Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AR4741

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
28-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
12/000089-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feitelijke daders overval Hansweert veroordeeld tot 15 en 18 jaar gevangenisstraf

De rechtbank Middelburg heeft op 28 oktober 2004 de vier verdachten die de overval op een bejaard echtpaar hebben uitgevoerd, veroordeeld tot 15 en 18 jaar gevangenisstraf. Daarnaast moeten zij tezamen met de drie bedenkers van de overval een schadevergoeding van € 21.170,37 betalen aan de weduwe.

In de nacht van 20 op 21 maart is een overval uitgevoerd op de woning van het bejaarde echtpaar uit Hansweert. Bij de overval is bruut en excessief geweld toegepast op het echtpaar. De man is daarbij zo zwaar mishandeld dat hij een paar weken later aan zijn verwondingen is bezweken.

De rechtbank acht de verdachten schuldig aan het medeplegen van doodslag gevolgd en vergezeld door diefstal, van diefstal met geweld en van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachte die de man meerdere malen met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen, is veroordeeld tot 18 jaar gevangenisstraf. De andere twee verdachten die ook in de woning aanwezig waren en eveneens geweld hebben toegepast jegens het echtpaar, zijn elk veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf. De verdachte die tijdens de overval niet in de woning aanwezig was, is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar.

Door het Openbaar Ministerie waren straffen van 15, 16, 17 en 18 jaar geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 12/000089-04

Datum uitspraak: 28 oktober 2004

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 12 mei 2004

Datum voorlopige hechtenis: 14 mei 2004

Opheffing/schorsing voorlopige hechtenis/invrijheidstelling: n.v.t.

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon-en verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, De Schie te Rotterdam,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Goes.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

14 oktober 2004.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.T.C.N. Jeuken en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde, zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie gevorderd deze geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting op vordering van de officier van justitie gewijzigd. De dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn als bijlagen aan dit vonnis gehecht.

Kennelijke schrijffout

In de dagvaarding blijkt ten aanzien van feit 1 nog meer subsidiair, te weten de diefstal met geweldpleging de dood tot gevolg hebbend, dat een gedeelte van de delictsomschrijving - te weten de woorden “aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan” - niet in de tenlastelegging is opgenomen. Dit is, als de tenlastelegging in haar geheel wordt bezien, een kennelijke misslag die onmiddellijk als zodanig herkenbaar is. De rechtbank zal deze misslag herstellen aangezien verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de verklaringen van de verschillende verdachten merkt de rechtbank op dat de verklaringen van [verdachte N], [verdachte D], [verdachte G], [verdachte DM] en [verdachte P] op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen. Daarbij komt dat voornoemde verdachten zichzelf in hun verklaringen belasten ten aanzien van hun aandeel in de overval. Voor zover de verklaringen van de verdachten consistent zijn worden zij door de rechtbank gebruikt als bewijsmiddel en dragen zij bij aan de overtuiging van de rechtbank.

Gelet op het samenstel van de verklaringen van de verdachten en de overige zich in het dossier bevindende stukken gaat de rechtbank ervan uit dat de toedracht van de gebeurtenissen als volgt is geweest.

[verdachte P], [verdachte H] en [verdachte IM] hebben elkaar omstreeks de periode van december 2003/januari 2004 ontmoet en zij hebben toen gesproken over het latere slachtoffer de heer [naam slachtoffer] en de omstandigheid dat in zijn woning veel geld te vinden zou zijn. Ook later is Nello ([verdachte IM]) erop teruggekomen dat hij daar wilde inbreken. Vervolgens heeft [verdachte IM] diverse telefoongesprekken gevoerd met zijn broer [verdachte DM] die daarna vanuit Italië naar Nederland is gekomen, samen met zijn partner [naam partner], en drie Roemeense mannen, te weten [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G]. Het was de bedoeling dat de Roemeense mannen inbraken zouden plegen.

