke inbreuk op de bestaande planologische situatie.

14.Ingevolge vaste jurisprudentie moeten naarmate de inbreuk op het geldende planologisch regime groter is zwaardere eisen gesteld worden aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.

15. Het voorontwerp bestemmingsplan met de bijbehorende toelichting bevat de ruimtelijke onderbouwing voor het bouwproject. De toelichting behelst een uiteenzetting van de visie op de herontwikkeling van de bouwlocatie alsmede van de beoogde stedenbouwkundige planopzet. Daarin worden de argumenten gegeven voor de keuze voor het in geding zijnde bouwplan.

16.Niet kan worden ontkend, zoals verweerder heeft gesteld, dat op zichzelf de vervanging van het garagebedrijf door woningbouw als een gunstige ontwikkeling voor het omringende gebied met voornamelijk woonbebouwing kan worden beschouwd.

17.Echter de ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot de verwezenlijking van de appartementengebouwen aan de Oostsingel voldoet naar het oordeel van de rechtbank niet aan de zware eisen, waaraan deze zou moeten voldoen.

Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat gelet op de locatie bij en ter plaatse van de in voorbereiding zijnde aanwijzing van de Oostsingel tot beschermd stadsgezicht alsmede tegenover de Oostwal, die deel uitmaakt van het beschermd stadsgezicht van het centrum van Goes, hoge eisen moeten worden gesteld aan een goede aansluiting op de omgeving.

De rechtbank acht met name onvoldoende gemotiveerd waarom de appartementengebouwen voor wat betreft de aspecten massaliteit en hoogte ten opzichte van de omgeving passend zouden zijn. Zij acht niet goed begrijpelijk waarom, zoals de toelichting op het voorontwerp stelt, de bouwmassa van de appartementengebouwen vergelijkbaar is met de wat bredere exemplaren van de bestaande bouwmassa’s aan de Oostsingel en waarom de gekozen hoogte van 3 en 4 bouwlagen aansluit bij de bestaande bebouwing aan de Oostsingel.

18. De rechtbank baseert dit oordeel op de bovengenoemde door eisers I overgelegde stedenbouwkundige analyse locatie De Groene. Daaruit blijkt dat het geprojecteerde appartementencomplex bestaat uit drie aaneen gebouwde gebouwen, met een nokhoogte van het middelste gebouw van bijna 17 meter en een nokhoogte van de twee gebouwen aan weerszijden van 14 meter elk. De breedte van het hoekgebouw bedraagt 12 meter en van de overige twee gebouwen 17 meter elk.

Blijkens de analyse wijkt deze hoogte evident en in aanzienlijke mate af van de gemiddelde veel lagere bouwhoogte van de bestaande bebouwing, zowel wat betreft nokhoogte als dakvoethoogte.

Wat betreft de breedte is bij de bestaande bebouwing juist sprake van reeksen smalle kavels afgewisseld met een enkele bredere kavel. De bredere kavels zijn 8 tot 9 meter breed, veel smaller dan de breedte van de appartementengebouwen. Er is in de bestaande bebouwing slechts één zeer brede kavel, waarbij de breedte van de appartementengebouwen enigszins aansluit.

19.De rechtbank merkt in dit kader op dat het voor de hand had gelegen dat verweerder deze stedenbouwkundige analyse, nu deze de onderbouwing van de reeds in bezwaar door eisers geponeerde stellingen bevat, had voorgelegd aan de monumenten/welstandscommissie.

Daartoe was te meer reden geweest nu blijkens de voorgeschiedenis het bouwplan in de gemeenteraad van Goes en in de provinciale planologische commissie, alsmede bij adviserende instanties, zeker niet onomstreden is geweest en het bij het voorontwerp gevoegde advies van de welstands/monumentencommissie niet gemotiveerd was.

20.De stelling van eisers, dat in dit geval de afweging en de besluitvorming vooral is ingegeven door financiële en bestuurlijke argumenten treft geen doel. Immers uit de stukken blijkt zonder meer dat ook een planologische afweging heeft plaatsgevonden.

De rechtbank acht ook niet aannemelijk, dat het aangaan van de exploitatie-overeenkomst tot gevolg heeft dat verweerder niet langer zonder vooringenomenheid kan beslissen omtrent dit bouwplan. Het is bij bouwprojecten, die gebouwd zullen worden door een particuliere projectontwikkelaar, geenszins ongebruikelijk dat tevoren een dergelijke exploitatie-overeenkomst wordt afgesloten. Dat behoeft nog niet te betekenen dat niet aan de in artikel 19 WRO gestelde eisen zal kunnen worden voldaan.

