Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AR3840

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Ontneming; ontvankelijkheid OM; illegale constructie mestrechten levert besparing van kosten op; toerekening latente waardevermeerdering bedrijf aan direkteur; draagkracht"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige economische kamer

Parketnummer:

Datum uitspraak: 8 oktober 2004

Tegenspraak

U I T S P R A A K

van de rechtbank te Middelburg, meervoudige economische kamer, in de ontnemingszaak tegen:

Naam veroordeelde

1. Procesgang

Op 18 december 2000 is aan de veroordeelde (verder ook: X) betekend een vordering van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg, ertoe strekkende dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van

f. 932.777,00 (€ 432.275,75) ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering is voor het eerst aangebracht ter terechtzitting van deze rechtbank van 16 maart 2001. De vordering is vervolgens op die terechtzitting en de daarop volgende terechtzittingen van respectievelijk 31 augustus 2001, 25 januari 2002, 27 september 2002 en 13 juni 2003 telkens aangehouden wegens beslissingen van deze rechtbank tot (verlengde) schorsing van de vervolging van de veroordeelde in de hoofdzaak vanwege een civielrechtelijk geschilpunt.

Op de terechtzittingen van 12 en 22 september 2003 is de hoofdzaak inhoudelijk behandeld.

Op die zittingen heeft de rechtbank tevens bepaald dat aan de inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering een schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 511d van het Wetboek van Strafvordering zal voorafgaan.

Op 6 oktober 2003 heeft de rechtbank eindvonnis gewezen in de hoofdzaak. Tegen dit vonnis heeft de veroordeelde op 23 oktober 2003 hoger beroep ingesteld.

Ter schriftelijke voorbereiding van de ontnemingsvordering zijn de navolgende stukken gewisseld:

? conclusie van antwoord (met producties) van de raadsman van veroordeelde, ingekomen op 16 december 2003;

? conclusie van repliek (met bijlagen) van de officier van justitie,

ingekomen op 2 februari 2004;

? conclusie van dupliek (met producties) van de raadsman van veroordeelde,

ingekomen op 2 maart 2004.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de inhoudelijke behandeling van de vordering

zal plaatsvinden ter terechtzitting van 25 mei 2004. Op verzoek van de verdediging is de behandeling op die zitting uitgesteld. De nadere terechtzitting is bepaald op 10 september 2004. Een verzoek van de verdediging tot verder uitstel van de behandeling is afgewezen.

2. Onderzoek van de zaak

Deze uitspraak is gedaan naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 september 2004.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie in

dit arrondissement mr. J. Zondervan en van hetgeen door de raadsman, als bepaaldelijk gevolmachtigd raadsman van veroordeelde, mr. A.A.M. van Beek, advocaat te Tilburg,

naar voren is gebracht. De raadsman van de veroordeelde heeft op die zitting nog enkele producties in het geding gebracht.

Op de genoemde terechtzitting is op verzoek van de verdediging als getuige gehoord:

mevrouw(getuige), administratief medewerkster in dienst van (de bedrijven van) de veroordeelde ten tijde van de feiten waarop de ontnemingsvordering betrekking heeft.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van het strafdossier en het ontnemingsdossier betreffende veroordeelde in de zaak met bovengenoemd parketnummer, daaronder begrepen:

? het vonnis van deze rechtbank van 6 oktober 2003;

? het financieel rapport (met bijlagen) inzake (bedrijf 1) en de veroordeelde van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nummer FA45, d.d. 17 september 1999, dat is opgemaakt en ondertekend door de rapporteurs G.D. Heeringa, ambtenaar AID, en N.A.A. van Trigt, als forensisch accountant werkzaam bij de AID;

? het aanvullend financieel rapport (met bijlagen) inzake (bedrijf 1), nummer FA45A, d.d. 11 oktober 1999, dat is opgemaakt en ondertekend door de rapporteurs G.D. Heeringa en N.A.A. van Trigt, voornoemd, en

? het rapport van [NAAM ACCOUNTANT] accountants–belastingsadviseurs–juristen, d.d. 17 april 1997, ondertekend te Veghel door [naam accountant], accountant, gericht aan de Beheermaatschappij [X]., t.a.v. veroordeelde, betreffende: financiële prognose project Zeeland (bijlage 0/D/296 bij het proces-verbaal nummer 1888/97/0170 van de AID, Inspectie Zuid-Nederland, in de hoofdzaak tegen veroordeelde).

3. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Van de zijde van de veroordeelde is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens schending van de beginselen van behoorlijke procesorde

De raadsman van de veroordeelde heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie in de onderliggende hoofdzaak tegen de veroordeelde en - in combinatie daarmee - in de gelijktijdig behandelde strafzaak tegen het (eveneens veroordeelde) bedrijf van de veroordeelde, de Beheermaatschappij [X] BV, voor wat betreft de afdoening van het zowel aan veroordeelde als diens bedrijf tenlastegelegde economisch milieudelict van artikel 14 lid 2 (oud) van de Meststoffenwet, geldboetes heeft geëist van respectievelijk € 10.000,00 en

€ 250.000,00 aan de hand van de tarieflijst voor die verweten gedraging (de beweerdelijke overschrijding van het productieplafond van de mestproductierechten), neerkomend op een bedrag van € 4,54 per kilogram teveel geproduceerde fosfaat.

De raadsman stelt dat het bepalen van geldboetebedragen op tarieflijsten, gezien de tekst van de huidige aanwijzing ontneming van het college van procureurs-generaal (van 1 november 2002, nummer 2002A011) en de daaraan voorafgaande ontnemingsrichtlijnen, mede is geschied met het oog op de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat door de strafbare gedraging is verkregen. Volgens de raadsman heeft het openbaar ministerie de veroordeelde en diens bedrijf steeds als een financiële en economische eenheid beschouwd. Zo er derhalve door de bewezenverklaarde overtreding van de Meststoffenwet al enig wederrechtelijk economisch voordeel is genoten, is dit voordeel al afgeroomd in het totale bedrag van de geëiste geldboetes, aldus de raadsman. Het bedrag van de voor het bedrijf van de veroordeelde geëiste geldboete is nog gematigd vanwege de slechte financiële positie van die onderneming, aldus de raadsman.

Volgens de raadsman is er, gelet op de aanwijzing/richtlijnen inzake het instellen van een afzonderlijke ontnemingsvordering, die het openbaar ministerie op grond van beginselen

van behoorlijke procesorde binden, derhalve geen ruimte meer voor een afzonderlijke ontnemingsvordering tegen de veroordeelde. Dit zou immers betekenen dat het (beweerdelijk) wederrechtelijk genoten economisch voordeel tweemaal wordt ontnomen, te weten: eenmaal vervat in de geldboete tegen de Beheermaatschappij [X] BV en eenmaal in het kader van deze ontnemingsprocedure tegen de veroordeelde.

Als de officier van justitie zijn strafeisen heeft gebaseerd op de straftoemetingsrichtlijn behorende bij de Wet Herstructurering Varkenshouderij 2002 (verder Whv), zoals deze bij diens conclusie van repliek heeft gesteld, dan zijn de strafeisen volgens de raadsman alleen al onjuist omdat die richtlijn, die geen terugwerkende kracht heeft, ziet op overtredingen van de per 1 september 1998 in werking getreden Whv en niet ziet op overtreding van artikel 14 lid 2 (oud) van de Meststoffenwet, die volgens de tenlastelegging vóór die datum zijn gepleegd. Met een beroep op het oordeel van het gerechtshof te Leeuwarden in zijn arrest van

28 februari 2002 (M en R 2002,72) heeft de raadsman gepleit tot niet-onvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vordering.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van dit verweer op de gronden die in zijn conclusie repliek nader zijn omschreven.

De rechtbank oordeelt over dit verweer als volgt.