Aangekomen in Nederland op 19 maart 2004 hebben [verdachte DM] en de drie Roemeense mannen [verdachte IM] in zijn woonwagen in Oirschot ontmoet. [verdachte H] is onderdak gaan zoeken voor de Roemenen. Om te voorkomen dat de drie Roemenen in verband zouden kunnen worden gebracht met het kamp in Oirschot heeft [verdachte H] [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] naar een café gestuurd waar ze moesten wachten.

Later op de dag zijn [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] tezamen met [verdachte IM] in de rode auto van

[verdachte DM] naar een parkeerplaats ter hoogte van Tilburg gereden. Daar hebben zij [verdachte P] ontmoet die hen in zijn witte Ford Mondeo is voorgereden naar een parkeerplaats te ’s Heer Hendrikskinderen, nabij Goes. Intussen had zich ook een donkere Audi met daarin [verdachte H] en [verdachte DM] bij de groep gevoegd. [verdachte DM] is in zijn rode auto gaan zitten en [verdachte IM] heeft zowel in de donkere Audi als in de witte Ford Mondeo van [verdachte P] gezeten. De drie auto’s zijn achter elkaar aan naar Hansweert gereden. [verdachte P] heeft de mensen in de rode auto de woning van [naam slachtoffer] aangewezen en daarna zijn de witte en de rode auto teruggereden naar de plek waar de donkere Audi stond te wachten.

[verdachte P] en [verdachte H] hebben tegen [verdachte IM] gezegd dat deze aan de andere Roemeense mannen moest vertellen wat er moest gebeuren. [verdachte IM] vertelde dat er in het huis oude mensen woonden die geld en goud hadden. [verdachte DM] heeft aan [verdachte D], [verdachte N] en [verdachte G] doorgegeven dat er 60.000 of 100.000 euro in een safe zou liggen. De tip was zeker. De buit zou vervolgens tussen zeven personen worden verdeeld, te weten: [verdachte N], [verdachte D], [verdachte G], [verdachte DM], [verdachte IM], [verdachte P] en [verdachte H].

Daarna is [verdachte P] in zijn witte Ford Mondeo weggereden. Ook [verdachte H] is vertrokken en met hem is [verdachte IM] meegereden.

[verdachte DM] en de drie Roemenen zijn bij de woning van de familie [naam slachtoffer] achtergebleven. Om redenen die verder in het midden kunnen blijven is besloten om op dat moment niet in te gaan breken.

[verdachte D], [verdachte N], [verdachte G] en [verdachte DM] hebben zich afgevraagd wat ze aan [verdachte H] en [verdachte P] moesten vertellen nu de inbraak niet was uitgevoerd en de dag na de eerste rit, 20 maart 2004, heeft [verdachte DM] tegen [verdachte H] gezegd dat de deuren te dik waren.

Op 20 maart 2004 in de avond zijn [verdachte DM] en de drie Roemenen opnieuw opgewacht door [verdachte P] die hen opnieuw de weg heeft gewezen naar de woning van de familie [naam slachtoffer]. [verdachte P] heeft daarbij tevens door gebaren duidelijk gemaakt dat de bewoners oude mensen waren van rond de 70 jaar en dat ze rustig aan moesten doen. [verdachte P] is vervolgens weggereden.

Bij de woning aangekomen heeft [verdachte DM] uit de kofferbak de twee bandenlichters en de hamer, die hij van [verdachte H] had gekregen, gehaald en hij heeft deze aan de verdachten [verdachte N], [verdachte G] en [verdachte D] gegeven. [verdachte DM] heeft de drie Roemenen geïnstrueerd de bewoners vast te binden en geweld tegen hen te gebruiken en de drie Roemenen hebben hiermee ingestemd. Een van hen heeft nog gezegd dat het gebruik van geweld in zo’n situatie normaal is. [verdachte DM] is in de auto achtergebleven en de drie Roemenen zijn naar de woning gegaan. De afspraak was dat [verdachte DM] op de drie Roemenen zou wachten.