Een dergelijke overeenkomst kan bovendien niet afdoen aan de in de WRO en de Awb voorgeschreven procedures en de mogelijkheid voor belanghebbenden om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de besluiten ter zake van het bouwplan. Blijkens de exploitatieovereenkomst, met name artikel 6, zijn partijen zich daarvan volledig bewust.

21.Voor wat betreft de hoogte van de appartementengebouwen voldoet het bouwplan ook niet aan het voorontwerp bestemmingsplan, zoals uit het navolgende zal blijken.

22.Uit artikel 4, lid 3 onder d van de planvoorschriften bij het voorontwerp bestemmingsplan en de daarbij behorende plankaart blijkt dat op de locatie voor de drie appartementengebouwen aan de Oostsingel het maximaal toegestane aantal bouwlagen voor het middelste gebouw vier bouwlagen is en voor de twee aan weerszijden daarvan gelegen gebouwen drie.

23.Ingevolge artikel 1 onder 11 van de planvoorschriften wordt onder een bouwlaag verstaan: een gedeelte van een gebouw, dat (rb: door) op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van kelder en zolder.

24.Volgens het bouwplan zal het middelste appartementengebouw vijf woonlagen krijgen en ieder van de twee gebouwen aan weerszijden vier woonlagen. De vraag is of de bovenste woonlagen, die zich onder de kap van de gebouwen bevinden, moeten worden beschouwd als een volledige bouwlaag.

25. Naar het oordeel van de rechtbank is dat, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State omtrent de betekenis van het begrip bouwlaag, het geval.

De kapverdieping wordt volgens de bouwtekening opgericht met vier schuine zijden en een afgeplatte kap. Blijkens de bouwtekening wijkt de hoogte van de kapverdieping niet af van die van de overige verdiepingen, in alle gevallen 2.98 m. Voorts zijn de kapverdiepingen tenminste aan drie zijden voorzien van ramen. Vaststaat dat het bouwplan voorziet in de realisering van appartementen in de kapverdiepingen. Gelet op een en ander onderscheidt de kapverdieping zich qua omvang, functie en vormgeving niet zodanig van de overige bouwlagen dat zij als een zolder dient te worden aangemerkt.

Voor het oordeel dat een kapverdieping niet tevens als een bouwlaag kan worden aangemerkt zijn in het bestemmingsplan geen aanknopingspunten te vinden.

26. Het bouwplan past voor wat betreft de kapverdiepingen derhalve niet in het voorontwerp bestemmingsplan. Nu het voorontwerp bestemmingsplan juist ten behoeve van dit bouwplan is opgesteld en de ruimtelijke onderbouwing vormt voor de te verlenen vrijstelling, dient het bouwplan daaraan te voldoen.

27.Eisers II menen dat de omstandigheid dat het bouwplan niet voldoet aan het ontwerp bestemmingsplan reeds met zich brengt dat voor verweerder de bevoegdheid ontbrak om een vrijstelling te verlenen. Zij verwijzen daartoe naar het besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 25 maart 2003 met betrekking tot de toepassing van artikel 19, tweede lid van de WRO.

Echter naar het oordeel van de rechtbank dient dit besluit niet op de gestelde wijze geïnterpreteerd te worden. Immers blijkens de tekst van het besluit geeft het aan burgemeester en wethouders een zekere vrijheid om te beoordelen of het project in overeenstemming is met een ontwerp bestemmingsplan. Een onjuiste uitleg van de passendheid brengt dan nog niet met zich dat van onbevoegdheid moet worden gesproken. Bovendien is de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen mede afhankelijk van een positief advies van de subcommisie PCO. Een dergelijk positief advies was in dit geval afgegeven. Voorts blijkt ook uit zowel het primaire als het bestreden besluit dat het verweerders bedoeling was om binnen het kader van het voorontwerp bestemmingsplan vrijstelling te verlenen.

28.De stelling van verweerder dat het bouwplan wel past in het voorontwerp, omdat daarin het bouwplan visueel is gemaakt, treft geen doel. Immers de plankaart met de bijbehorende begripsbepalingen en de voorschriften zijn bepalend. De overigens zeer beperkte visualisering in de toelichting op het plan is daaraan ondergeschikt.

29.Anders dan eisers II stellen is naar het oordeel van de rechtbank bij de kapverdieping van de woningen aan de Anjelierstraat geen sprake van een aparte bouwlaag. Het betreft hier de bovenste etage van eengezinswoningen, die worden gebouwd in blokken van drie, vier en zes woningen. De kapverdieping vormt geen volledige woonlaag, maar het betreft hier alleen (ruimte voor) extra (slaap)kamers. De kapverdiepingen hebben drie of twee schuine zijden met afgeplatte kap. Gelet op deze kenmerken kunnen deze verdiepingen als zolderverdieping worden aangemerkt.