De door de raadman bedoelde aanwijzing/richtlijnen bevatten ten aanzien van het instellen van een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van economische en milieudelicten telkens de volgende paragraaf:

De afdoening van economische en milieudelicten vindt in zeer veel gevallen plaats

aan de hand van transactie- en tarieflijsten. Bij het opstellen van de daarin opgenomen richtbedragen is mede gestreefd naar ontneming van het economisch voordeel dat door de strafbare gedraging is verkregen. Vooralsnog kunnen ontnemingsrichtlijnen achterwege blijven voor delicten waarop transactierichtlijnen of tarieflijsten van toepassing zijn. In het andere geval dient met inachtneming van deze aanwijzing een ontnemingsvordering te worden ingesteld.

Uit de tekst van de genoemde aanwijzing/richtlijnen volgt dat de officier van justitie bij het stellen van zijn strafeis in de onderliggende hoofdzaak duidelijk zal moeten aangeven dat hij een ontnemingsvordering wil indienen en dat zijn strafeis daarop is afgestemd.

In de ontnemingszaak waaraan de raadman refereert is door het gerechtshof te Leeuwarden als vaststaand aangenomen dat de officier van justitie zijn strafeis in de daaraan onderliggende strafzaak heeft geformuleerd aan de hand van de tarieflijsten en dat er daarom geen ruimte meer was voor een afzonderlijke ontnemingsvordering.

Van die situatie is in de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde en de gelijktijdig behandelde strafzaak tegen het bedrijf Beheermaatschappij [X] BV echter geen sprake.

Om te beginnen hebben de door de raadsman genoemde strafeisen van de officier van justitie (van respectievelijk € 10.000,00 en € 250.000,00) niet alleen betrekking op drie opzettelijke overtredingen van artikel 14 lid 2 (oud) van de Meststoffenwet, maar tevens op de door de officier van justitie in beide strafzaken telkens elf andere bewezen geachte misdrijven. Bovendien heeft de officier van justitie in zijn requisitoir heel duidelijk aangegeven dat hij

de hoogte van geëiste geldboetes heeft gematigd, juist omdat in de aangekondigde ontnemingsprocedure nog een verrekening van het economisch voordeel zou volgen. De officier van justitie heeft voor zover hier van belang bij zijn requisitoir verklaard – zakelijk weergegeven -:

Slechts 1,5% van de in 1997 door de varkens van de verdachte in de stallen te

Oostburg totaal geproduceerde mest (bijna 100.000 kg fosfaat) was gedekt door

mestproductierechten. Volgens de richtlijn strafvordering Wet Herstructurering

Varkenshouderij 2002 bedraagt het boetetarief bij overschrijding

mestproductierechten € 4,50 per kilogram teveel geproduceerde fosfaat, eventueel

te vermeerderen met een bedrag ter afroming van het economisch voordeel.

Dat zou in dit geval betekenen dat ik alleen al voor zaak 0 - feit 1 op de

tenlasteleggingen van verdachte en van de Beheermaatschappij [X]

BV - een geldboete zou kunnen eisen in de orde van grootte van € 500.000,00. Alle

andere feiten betreffende verdachte en diens bedrijf zouden dan nog niet eens zijn

meegerekend. Ik zal dit bedrag niet eisen, omdat nog een nadere verrekening van

het economisch voordeel zal volgen in de aangekondigde ontnemingsprocedure.

Gelet op het bovenstaande staat vast dat de officier van justitie het door de strafbare overtredingen van de Meststoffenwet eventueel verkregen wederrechtelijk economisch voordeel niet in zijn strafeisen ter zake van die delicten in de strafzaken tegen de veroordeelde en diens bedrijf heeft verdisconteerd.

Dat de officier van justitie zijn strafeisen voor wat betreft die overtredingen heeft gebaseerd

op de tariefstelling van het uitbreidingsverbod als bedoeld in artikel 15 Whv, genoemd in de Richtlijn voor strafvordering Whv 2002, doet hier niet aan af.

Zo een strafeis in de hoofdzaak op basis van een onjuiste straftoemetingsrichtlijn al de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in een op die hoofdzaak volgende ondernemingsvordering kan raken - volgens de rechtbank is dat niet het geval -, ziet de

door de officier van justitie in de onderliggende strafzaak gebezigde straftoemetingsrichtlijn eveneens op overschrijding van het productieplafond van het mestproductierecht voor varkens. Die straftoemetingsrichtlijn is in werking getreden op 1 januari 2002 en is volgens de daarin opgenomen bepaling van overgangsrecht van toepassing op de strafrechtelijk gehandhaafde bepalingen voortkomende uit de Whv die op datum van inwerkingtreding van die richtlijn nog niet onherroepelijk in hoogste feitelijke instantie zijn afgedaan.