Toen ze daar voor de woning van de familie [naam slachtoffer] stonden brandde het licht in dat huis nog. Toen het licht uit was zijn [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] door het inslaan van een ruit die woning binnengedrongen. Onmiddellijk daarna heeft [verdachte D] de heer [naam slachtoffer] een vuistslag gegeven en heeft [verdachte N] hem met een hamer zeker twee maal op zijn hoofd geslagen. [verdachte N] heeft hem ook in zijn gezicht geschopt. [verdachte D] en [verdachte N] hebben de zwaar gewonde heer [naam slachtoffer] naar de hal gesleept. [verdachte G] heeft mevrouw [naam slachtoffer] op hardhandige wijze de hal in geduwd en vastgebonden. Ook [verdachte N] en [verdachte D] hebben de slachtoffers vastgebonden.

Nadat [verdachte G] en [verdachte N] de woning hebben doorzocht op onder meer geld en goud hebben de drie mannen de heer en mevrouw [naam slachtoffer] nog wat beter vastgebonden, waarna zij met medeneming van de buit de woning hebben verlaten.

Mevrouw [naam slachtoffer] is erin geslaagd zich te bevrijden en zij heeft hulp ingeroepen. De heer [naam slachtoffer] was echter zo ernstig gewond aan zijn hoofd dat hij op 3 april 2004 is overleden.

De politie is erin geslaagd kort na dit delict [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] aan te houden, mede omdat zij - nadat [verdachte DM] in strijd met de gemaakte afspraak met de auto was weggereden - geen vervoer meer hadden en Zeeland niet konden verlaten.

De rechtbank is op basis van dit feitencomplex en op grond van de navolgende overwegingen van oordeel dat de verdachten [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] alle drie het opzet hebben gehad op de gekwalificeerde doodslag op de heer [naam slachtoffer], de diefstal met geweldpleging jegens mevrouw [naam slachtoffer] alsmede de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de heer en mevrouw [naam slachtoffer].

De manier waarop deze drie verdachten de woning zijn binnengedrongen, terwijl zij doordat het licht in de woning uitging wisten dat de bewoners thuis waren, ging met zoveel lawaai gepaard dat het voor de verdachten duidelijk moet zijn geweest dat de bewoners van de woning daardoor gewekt zouden worden. Het kon niet anders zijn dan dat zij met de bewoners oog in oog zouden komen te staan. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat de drie verdachten bewust de confrontatie met de bewoners hebben gezocht. Het doel van hun handelwijze was om de bewoners zo snel mogelijk nadat zij zich de toegang tot de woning hadden verschaft uit te schakelen. [verdachte D] heeft de heer [naam slachtoffer] meteen nadat hij hem in het huis had aangetroffen een vuistslag gegeven en [verdachte N] heeft onmiddellijk daarna twee keer met de hamer op het hoofd van de heer [naam slachtoffer] geslagen.

Het is voor alle drie de verdachten duidelijk geweest dat de heer [naam slachtoffer] tengevolge van het door [verdachte N] toegepaste geweld zwaar gewond was geraakt. Geen van deze drie verdachten heeft op enig moment gedurende de overval geprobeerd om een eind te maken aan de overval of zich om de slachtoffers bekommerd. Integendeel, voor zij vertrokken, hebben zij alle drie de beide slachtoffers nog beter vastgebonden teneinde te voorkomen dat ze zich konden bevrijden. Daardoor hebben zij ervoor gezorgd dat de slachtoffers zichzelf en elkaar niet konden helpen.