30.Wat betreft de vraag of de afstand tussen de achtergevel van de woning [adres eisers] en de achtergevel van de meest nabij geprojecteerde woning aan de Anjelierstraat voldoet aan de ingevolge artikel 4, lid 3 onder h en g van de voorschriften bij het voorontwerp vereiste afstand oordeelt de rechtbank dat in dit geval geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4 lid 3 onder h. Immers er is slechts gedeeltelijk sprake van tegenover elkaar liggende achtergevels omdat de woningen schuin ten opzichte van elkaar liggen. Alleen de achtergevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw van [adres eisers] (zonder de woonkeuken) ligt, zij het niet loodrecht maar in een hoek van ca 45º tegenover de achtergevel van het pand aan de Anjelierenstraat. Hier voldoet de afstand aan de eisen van genoemde voorschriften.

De achtergevel van het als woonkeuken in gebruik zijnde gedeelte van het hoofdgebouw ligt schuin tegenover de vrijwel blinde zijgevel van de woning aan de Anjelierenstraat.

31.Voor de stelling van eisers II dat de glaskasten geen ondergeschikte bouwdelen zijn heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden in het ontwerp bestemmingsplan. Gezien de aard, omvang en het doel daarvan - toevoeging van een esthetisch accent, alsmede vergroting van de lichtinval in de woningen - kunnen deze als ondergeschikt beschouwd worden.

32. Blijkens het voorontwerp bestemmingsplan zal in de Anjelierstraat een maximumsnelheid van 30 km per uur gaan gelden.

Voor wat betreft de mogelijkheid van de realisering daarvan heeft verweerder terecht gesteld dat niet langer de eis bestaat dat een 30-km weg geen enkele functie voor het doorgaand verkeer mag hebben. Die eis in §4 van de Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens is per 15 september 1999 vervallen. Sindsdien kan een bord A1 30 km/h worden toegepast op iedere weg die voornamelijk een verblijfsfunctie heeft. Daarnaast geldt -onder meer- de eis dat de weg met zijn omgeving waar nodig wordt aangepast om te voorkomen dat de verblijfsfunctie wordt aangetast door een relatief hoge intensiteit van het gemotoriseerde verkeer.

Blijkens de uitspraak van de ABRS van 19 februari 2003, (BR 2003,nr.112) is het mogelijk eerst over te gaan tot realisering van een 30-km zone na de totstandkoming van het bouwproject. Een akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 77 Wet geluidhinder behoeft dan niet plaats te vinden.

33.Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank aanleiding ziet om wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb de beslissing op bezwaar gedeeltelijk te vernietigen. De beroepen zijn dan ook deels gegrond.

34.De rechtbank zal voorts met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb de voorlopige voorziening treffen dat de op 4 november 2003 verleende bouwvergunning voor wat betreft de bouw van de appartementengebouwen aan de Oostsingel wordt geschorst totdat opnieuw op de bezwaren van eisers is beslist.

35.In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers I en II, in beide gevallen tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

36.Voorts zal de rechtbank het verzoek van eisers I tot veroordeling van verweerder in de kosten van de op verzoek van deze eisers door het Bureau Mattie & de Moor opgestelde stedenbouwkundige analyse toewijzen overeenkomstig artikel 2, eerste lid onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht tot een bedrag van € 1299,68.

III. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg

verklaart de beroepen gegrond voor zover gericht tegen de vrijstelling en bouwvergunning voor de appartementengebouwen aan de Oostsingel;

vernietigt het bestreden besluit van 3 maart 2004 voorzover daarbij gehandhaafd zijn de bij besluit van 4 november 2003 verleende vrijstelling en bouwvergunning voor de appartementengebouwen aan de Oostsingel;

treft de voorlopige voorziening dat de op 4 november 2003 verleende bouwvergunning voor wat betreft de bouw van de appartementengebouwen aan de Oostsingel wordt geschorst totdat opnieuw op de bezwaren van eisers is beslist;

verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

bepaalt dat de gemeente Goes aan zowel eisers I als aan eisers II het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 136 (honderdzesendertig euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers I begroot op

€ 1943,68 (negentienhonderddrieënveertig euro en achtenzestig eurocent), aan de zijde van eisers II begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Goes aan eisers I en II.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2004 door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer, griffier.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.