Al met al vermag de rechtbank dan ook niet in te zien waarom het openbaar ministerie

niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de ontnemingsvordering wegens schending van de beginselen van behoorlijke procesorde.

Het verweer wordt verworpen.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vordering leiden.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering.

4. Beslissing in de strafzaak tegen de veroordeelde

De meervoudige economische kamer van deze rechtbank heeft bij vonnis van 6 oktober 1997 aan de veroordeelde ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 primair, 2 primair, 3 primair (onder A, B en C), 4 primair (onder A, B en C), 5 primair (onder A, B en C), 6 primair (onderdeel voorschrift 10.2.) 7 primair, 9 primair, 11 primair (telkens: onderdeel mestzak) en 12 primair bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

1 primair.

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 14,

tweede lid, van de Meststoffenwet (oud), meermalen gepleegd;

2 primair.

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

3 primair (onder A, B en C) en 6 primair (onderdeel voorschrift 10.2).

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, meermalen gepleegd;

4 primair (onder A, B en C).

De voortgezette handeling van: Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, driemaal gepleegd;

5 primair (onder A, B en C).

De voortgezette handeling van: Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 45 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, viermaal gepleegd, en

7 primair, 9 primair, 11 primair (telkens: onderdeel mestzak) en 12 primair.

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud en nieuw), meermalen gepleegd,

voor wat betreft de misdrijven een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met afrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren opgelegd en zij heeft

de veroordeelde voor die feiten tevens veroordeeld tot het betalen van een geldboete van

€ 9.000,00 subsidiair 90 dagen hechtenis. Voor wat betreft de bewezenverklaarde overtredingen is veroordeelde veroordeeld tot het betalen van zeven geldboetes van elk

€ 350,00 telkens subsidiair 7 dagen hechtenis.

5. Vordering van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 10 september 2004 gepersisteerd bij

de vordering. Die vordering houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van f. 932.777,00 (€ 432.275,75), ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in de onderliggende strafzaak (onder 1) bewezenverklaarde strafbare feiten.

De officier van justitie gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de netto opbrengst van f. 32,42 per afgeleverd vleesvarken in 1997, genoemd in het aanvullend financieel rapport nummer FA 45 en berekend op basis van het financieel verslag van [NAAM ACCOUNTANT] over het jaar 1997 inzake (bedrijf 1), dat door de veroordeelde aan de AID is overhandigd. Het niet door mestproductierechten afgedekte totaal aantal afgeleverde vleesvarkens in het jaar 1997 is op pagina 4 van dat rapport berekend op: 28.909 – 136 = 28.773 x f. 32,42 = (afgerond) f. 932.777,00.

6. Beoordeling van de vordering

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de veroordeelde tot het hierna te vermelden bedrag wederrechtelijk voordeel verkregen - daaronder begrepen besparing van kosten - door middel van of uit de baten van de in zijn strafzaak onder 1 bewezenverklaarde strafbare feiten. De vordering van het openbaar ministerie kan derhalve in zoverre worden toegewezen als hierna zal worden aangegeven.

7. Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de veroordeelde het hiervoor bedoelde voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van de uitspraak met de bewijsmiddelen vereist in een aan deze uitspraak gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Motivering van de op te leggen maatregel

De rechtbank neemt als grondslag van de vordering de onder 1 voormelde feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld bij het hierboven genoemde vonnis.