Gelet op het bovenstaande en gelet op de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van de drie verdachten voor en tijdens de overval, gelet op de geweldshandelingen van de drie verdachten en de wijze waarop zij de slachtoffers hebben achtergelaten, is de rechtbank van oordeel dat de drie verdachten een bewust en nauw samenwerkende dadergroep vormden. Daarbij is niet van belang wie van de drie welke rol bij of rond het plegen van de feiten heeft vervuld, maar dient elk van hen als medepleger van de feiten en mitsdien als dader te worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat het medeplegen van de gekwalificeerde doodslag op de heer [naam slachtoffer], van de diefstal met geweld jegens mevrouw [naam slachtoffer] en van de wederrechtelijke vrijheidsberoving ook kan worden bewezen in de zaak tegen [verdachte DM]. Weliswaar was hij niet aanwezig in de woning ten tijde van de overval, maar uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij nauw betrokken is geweest bij de voorbereiding en uitvoering van de overval. Die betrokkenheid heeft bestaan in het vanuit Italië naar Nederland vervoeren van [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] teneinde hen de overval te kunnen laten uitvoeren, het vervoeren van voornoemde drie verdachten naar de woning van [naam slachtoffer], het geven van de opdracht aan voornoemde drie verdachten in te breken in de woning en geld en goud mee te nemen, het verschaffen van de hamer en bandenlichters, alsmede het geven van de opdracht aan [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] geweld te gebruiken jegens de bewoners en hen vast te binden.

Hij heeft daarbij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn medeverdachten in hun gemeenschappelijk streven om geld en goud te stelen en om daartoe geweld te plegen, de in de woning aanwezige personen zodanig zouden verwonden dat daardoor een van hen zou overlijden. Aldus heeft hij opzet, in voorwaardelijke zin, op de dood van een van de slachtoffers gehad.

Over de rol van de verdachten [verdachte P], [verdachte IM] en [verdachte H] overweegt de rechtbank als volgt.

Zij hebben in december 2003/januari 2004 een bespreking gehad waarbij ze hebben gesproken over een inbraak in de woning van de familie [naam slachtoffer]. Ze hebben vervolgens alle drie op hun eigen wijze een bijdrage geleverd aan de voorbereiding van dat plan: Verdachte [verdachte IM] heeft naar aanleiding van die bijeenkomst telefoongesprekken met zijn broer [verdachte DM] gevoerd, die vanuit Italië naar Nederland is gekomen met [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G]. [verdachte P] heeft tot twee maal toe de weg gewezen naar de woning van [naam slachtoffer]. Hij wist dat er oude mensen woonden in de woning en heeft dat ook duidelijk gemaakt aan de drie Roemenen. [verdachte H] heeft voor onderdak gezorgd voor degenen die de inbraak zouden plegen en hij is ook een keer ’s nachts mee naar Hansweert gereden. Voorts heeft hij werktuigen verstrekt.

Uit het voorgaande en uit de overige zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat voornoemde verdachten het opzet hebben gehad op de inbraak. Deze inbraak zou ’s nachts worden uitgevoerd in de woning van bejaarde mensen en er bestond een gerede kans dat deze mensen op dat moment thuis zouden zijn en dat ze in bedwang moesten worden gehouden. De inbraak moest van [verdachte P], [verdachte H] en [verdachte IM] koste wat kost worden uitgevoerd en dit is aan de drie Roemenen en [verdachte DM] duidelijk gemaakt. Aldus acht de rechtbank bewezen dat [verdachte IM], [verdachte P] en [verdachte H] willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hun medeverdachten, van drie van welke ze de achtergronden helemaal niet kenden, zich in een zodanige positie zouden manoeuvreren dat er geweld tegen de bewoners zou worden gebruikt. Aldus hebben zij opzet, in voorwaardelijke zin, gehad op de diefstal met geweldpleging.

Bij de uitvoering van de inbraak met geweld zijn de drie Roemenen en [verdachte DM] echter veel verder gegaan dan de gehele dadergroep had afgesproken. Niet kan worden bewezen dat de doodslag die de feitelijke daders hebben gepleegd door de verdachten [verdachte IM], [verdachte H] en [verdachte P] was beoogd en evenmin kan worden bewezen dat zij daartoe opzet in voorwaardelijke zin hebben gehad.

