Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AR8455

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
27-10-2004
Datum publicatie
29-12-2004
Zaaknummer
04-1749
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens reorganisatie. CWI nam de noodzaak tot reorganisatie aan maar weigerde ontslagvergunning omdat functie van werknemer niet was vervallen. Ook kantonrechter ziet de noodzaak tot reorganisatie. doordat de werkgever de reorganisatie nu anders invult, is de functie van werknemer nu wel vervallen. Vergoeding met C is 1. Het habenichts verweerd wordt verworpen. Werknemer was ouder dan 50 jaar toen hij bij de werkgever ging werken. Toch tellen dienstjaren dubbel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rep. nummer : 04/1749

uitspraak : 27 oktober 2004

Rechtbank Middelburg

Sector kanton - zitting te Terneuzen

BESCHIKKING

in de zaak van:

de besloten vennootschap

[verzoeker],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekende partij,

verder te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. P.J. van Alten,

t e g e n :

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

verder te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. E.M.J. Nabben.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- verzoekschrift, ingediend op 27 september 2004,

- verweerschrift,

- mondelinge behandeling van 12 oktober 2004;

de beoordeling van de zaak

1. [verzoeker] verzoekt de ontbinding van arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens veranderingen in de omstandigheden. Zij biedt een vergoeding van € 5.027,-- bruto. [verweerder] bestrijdt het verzoek. Als het toch komt tot ontbinding, maakt hij aanspraak op een vergoeding van € 17.596,05 en verzoekt hij rekening te houden met de fictieve opzegtermijn.

2.1. [verzoeker] houdt zich bezig met de groothandel in en verhuur van apparatuur voor het snijden en lassen van metaal en de handel in en verhuur van afzuiginstallaties. Zij verleent ook diensten op het gebied van automatisering.

2.2. [verweerder] is geboren op [geboortedatum] en sinds 1 april 2002 bij [verzoeker] in dienst. Zijn functie is die van servicemonteur tegen een salaris van € 2.347,52 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag.

2.3. Wegens teruglopende resultaten heeft [verzoeker] besloten tot een reorganisatie waarbij drie arbeidsplaatsen zijn geschrapt. Voor drie werknemers, onder wie [verweerder], heeft [verzoeker] een ontslagvergunning aangevraagd.

2.4. De CWI heeft voor twee werknemers ontslagvergunning verleend, maar vergunning voor [verweerder] geweigerd. Volgens de CWI heeft [verzoeker] voldoende aannemelijk gemaakt dat door teruglopende omzet een aanpassing van de kosten en van de personeelskosten noodzakelijk is. Omdat de werkzaamheden van de servicecoördinator zouden worden overgenomen door één van de directeuren, de huidige servicecoördinator weer als servicemonteur zou gaan fungeren en onvoldoende blijkt dat de huidige functie van servicecoördinator uitwisselbaar is met de functie van servicemonteur, is de functie van servicemonteur niet vervallen.

3.1. Volgens [verzoeker] is haar orderportefeuille in 2004 sterk afgenomen. De omzet over 2003 beliep ruim € 1.966.000,--, terwijl op grond van de cijfers over het eerste halfjaar van 2004 voor heel dat jaar een omzet wordt verwacht van ruim

€ 1.707.000,--. Het verlies over 2003 beliep € 2.000,--, terwijl over 2004 een verlies wordt verwacht van ruim € 153.000,--. [verzoeker] is derhalve genoodzaakt om te reorganiseren. De CWI erkent de bedrijfseconomische noodzaak om op de personeelskosten te besparen. De functie van servicecoördinator is noodzakelijk voor de afdeling technische dienst en voor het functioneren van de afzonderlijke servicemonteurs. Deze werkzaamheden kunnen niet allemaal worden overgenomen door de directie. Alleen de verhuuradministratie is een onderdeel van de coördinatiewerkzaamheden dat is overgedragen aan één van de directieleden. De werkzaamheden voor de servicemonteur zijn teruggelopen. Gelet op de anciënniteit dient [verweerder] af te vloeien. De arbeidsovereenkomst van een leerling servicemonteur zal in februari 2005 van rechtswege eindigen. Herplaatsingsmogelijkheden in een passende functie zijn er niet. Het is niet billijk bij de bepaling van de aan [verweerder] toe te kennen vergoeding dienstjaren na zijn vijftigste verjaardag dubbel te tellen, omdat [verweerder] enkele dagen voordat hij vijftig werd bij [verzoeker] in dienst is getreden en een hoge vergoeding [verzoeker] in grote financiële problemen zou brengen.