Uit dat vonnis blijkt dat de veroordeelde vanaf medio 1997 in drie stallen in Oostburg varkens heeft gehouden terwijl hij wist dat er ten behoeve van die stallen onvoldoende mestproductierechten aanwezig waren. De veroordeelde is daarop een samenwerkingsverband aangegaan met een aantal akkerbouwers met de bedoeling om de bij de landbouwgronden van die akkerbouwers behorende mestproductierechten bij die stallen in te brengen. Hierdoor behoefde veroordeelde zelf geen mestproductierechten aan te schaffen, waardoor hij kosten heeft bespaard. Daartegenover had de veroordeelde wel meerkosten in de zin dat hij de akkerbouwers moest betalen voor de rechten die zij zouden inbrengen. De veroordeelde wist op dat moment dat hij het risico liep, dat die constructie niet door de beugel kon.

Hij was er immers door zijn juridisch adviseur voor gewaarschuwd dat grondgebonden mestproductierechten die na 1 januari 1997 worden benut in de toekomst niet omgezet worden in varkensrechten. De genoemde adviseur heeft verklaard dat [NAAM ACCOUNTANT] de veroordeelde heeft geadviseerd rustig aan te doen omdat [NAAM ACCOUNTANT] eerst zekerheid wilde hebben over juridische kaders, maar dat de veroordeelde tóch verder wilde met het oog op de financiering.

Aldus handelend heeft de veroordeelde na de nodige bedrijfseconomische afwegingen welbewust gekozen voor een inrichting van de bedrijfsvoering die de kans inhield dat daarmee de wet zou worden overtreden. Onder die omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank het wederrechtelijk voordeel te worden berekend door vergelijking met dezelfde activiteit indien deze met legale middelen was ondernomen (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2004, nummer 00553 03P, JOW 2004/11).

Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank uit van het volgende.

In de legale situatie had de veroordeelde kosten gehad bestaande uit de aankoop van de mestproductierechten. De aanschafwaarde van die mestproductierechten is door [NAAM ACCOUNTANT] in

de financiële prognose project Zeeland van 14 april 1997 (onder immateriële vaste activa, alternatief 1) begroot op f. 4.700.000,00, met een afschrijfmethode van 10% per jaar.

De raadsman heeft betoogd dat [NAAM ACCOUNTANT] aan de hoge kant is gaan zitten met de kosten van de mestproductierechten. Deze zijn volgens hem kennelijk gebaseerd op het toen geldende prijsniveau van mestproductierechten in het concentratiegebied. Zeeland viel buiten dat gebied. Het prijsniveau van mestproductierechten buiten het concentratiegebied was toentertijd veel lager, aldus de raadsman.

De rechtbank acht het door [NAAM ACCOUNTANT] gehanteerde prijsniveau, in weerwil van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht, aannemelijk (het betrof immers een prognose voor het gebied Zeeland) en zij neemt dat prijsniveau dan ook tot uitgangspunt bij de schatting.

Bij de berekening van de investering voor mestproductierechten is in de [NAAM ACCOUNTANT]-prognose uitgegaan van 20.000 vleesvarkens. In werkelijkheid hadden de drie stallen een totale capaciteit van 27.000 varkens. Blijkens het vonnis in de hoofdzaak (feit 5 onder A, B en C) hield de veroordeelde in de drie stallen tezamen feitelijk zelfs 30.358 varkens. Ten gunste van de veroordeelde zal de rechtbank bij de berekening van het voordeel een gemiddeld aantal van 27.000 vleesvarkens tot uitgangspunt nemen. Zij zal, eveneens ten gunste van veroordeelde, ervan uitgaan dat dit gemiddeld aantal varkens in 1997 slechts voor een periode van een half jaar is opgelegd.

Door het benutten van grondgebonden mestrechten van de akkerbouwers heeft de veroordeelde in 1997 kosten bespaard, bestaande uit de rente en afschrijving op de gemiddelde investering in mestproductierechten, verminderd met de werkelijk aan de akkerbouwers betaalde vergoedingen voor huren en pachten van hun rechten.

De rechtbank neemt de berekening van de besparing van kosten over uit de bijlage 7 bij het financieel rapport (met bijlagen) inzake (bedrijf 1) en de veroordeelde van de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, nummer FA45, d.d. 17 september 1999.

Die berekening luidt als volgt.

Meerkosten:

Uitgangspunt: investering in legale mestproductierechten voor 27.000 vleesvarkens:

f. 4.700.000,00 : 20.000 = f. 235,00 x 27.000 = f. 6.345.000,00.