Ook de omstandigheid dat [verdachte H] twee bandenlichters en een hamer aan [verdachte DM] heeft gegeven doet hieraan niet af, nu uit de verklaring van [verdachte DM] blijkt dat [verdachte H] deze werktuigen heeft gegeven nadat [verdachte DM] tegen hem had gezegd dat de deuren van de woning te dik waren. Uit het leveren van dergelijke inbrekerswerktuigen kan niet worden afgeleid dat [verdachte H] wist dan wel had moeten weten dat één van deze voorwerpen zou worden gebruikt als wapen tegen de bewoners.

De doodslag in al zijn varianten kan dus ten laste van [verdachte IM], [verdachte P] en [verdachte H] niet worden bewezen.

Dat de diefstal met geweld die ten laste van hen kan worden bewezen de dood tot gevolg heeft gehad, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die - ook nu hun opzet niet op die dood was gericht - wel voor hun rekening komt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1 primair

hij in of omstreeks de nacht van 20 op 21 maart 2004 in elk geval in of

omstreeks de periode van 20 maart 2004 tot en met 3 april 2004 te Hansweert,

gemeente Reimerswaal, in elk geval (elders) in Nederland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk L. [naam slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte, en/of

(een of meer van) zijn medeverdachte(n) met dat opzet voornoemde [naam slachtoffer]:

- meermalen, althans eenmaal, met een hamer, en/of een breekijzer, althans een (auto)bandenlichter, althans een metalen staaf, in elk geval met (een) hard(e)

voorwerp(en) (met zeer veel kracht) op/tegen het hoofd, en/of op/tegen het (overig) lichaam

geslagen, en/of

- meermalen, althans eenmaal, met (geschoeide) voet(en), en/of met (gebalde) vuist(en) op/tegen het hoofd, en/of het (overige) lichaam geschopt, en/of gestompt/geslagen,

tengevolge waarvan,

in elk geval ten gevolge van door hem, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n)

opzettelijk gebruikt zeer heftig uitwendig mechanisch botsend geweld op het

hoofd van die [naam slachtoffer] en de daardoor opgetreden verwikkelingen en

weefselschade,

voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

welke (vorenomschreven) doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of

voorafgegaan van na te noemen strafba(a)r feit(en), althans (enig)

strafba(a)r(e) feit(en),

te weten dat hij, verdachte, in of omstreeks de nacht van 20 op 21 maart 2004 te

Hansweert, gemeente Reimerswaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen,

althans laten wegnemen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

in/uit een woning aan de [adres], een aantal sieraden (onder andere twee,

in elk geval een (gouden) horloge, en/of een of meer (gouden) halsketting(en),

en/of een (gouden) ring, en/of een of meer (zilveren) halsketting(en), en/of

een of meer (gouden) armband(en), en/of een (gouden) speld), en/of een of

meerdere geldbedrag(en) (tot een totaal van ongeveer 4615 euro, in elk geval tot een aanmerkelijk totaal), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan L. [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en/of zijn medeverdachte(n),

waarbij verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die voornoemd(e) goed(eren)

en/of geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht, althans

laten brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die

feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of zijn medeverdachte(n) straffeloosheid en/of

het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

2 primair

hij in of omstreeks de nacht van 20 op 21 maart 2004, te Hansweert,

gemeente Reimerswaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen, gedurende

de voor de nachtrust bestemde tijd, in/uit een woning aan [adres],

een aantal sieraden (onder andere twee, in elk geval een (gouden) horloge,

en/of een of meer (gouden) halsketting(en), en/of een (gouden) ring, en/of

een of meer (zilveren) halsketting(en), en/of een of meer (gouden) armband(en),

en/of een (gouden) speld), en/of een of meerdere geldbedrag(en)

(tot een totaal van ongeveer 4615 euro, in elk geval tot een aanmerkelijk

totaal), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam weduwe slachtoffer],