3.2. [verweerder] betwist de bedrijfseconomische noodzaak van een reorganisatie die onvoldoende is onderbouwd. In het eerste halfjaar van 2003 is een managementvergoeding uitgekeerd van € 51.150,-- voor 1,8 directeur. Deze vergoeding is aan de hoge kant. Verder heeft [verzoeker] opdrachten binnengehaald en staan diverse grotere offertes open. De afdeling technische dienst, waarop [verweerder] werkt, heeft niet te maken met teruglopende werkzaamheden. De werkzaamheden van [verweerder] worden grotendeels door de servicecoördinator overgenomen, terwijl [verzoeker] bij de aanvraag van een ontslagvergunning had gesteld dat de coördinerende taken van de servicecoördinator zouden worden overgenomen door de directie. [verweerder] vindt deze wijziging van standpunt niet geloofwaardig. Ook vraagt hij zich af of de herplaatsingsmogelijkheden daadwerkelijk zijn bezien. Als het komt tot vergoeding maakt hij aanspraak op een vergoeding berekend volgens de kantonrechtersformule met de correctiefactor 2. Dienstjaren boven de 50 dienen wel degelijk dubbel te tellen.

4. De kantonrechter overweegt het volgende over de geschilpunten van partijen.

4.1. De door [verzoeker] geproduceerde cijfers over omzet en resultaten over 2003 en 2004 zijn door [verweerder] onvoldoende gemotiveerd betwist. Ook is niet gebleken dat in de bedrijfseconomische situatie van [verweerder] aanmerkelijk is verbeterd door bijvoorbeeld het binnenhalen van grote opdrachten of concrete vooruitzichten daarop. De kantonrechter komt dan ook evenals de CWI tot de conclusie dat [verzoeker] voldoende heeft aangetoond dat de bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie en kostenbesparingen bestaat. De hoogte van de vergoedingen aan de directie zijn niet van dien aard dat daarin de nodige besparingen kunnen en moeten worden gevonden.

4.2. Na de weigering van de ontslagvergunning voor [verweerder] heeft [verzoeker] een andere invulling gegeven aan de reorganisatie. Zij heeft besloten het takenpakket van de servicecoördinator slechts gedeeltelijk over te dragen aan de directie en voor het overige bij de huidige servicecoördinator te laten. Voor een deel van de werktijd zal de servicecoördinator ook als servicemonteur worden ingezet. Dit is een beslissing die behoort tot de verantwoordelijkheid van [verzoeker] als werkgever en ondernemer. Van onbehoorlijk werkgeversschap getuigt de beslissing niet. Dit betekent dat de functie van één servicemonteur is komen te vervallen.

4.3. Onbetwist is voorts dat op grond van de anciënniteit [verweerder] degene is wiens arbeidsplaats vervalt. De kantonrechter gaat er daarbij van uit, zoals [verzoeker] stelt, dat de arbeidsovereenkomst van een leerling servicemonteur van rechtswege eindigt in februari 2005 en niet wordt verlengd.

4.4. Uit de standpunten van partijen blijkt dat het verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod. De arbeidsovereenkomst tussen partijen moet dan ook worden ontbonden wegens veranderingen in de omstandigheden.

4.5. De noodzaak tot ontbinding is gelegen in bedrijfseconomische omstandigheden, waarvoor aan geen van partijen een verwijt valt te maken. Dit betekent dat aan [verweerder] een vergoeding toekomt volgens de kantonrechtersformule met de correctiefactor 1. Er is onvoldoende reden de dienstjaren na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar niet dubbel te tellen. De kantonrechter gaat evenals [verweerder] uit van 3,5 gewogen dienstjaren. De vergoeding bedraagt derhalve € 8.798,03 bruto. Niet gebleken is dat betaling van dit bedrag voor [verzoeker] onoverkomelijk bezwaarlijk is. In de termijn van de ontbinding of de hoogte van de vergoeding wordt niet de fictieve opzegtermijn meegerekend. Het is de bedoeling van de wetgever de termijn niet ten laste van de werkgever te brengen.

4.6. Omdat de toe te kennen vergoeding hoger is dan de aangeboden vergoeding krijgt [verzoeker] de gelegenheid haar verzoek in te trekken. Bij intrekking zal [verzoeker] als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten. Bij ontbinding is er geen aanleiding om af te wijken van het beleid om in ontbindingszaken de proceskosten tussen partijen te verdelen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

DE BESLISSING

De kantonrechter:

stelt partijen in kennis van zijn voornemen om de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 11 november 2004 onder toekenning aan [verweerder] van een vergoeding van € 8.798.03 bruto;

stelt [verzoeker] in de gelegenheid het verzoek in te trekken ter terechtzitting van 10 november 2004 te 10.00 uur;

en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 11 november 2004;

kent aan [verweerder] een vergoeding toe van € 8.798,03 bruto en veroordeelt [verzoeker] om dit bedrag uiterlijk op 30 november 2004 tegen bewijs van kwijting aan [verweerder] te betalen;

bepaalt dat zowel [verzoeker] als [verweerder] de eigen proceskosten moet dragen;

wijst af wat meer of anders is verzocht;

en voor het geval het verzoek wel wordt ingetrokken:

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van deze procedure, gevallen aan de zijde van [verweerder] en tot op heden begroot op € 360,-- voor het salaris van de gemachtigde van [verweerder].

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Kool, kantonrechter, en uitgesproken ter

openbare terechtzitting van 27 oktober 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.