1. Rente

6 % over de gemiddelde investering in mestproductierechten:

Investering medio 1997: f. 6.345.000,00

Afschrijving 10% x ½ jaar f. 317.250,00 -

Eindwaarde 31 december 1997: f. 6.027.750,00.

Gemiddelde investering

(6.345.000,00 + 6.027.750,00) : 2 = f. 6.186.375,00.

Rente is f. 6.186.375,00 x 6% x ½ jaar = f. 185.591,00

2. Afschrijving

f. 6.345,000,00 x 10% x ½ jaar = f. 317.250,00 +

Samen: f. 502.841,00

Minderkosten:

Het bedrag van de in 1997 werkelijk aan de akkerbouwers betaalde

vergoedingen (neerkomend op een vergoeding van f. 250,00 per

ingebrachte hectare), volgens de financiële gegevens van

(bedrijf 1), totaal: f. 233.329,75 –

Besparing van kosten voor het jaar 1997: f. 269.511,00

=========

Het wederrechtelijk voordeel – bestaande uit besparing van kosten – wordt door de rechtbank op dit bedrag van f. 269,511,00 (€ 122.298,75) vastgesteld.

De raadsman van de veroordeelde heeft aangevoerd dat het eventueel verkregen wederrechtelijk voordeel niet kan worden beschouwd als voordeel van de veroordeelde. Het voordeel is ook op geen enkele wijze (middellijk noch onmiddellijk) ten goede gekomen aan de veroordeelde. De raadsman heeft daarbij gerefereerd aan de verklaring van de getuige ter zitting, destijds administratief medewerkster van de [X]-groep, mevrouw (getuige), inhoudende dat het resultaat dat (bedrijf 1) in 1997 met de varkenshouderijen in Oostburg heeft behaald bruto circa f. 147.000,00 bedroeg, dat hiervan f. 53.000,00 aan

(vennootschaps-)belasting is betaald en dat de rest in de onderneming is blijven zitten en op geen enkel moment is uitgekeerd. De intrinsieke waarde van het bedrijf is slechts met het bedrag ná belasting gestegen. De juiste vermogenspositie van het bedrijf per 31 december 1997 bestond uit het gestorte kapitaal van f. 42.000,00 vermeerderd met het netto resultaat over 1997 (zie pagina 18 van het rapport), derhalve circa f. 100.000,00.

Overigens zijn de aandelen, na overleg met [NAAM ACCOUNTANT], tegen de nominale waarde overgedragen aan de akkerbouwers. Het jaarverslag over 1997 is in 1999 vastgesteld. Toen is besloten dat het resultaat over 1997 zou worden uitgekeerd in de vorm van dividend. In 1998 is echter het positieve resultaat van 1997 omgeslagen in een negatief resultaat, hetgeen geleid heeft tot een negatief eigen vermogen. Daarom was het niet toegelaten het bedrag uit te keren. Van het kunstmatig drukken van de resultaten van (bedrijf 1) was geen sprake. Op pagina 10 van het financieel rapport is door de betrokken rapporteurs aangegeven dat zij niet hebben kunnen vaststellen dat het resultaat van (bedrijf 1) negatief is beïnvloed door een bepaalde wijze van facturering.

Volgens de raadsman is zelfs geen begin van bewijs voorhanden dat (een deel van) het netto resultaat direct noch indirect via de Beheermaatschappij [X], aan de veroordeelde is uitgekeerd, reeds omdat daar geen nader onderzoek naar is gedaan.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de stukken blijkt dat de veroordeelde gedurende het gehele jaar 1997 als directeur en/of aandeelhouder van (bedrijf 1) optrad. Aanvankelijk trad (bedrijf 1) naar buiten als een BV in oprichting. Later, namelijk vanaf de datum van de oprichting van die besloten vennootschap op 15 september 1997 (en in ieder geval tot 19 januari 1998) was enig aandeelhouder en directeur van (bedrijf 1): de Beheermaatschappij [X] BV. Die Beheermaatschappij was eveneens enig bestuurder/aandeelhouder van de in verband met de exploitatie van de varkenshouderijen in Oostburg op 31 december 1996 respectievelijk op 17 januari 1997 en op 3 juli 1997 opgerichte vijftien andere besloten vennootschappen. De vorderingen en schulden die de genoemde BV’s onderling op elkaar hadden, werden via de afzonderlijke administraties van die BV’s aan elkaar gedebiteerd en gecrediteerd. De veroordeelde was al die tijd (persoonlijk en al dan niet via zijn besloten vennootschap (bedrijf 2) enig aandeelhouder en directeur van de Beheermaatschappij [X] BV.