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn medeverdachte(n),

waarbij hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die voornoemd(e) goed(eren)

en/of geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel

van braak, verbreking en/of inklimming, en/of

welke diefstal werd voorafgegaan, en/of vergezeld, en/of gevolgd van geweld,

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam weduwe slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden, en/of gemakkelijk te maken, en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf, en/of zijn medeverdachte(n) hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld, en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn medeverdachte(n)

- meermalen, althans eenmaal, voornoemde [naam weduwe slachtoffer] (op zeer ruwe wijze)

heeft/hebben vastgepakt en/of (vervolgens) tegen de grond en/of een

verwarmingsradiator heeft/ hebben gegooid/geduwd/gesmeten, en/of

- op die [naam weduwe slachtoffer] is/zijn gaan zitten en/of op zeer hardhandige wijze

een hand voor de mond van die [naam weduwe slachtoffer] heeft/hebben gehouden zodat

die [naam weduwe slachtoffer] niet (meer) kon gillen, en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een elleboog in een zij, in elk geval

in/op/tegen (een deelvan) het bovenlichaam van die [naam weduwe slachtoffer] hebben gepord,

en/of

- een doek, en/of een deel van een pyjama, en/of (een) stropdas(sen) in/rond

de mond van die [naam weduwe slachtoffer] heeft/hebben gestopt/gepropt, en/of (vervolgens)

die een doek/pyjama/stropdas(sen) om het hoofd van die [naam weduwe slachtoffer] heeft/hebben

gebonden, zodat die [naam weduwe slachtoffer] geen geluid zou kunnen maken, en/of (hulp)

roepen, en/of

- (vervolgens) die [naam weduwe slachtoffer] de handen, en/of voeten geboeid/vastgebonden met

een draad, en/of kabel, en/of (stuk) doek,

terwijl dat/die feit(en) zwaar lichamelijk letsel voor die [naam weduwe slachtoffer] (diverse

bloeduitsortingen en/of zwellingen op/aan het gehele lichaam en/of

drukgevoelige polsen en/of krasverwondingen in het gezicht) tengevolge heeft

gehad.

3 primair

hij in of omstreeks de nacht van 20 op 21 maart 2004 te Hansweert, in de

gemeente Reimerswaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [naam slachtoffer] en/of [naam weduwe slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid

heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft/hebben is/zijn hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) met dat

opzet

- die [naam weduwe slachtoffer] op zeer ruwe wijze op de grond en/of tegen een

verwarmingsradiator gegooid en/of geduwd, en/of

- (vervolgens) op die [naam weduwe slachtoffer] gaan zitten, en/of

- de handen van die [naam weduwe slachtoffer] geboeid en/of (later) vastgebonden aan de knieën

van die [naam weduwe slachtoffer], en/of

- een doek en/of een deel van een pyama in de mond van die [naam weduwe slachtoffer]

gestopt/gepropt en/of (vervolgens) die een doek om het hoofd van die [naam weduwe slachtoffer]

gebonden, zodat die [naam weduwe slachtoffer] geen geluid zou kunnen maken en/of (hulp)

roepen, en/of

- (nadat die [naam slachtoffer] op zeer ernstige wijze was mishandeld) die [naam slachtoffer] de

handen en/of voeten geboeid met een draad of een kabel, en/of

- een doek en/of een deel van een pyama in de mond van die [naam slachtoffer]

gestopt/gepropt, en/of (vervolgens) die een doek om het hoofd van die [naam slachtoffer]

gebonden, zodat die [naam slachtoffer] geen geluid zou kunnen maken en/of (hulp)

roepen

hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n) (op voormelde wijze) die

[naam slachtoffer], en/of die [naam weduwe slachtoffer] vastgebonden, en/of gekneveld, in elk geval belet

dat hij/zij haar/zijn/hun woning (gelegen aan [adres]) zou(den) kunnen

verlaten, in elk geval opzettelijk tegen haar/zijn/hun wil die [naam slachtoffer] en/of

die [naam weduwe slachtoffer] de vrijheid ontnomen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1 primair

Medeplegen van doodslag, gevolgd en vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

2 primair

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers van het misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

