Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AP0951

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
07-06-2004
Zaaknummer
565/2002
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2007:BB5881, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn in de ruilverkaveling Walcheren grond kwijtgeraakt die toegedeeld is aan gedaagde. Die grond is toegedeeld als agrarische grond maar blijkt een veel hogere waarde te hebben. Zij vorderen het waardeverschil van gedaagde op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Eiser is niet ontvankelijk verklaard omdat de Landinrichtingswet de strekking heeft een ongerechtvaardigde vermogensverschuiving die een gevolg is van een plan van toedeling uitsluitend op de in de Landinrichtingswet aangegeven wijze ongedaan te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 453

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 12 mei 2004 in de zaak van:

rolnr: 565/02

1. (eiser sub 1),

wonende te (woonplaats),

2. (eiseres sub 2),

wonende te (woonplaats),

3. (eiseres sub 3),

wonende te (woonplaats),

eisers in conventie,

gedaagden in reconventie,

procureur: mr. J. Boogaard,

tegen:

(gedaagde),

wonende te Middelburg,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur: mr. H. van Es.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank verwijst naar haar vonnis van 5 maart 2003. Op 25 april 2003 heeft een comparitie van partijen – hierna te noemen eisers en gedaagde – plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Door eisers is ter comparitie een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Daarna zijn tussen partijen de volgende processtukken gewisseld:

- conclusie van repliek in conventie

- conclusie van dupliek in conventie, tevens akte verzoek, tevens repliek in reconventie

- conclusie van dupliek in reconventie

2. De feiten

in conventie en in reconventie

2.1 Eisers zijn eigenaar van een perceel grond gelegen in de gemeente (naam gemeente) aan de (adres), kadastraal bekend (kadasternummer), ter grootte van 30.680 m2, hierna te noemen ‘het perceel’.

2.2 Het perceel is gelegen in het gebied van de ruilverkaveling “Walcheren”. In het kader daarvan heeft de landinrichtingscommissie (LIC) in het plan van toedeling het perceel toegedeeld aan gedaagde. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het plan van toedeling. Bij vonnis van 21 juni 2000 heeft de rechtbank het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en de toedeling vastgesteld overeenkomstig het oorspronkelijke plan van toedeling. Dit vonnis heeft kracht van gewijsde verkregen.

2.3 Eisers hebben conservatoir beslag doen leggen op de percelen van gedaagde gelegen in Walcheren. Nadat gedaagde een bankgarantie had verstrekt hebben eisers het beslag opgeheven.

3. Het geschil

in conventie

3.1 Eisers vorderen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan hen te betalen een bedrag groot € 469.404,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3.2 Eisers stellen dat aan het perceel in het kader van het Ruimtelijk Plan Stedelijk Gebied Walcheren een niet-agrarische bestemming is toegedacht. Daardoor heeft het perceel een waarde die hoger ligt dan de agrarische waarde. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen heeft aan hen een bod uitgebracht het perceel te kopen voor een prijs van € 19,30 per m2 k.k. Zij kunnen het perceel echter niet meer overdragen als gevolg van de toedeling daarvan aan gedaagde. Gedaagde heeft de toedelingsrechten met betrekking tot het perceel inmiddels overgedragen aan de gemeenten Vlissingen en Middelburg. In het kader van de ruilverkaveling is aan eisers een perceel toegedeeld met slechts agrarische waarde. De waarde van dit perceel bedraagt ten hoogste € 4,- per m2. Zij zijn dus verarmd tot een bedrag van € 469.404,- (19,30 – 4 x 30.680). Gedaagde is tot voornoemd bedrag ongerechtvaardigd verrijkt, ten koste van hen.