Blijkens de stukken van de strafzaak had de veroordeelde niet alleen op papier, maar ook feitelijk zeggenschap binnen (bedrijf 1). Hij kocht varkens in, werd geraadpleegd inzake de te volgen gang van zaken in de stallen en hij bemoeide zich onder meer met het aantrekken van personeel. Ook de ter zitting gehoorde getuige mevrouw (getuige) heeft verklaard dat zij en haar collega op kantoor voor wat betreft hun administratieve werkzaamheden ten behoeve van de varkenshouderijen in Oostburg opdrachten en instructies kregen van de veroordeelde. Voordat de financiering met betrekking tot de varkenshouderijen in Oostburg rond was, stond de veroordeelde in 1997 bij de bank ook persoonlijk garant voor de financieringen ten behoeve van al “zijn” bedrijven.

Met het hiervoor berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van € 122.298,75 heeft de veroordeelde, doordat minder kosten werden gemaakt, de vermogenspositie van (bedrijf 1) verbeterd. Nu de veroordeelde directeur was van Beheermaatschappij [X] BV, die op haar beurt directrice was van (bedrijf 1), en hij daarvan tevens (indirect) enig aandeelhouder was in de van belang zijnde periode, moet het er voor worden gehouden dat het verkregen voordeel, de (latente) waardevermeerdering van (bedrijf 1), ten voordele van veroordeelde heeft kunnen strekken. Het feit dat dit, kort gezegd, via de Beheermaatschappij [X] BV, liep doet daaraan niet af. Dat voordeel van (bedrijf 1) dient aan veroordeelde te worden toegerekend nu hij, zoals hiervoor overwogen, daadwerkelijk alle besluiten heeft genomen die tot de verbetering van die vermogenspositie hebben geleid. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de veroordeelde, naarmate het voordeel in de loop van de bewezenverklaarde periode aan (bedrijf 1) is opgekomen, van deze waardevermeerdering heeft kunnen profiteren c.q. deze heeft kunnen realiseren. Het feit dat, kennelijk als gevolg van opgekomen verliezen, later de vermogenspositie van (bedrijf 1) is verslechterd en deze BV zelfs in staat van faillissement is verklaard doet aan het vorenstaande niet af.

De raadsman van de veroordeelde heeft gesteld dat de veroordeelde thans en naar

redelijke verwachting ook in de nabije toekomst niet in staat is een bedrag ter ontneming

van wederrechtelijk voordeel te betalen en hij heeft verzocht om het bedrag van het voordeel

te matigen tot nihil. Onder overlegging van een aantal producties betreffende de actuele financiële positie van de veroordeelde, heeft de raadsman onder meer het volgende aangevoerd. De veroordeelde heeft in Oostburg zijn “financiële Waterloo” gevonden. Hij