3 primair

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In de nacht van 20 op 21 maart 2004 hebben [verdachte D], [verdachte G] en [verdachte N] een overval uitgevoerd op de woning van de familie [naam slachtoffer]. Op 20 maart 2004 zijn [verdachte N], [verdachte D], [verdachte G] en verdachte samen met [verdachte P] naar de woning gereden. Zij wisten dat de bejaarde bewoners van de woning thuis zouden zijn. [verdachte N] [verdachte D] en [verdachte G] zijn door het inslaan van een ruit de woning binnengedrongen en hebben bruut en excessief geweld toegepast op de bewoners en dan met name op de heer [naam slachtoffer]. [verdachte N] heeft de heer [naam slachtoffer] twee maal met een hamer op het hoofd geslagen. Ook hebben zij hem en mevrouw [naam slachtoffer] vastgebonden en gekneveld.

Na deze verwerpelijke en lafhartige daad hebben zij de woning verlaten met een hoeveelheid

sieraden en geld. [verdachte N], [verdachte D] en [verdachte G] hebben zich totaal niet bekommerd om de toestand van de slachtoffers en met name niet van de heer [naam slachtoffer], terwijl ze wisten dat de heer [naam slachtoffer] zwaar gewond was geraakt. De heer [naam slachtoffer] is ook enkele weken na de overval aan de gevolgen van het bruut geweld overleden.

De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten buitengewoon ernstig. Verdachte en zijn medeverdachten hebben de heer en mevrouw [naam slachtoffer] in hun woning overvallen. In een woning behoort men zich - zeker ’s nachts - veilig en geborgen te voelen. Vooral de meedogenloosheid en de extreme brutaliteit, waarmee zij te werk zijn gegaan, acht de rechtbank weerzinwekkend.

Het plegen van een gekwalificeerde doodslag is een bijzonder ernstig feit. Het doden van een medemens is één van de meest grove schendingen van de rechtsorde. Hierdoor is aan de familie van de heer [naam slachtoffer] onherstelbaar leed toegebracht. Bovendien heeft dit feit een grote schok zowel in de directe omgeving van het slachtoffer, als in de maatschappij in het algemeen teweeggebracht.

Het moet voor mevrouw [naam slachtoffer] zeer schokkend zijn geweest dat ze, naast het feit dat ze zelf slachtoffer was van geweldpleging, ook nog getuige is geweest van het feit dat haar man in doodsnood verkeerde.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 20 juli 2004, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 4 augustus 2004 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, unit Rotterdam, waarin - kort gezegd - wordt meegedeeld dat geen strafadvies wordt uitgebracht;

- een door het Openbaar Ministerie, Parket Hoog Gerechtshof van Cassatie en Justitie te Roemenië in 2004 opgesteld overzicht ten name van verdachte geregistreerde veroordelingen.

De rechtbank neemt in ogenschouw dat alleen [verdachte D] op enig moment een zekere compassie jegens de slachtoffers heeft getoond. [verdachte N], [verdachte G] en [verdachte DM] blijken ook nu nog onverschillig te zijn voor het lot van de slachtoffers. Ze hebben laten blijken alleen oog te hebben voor de nadelen die deze strafzaak voor henzelf oplevert.

De rechtbank is gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van substantiële duur op zijn plaats is. Met betrekking tot de duur van die gevangenisstraf overweegt de rechtbank dat voor [verdachte N] een langere straf is gerechtvaardigd dan die aan medeverdachten [verdachte D], [verdachte G] en [verdachte DM] zal worden opgelegd, omdat hij het is geweest die de heer [naam slachtoffer] met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen.

Vorderingen tot schadevergoeding

De kinderen J. [naam slachtoffer], J. [naam slachtoffer], C.H. [naam slachtoffer], E. [naam slachtoffer] en L. [naam slachtoffer] hebben zich allen als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en hebben allen een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van € 10.000,00. Het betreft in alle gevallen een voorschot op immateriële schadevergoeding.