3.3 Gedaagde voert gemotiveerd verweer. Hij voert primair aan dat de meerwaarde van een toegedeeld perceel aan de orde gesteld moet worden bij het opstellen van de lijst der geldelijke regelingen. De toedeling van het perceel is nog niet definitief. De totale situatie die is ontstaan na de ruilverkaveling moet achteraf bezien worden. De Ruilverkavelingswet (de rechtbank leest: Landinrichtingswet) is een lex specialis waarin een regeling wordt gegeven voor deze kwestie. Subsidiair voert gedaagde aan dat het bedrag van € 19,30 per m2 dat Eisers hanteren vrije grond betreft. Het perceel is echter verpacht, zodat de waarde daarvan aanzienlijk lager is. Bovendien betwist gedaagde dat de gemeente € 19,30 per m2 zou hebben geboden voor het perceel. Hij heeft zijn grond aan de gemeenten Middelburg en Vlissingen verkocht voor € 5,67 per m2, vrij van pacht. Het perceel is ook niet meer waard dan € 5,67 per m2, hetgeen blijkt uit het rapport van ZLTO, door eisers als productie 6 in het geding gebracht. Als eisers het perceel in verpachte staat hadden moeten verkopen zouden zij slechts een prijs hebben kunnen realiseren die in geringe mate boven de agrarische waarde uitstijgt. gedaagde concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers in hun vordering, althans tot ontzegging daarvan, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van eisers in de proceskosten.

in reconventie

3.4 Gedaagde vordert in reconventie eisers te veroordelen tot betaling van de kosten gemoeid met het verstrekken van een bankgarantie. Dit betreft een bedrag van € 3.000,- per jaar vanaf de dag van het stellen van de bankgarantie tot de dag van intrekking daarvan en de eenmalige kosten ad € 75,-. Tevens vordert gedaagde veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van eisers in de proceskosten.

3.5 Gedaagde stelt dat eisers beslag hebben doen leggen op zijn percelen gelegen op Walcheren, welke op grond van een koopovereenkomst geleverd moesten worden aan een derde. Eisers zijn niet bereid gebleken het beslag op te heffen of vervangend beslag te leggen op door gedaagde aangekochte onroerende zaken gelegen in Noord-Beveland. Eisers eisten een bankgarantie. Ter onderbouwing van de daarmee gemoeide kosten overlegt gedaagde bij conclusie van eis in reconventie een brief van de Rabobank.

3.6 Eisers voeren tegen de vordering in reconventie aan dat gedaagde zelf heeft gekozen voor het stellen van een bankgarantie, in plaats van het bieden van andere zekerheid. Gedaagde heeft nagelaten opheffing van het beslag te vorderen. De kosten van de bankgarantie dienen daarom voor zijn rekening te blijven.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie

4.1 Eisers hebben hun vordering op gedaagde gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Gedaagde heeft aangevoerd dat hij niet op grond daarvan aangesproken kan worden, nu er een wet is – de Landinrichtingswet – die een regeling bevat voor dit specifieke geval. Eisers hebben daartegen aangevoerd dat de wetgever het beginsel van subsidiariteit heeft afgewezen bij de introductie van de wettelijke regeling van de ongerechtvaardigde verrijking.

4.2 Zowel uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:212 BW als uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 27 juni 1997, NJ 1997, 719) blijkt dat een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking geen subsidiair karakter heeft, in die zin dat zij alleen zou kunnen worden ingesteld indien geen andere actie voorhanden is om een ongerechtvaardigde vermogensverschuiving ongedaan te maken. Bijkomende omstandigheden kunnen echter meebrengen dat een dergelijke vordering niet kan worden ingesteld. Als een dergelijke bijkomende omstandigheid kan worden aangemerkt dat er een wettelijke regeling is die de strekking heeft om in een specifiek geval de ongerechtvaardigde vermogensverschuiving uitsluitend op de in die regeling aangegeven wijze ongedaan te maken. Gelet op het standpunt van eisers zal de rechtbank onderzoeken of de Liw de hiervoor bedoelde strekking heeft.

4.3 De Liw maakt het mogelijk een perceel dat in een ruilverkaveling door een eigenaar gedwongen is ingebracht in het plan van toedeling toe te delen aan een andere eigenaar. Uitgangspunt daarbij is dat de betreffende eigenaren geen economisch nadeel (of voordeel) dienen te ondervinden als gevolg van de toedeling. Daarom wordt in de Liw tevens voorzien in een regeling van verrekening van het verschil in waarde tussen ingebrachte en toegedeelde percelen.