is opgenomen geweest in het ziekenhuis en bevindt zich op dit moment in een emotioneel psychische crisis. De veroordeelde is privé al geruime tijd technisch failliet, nu zijn schulden de waarde van zijn bezittingen ver overstijgen. De stallen in Oostburg zijn in oktober 2002 leeg gedraaid. Die stallen zijn eind vorig jaar verkocht voor een bedrag van 4,5 miljoen euro. De koper stelde echter een aantal voorwaarden en deed tegen het einde van de termijn een beroep op die voorwaarden, waardoor de stallen nu nog steeds niet zijn verkocht. De stallen vormen nu een gigantisch blok aan het been van de veroordeelde. De financier van de stallen, de Rabobank, dreigt straks het gelag te betalen. Op 11 september 2003 bedroeg de schuld van de veroordeelde bij die bank circa 10,2 miljoen euro en die schuld is alleen nog maar groter geworden door de rente die sindsdien op die vordering is bijgeschreven. De schuld bedraagt nu bijna 11 miljoen euro. Door de jarenlange crisis in de varkenshouderij en alle perikelen rondom de stallen in Oostburg, zijn die stallen enorm in waarde gedaald en dreigt deze varkenshouderij een onverkoopbaar project te worden. De Rabobank heeft tot nu toe nog steeds oog gehad voor de sociale consequenties voor de veroordeelde en zijn gezin. Bij de gratie van de bank draait het varkensbedrijf Van S in (woonplaats veroordeelde ) nu nog steeds, maar als de stallen in Oostburg niet worden verkocht zal de bank toch, gelet op de schuldpositie van de veroordeelde, ook de andere stallen van de veroordeelde verkopen. Deze zijn namelijk als onderpand bij de financiering ingebracht en daarmee onverbrekelijk verbonden met de stallen in Oostburg. De veroordeelde is volledig hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden.

Blijkens de geconsolideerde balans per 31 december 2003 van de [X]-groep, waarin alle BV’s van de veroordeelde zijn ingebracht, was het totale eigen vermogen van die BV’s per die datum 4,2 miljoen euro negatief. Uit de aangifte IB 2002 van de veroordeelde blijkt dat zijn belastbaar inkomen uit werk en woning over 2002 op nihil is vastgesteld. Zowel (bedrijf 1) als (bedrijf 3) zijn in staat van faillissement verklaard. Volgens de raadsman is, gelet op het bovenstaande, de keiharde realiteit dat met de huidige schuldpositie van de veroordeelde een bedrag aan ontneming niet is te verhalen. Het opleggen van een betalingsverplichting in het kader van deze ontnemingsprocedure zal er volgens de raadsman dan ook waarschijnlijk toe leiden dat de veroordeelde toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal verzoeken.

De rechtbank ziet in al hetgeen de raadsman van de veroordeelde heeft betoogd geen aanleiding om nu reeds om redenen van draagkracht, gezien de persoonlijke stand en financiële positie van de veroordeelde van dit moment, het ontnemingsbedrag te matigen.

Het is de rechtbank volkomen duidelijk dat de financiële positie van de veroordeelde op dit moment heel slecht is. Daar staat tegenover dat van de veroordeelde, die thans 51 jaar is, niet gezegd worden dat hij nu geen draagkracht heeft of naar redelijke verwachting in de toekomst niet zal (kunnen) hebben. De veroordeelde heeft nog een bedrijf en hij is, naar het oordeel van de rechtbank, in staat gebleken vermogen te genereren. De veroordeelde heeft volgens de verklaring van de raadsman in de loop der jaren bij zijn crediteuren ook een goede positie opgebouwd. Zij zouden immers al lang het faillissement van de veroordeelde hebben kunnen aanvragen.

De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel is geschat (€ 122.298,75) aan de Staat te betalen. Hetgeen door de officier van justitie meer of ander is gevorderd zal worden afgewezen.

Ingevolge de artikelen V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak artikel 577c Sv van het Wetboek van Strafvordering van toepassing (zie het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2003, LJN AF9473), zodat aan de betalingsverplichting geen vervangende hechtenis wordt gekoppeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij stelt als bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 122.298,75 (zegge: ÉÉNHONDERD TWEEËNTWINTIG DUIZEND TWEEHONDERD ACHTENNEGENTIG EURO EN VIJFENZEVENTIG EUROCENT).

Zij legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het door hem verkregen voordeel,

de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 122.298,75

(zegge: ÉÉNHONDERD TWEEËNTWINTIG DUIZEND TWEEHONDERD ACHTENNEGENTIG EURO EN VIJFENZEVENTIG EUROCENT).

Zij wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. J.T. Begheyn, voorzitter,

mrs. G.J.A. van Unnik en E.P. Jansen, rechters,

in tegenwoordigheid van P.L. Francke als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 oktober 2004.

Mr. Begheyn is buiten staat deze uitspraak te tekenen.