De verdachte heeft de vorderingen van deze benadeelde partijen betwist.

De wet stelt als eis dat de schade van de benadeelde partijen een rechtstreeks gevolg is van het delict en aan deze eis is bij immateriële schade in het algemeen niet voldaan ten aanzien van de kinderen van het slachtoffer. Om die reden moet de rechtbank de kinderen [naam slachtoffer] niet ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

De rechtbank bepaalt dat verdachte en voornoemde benadeelde partijen ieder hun eigen kosten dragen.

De weduwe mevrouw [naam slachtoffer], wonende te [adres] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een totaalbedrag van € 21.170,37.

Deze vordering bestaat uit de volgende componenten, zoals vermeld op het voegingsformulier benadeelde partij onder 4b:

1. Crematiekosten e.d. € 9.594,37

2. Schoonmaakkosten (restant) € 355,00

3. Reiskosten ziekenhuis en parkeerkosten € 1.221,00

4. Voorschot smartengeld € 10.000,00

5. Kosten overdracht/opvolging onderneming p.m.

6. Testamentskosten (aanpassing) p.m.

7. Kosten overdracht onderneming p.m.

8. Werkzaamheden i.v.m. stakingsbalans e.d. p.m.

9. Diverse kosten p.m.

De verdachte heeft de vordering met uitzondering van de crematiekosten betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering ten aanzien van de punten 1 tot en met 3 niet onrechtmatig of ongegrond is. Vaststaat dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. Daarom moet de vordering op die onderdelen worden toegewezen.

Ten aanzien van het gevorderde voorschot op immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 10.000,00 overweegt de rechtbank als volgt. Dat er immateriële schade is geleden door mevrouw [naam slachtoffer] acht de rechtbank in deze zaak alleszins aannemelijk. Het gevorderde voorschot acht de rechtbank gelet op het door verdachte en zijn mededaders toegebrachte leed redelijk en billijk.

De onder 5 tot en met 9 opgevoerde kosten zijn nog onvoldoende gespecificeerd en kunnen nu niet worden behandeld.

Voorts dient de verdachte - samen met zijn medeverdachten - te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Het door de benadeelde partij gestelde bedrag van € 833,33 acht de rechtbank redelijk en zal worden toegewezen.

Tevens ziet de rechtbank aanleiding tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 21.170,37 ten behoeve van het slachtoffer [naam weduwe slachtoffer]

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 57, 282, 287, 288, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder 1 primair, 2 primair en

3 primair, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij verklaart de benadeelde partijen J. [naam slachtoffer], J. [naam slachtoffer], C.H. [naam slachtoffer],

E. [naam slachtoffer] en L. [naam slachtoffer] niet ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat de benadeelde partijen deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Zij bepaalt dat verdachte en voornoemde benadeelde partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Zij wijst de vordering van de benadeelde partij [weduwe slachtoffer], wonende te [adres] toe. Dit betreft de door haar geleden materiële schade tot een bedrag van € 11.170,37 en de door haar geleden immateriële schade tot een bedrag van

€ 10.000,00, bij wijze van voorschot.

Zij veroordeelt verdachte tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan deze benadeelde partij te betalen een bedrag van € 21.170,37.

Zij veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden, begroot op € 833,00, vermeerderd met de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken kosten.

Zij legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[weduwe slachtoffer], wonende te [adres] te betalen

€ 21.170,37 bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Zij bepaalt daarbij dat voldoening, door verdachte of zijn mededaders, aan de verplichting tot betaling aan de Staat van € 21.170,37 ten behoeve van [weduwe slachtoffer] de veroordeling tot betaling aan [weduwe slachtoffer] tot laatstgenoemd bedrag doet vervallen, alsmede dat betaling van dat bedrag aan [weduwe slachtoffer] de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter,

mrs. R.C.M. Reinarz en F.C.J.E. van Hemert-Meeuwis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.F. Bethlehem als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2004.

Mr. Lameijer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.