4.4 Ingevolge artikel 210 van de Liw geeft de LIC bij overgang van percelen aan schatters opdracht tot het schatten van de verrekenposten tussen de oude en nieuwe eigenaar. Deze verrekenposten betreffen onder meer de ‘andere dan agrarische waarde der gronden’. De verrekenposten worden verwerkt in de door de LIC op te maken lijst der geldelijke regelingen (art. 212 Liw). De meerwaarde van het perceel wordt ten laste van de nieuwe eigenaar en ten bate van de oude eigenaar op de lijst der geldelijke regelingen geplaatst. Tussen de nieuwe en oude eigenaren onderling ontstaan geen verbintenissen. De verrekeningen vinden plaats via de herverkavelingskas. Voor de nieuwe eigenaar ontstaat een schuld aan de kas, voor de oude eigenaar ontstaat een vordering op de kas. Bij toewijzing van de vordering van eisers zou aldus een betalingsplicht van gedaagde ontstaan jegens eisers op grond van ongerechtvaardigde verrijking, terwijl voor gedaagde daarnaast op grond van de Liw een betalingsplicht aan de herverkavelingskas zou kunnen ontstaan.

4.5 De niet-agrarische meerwaarde die op grond van de Liw verrekend wordt tussen de nieuwe en oude eigenaren betreft de meerwaarde ten tijde van de terinzagelegging van het plan van toedeling (art. 210 lid 2 Liw). Reden hiervoor is dat de belanghebbenden ten tijde van de terinzagelegging moeten kunnen beoordelen of ze bezwaar zullen maken tegen het plan van toedeling. Belanghebbenden kunnen niet geconfronteerd worden met verrekeningen als gevolg van waardeveranderingen van percelen die ontstaan nadat het plan van toedeling vast staat. Indien artikel 6:212 BW in het onderhavige geval toegepast wordt kan bij de berekening van de verarming van eisers en de verrijking van gedaagde echter uitgegaan worden van een tijdstip na de vaststelling van het plan van toedeling. Daarmee zou aan gedaagde de rechtsbescherming worden ontnomen tegen de gevolgen van het plan van toedeling zoals die in de Liw is geregeld.

4.6 In de Liw is een regeling opgenomen van rechtsbescherming tegen besluiten genomen door de LIC. Tegen de lijst der geldelijke regelingen kan bezwaar gemaakt worden door de belanghebbenden (art. 214 Liw). Als geen overeenstemming wordt bereikt met de LIC en ook na behandeling van het bezwaar door de rechter-commissaris tussen partijen geen overeenstemming wordt bereikt verwijst de rechter-commissaris partijen naar de rechtbank (art. 216 jo. 177 Liw). De procespartijen zijn dan de belanghebbende die bezwaar heeft gemaakt (de reclamant) en de LIC. De nieuwe eigenaar wordt wel gehoord als belanghebbende, maar is geen partij in het geding. De oude eigenaar die in zijn visie wordt benadeeld door een verschil in waarde tussen een ingebracht en een toegedeeld perceel staat in die procedure aldus tegenover de LIC. Als de oude eigenaar in het gelijk wordt gesteld wordt de LIC in de proceskosten veroordeeld. De kosten komen dan ten laste van de gezamenlijke rechthebbenden. Volgens de regeling van rechtsbescherming in de Liw kan de nieuwe eigenaar dus niet rechtstreeks worden aangesproken door de oude eigenaar voor het verschil in waarde tussen het ingebrachte en toegedeelde perceel. Dit strookt met hetgeen hiervoor onder 4.4 werd overwogen ten aanzien van de (afwezigheid van) verbintenissen tussen de oude en nieuwe eigenaren in het systeem van de Liw. In het onderhavige geding is de nieuwe eigenaar, gedaagde, wel procespartij en zou bij toewijzing van de vordering van eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

4.7 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Liw de strekking heeft een ongerechtvaardigde vermogensverschuiving die het gevolg is van een plan van toedeling uitsluitend op de in de Liw aangegeven wijze ongedaan te maken. De regeling van artikel 6:212 BW kan derhalve in dit geval geen toepassing vinden. Eisers zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

4.8 Eisers dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie.

in reconventie

4.9 Vast staat dat gedaagde de door hem gevorderde kosten heeft gemaakt voor het stellen van een bankgarantie aan eisers Als onvoldoende betwist staat tevens vast dat eisers als voorwaarde voor het opheffen van het door hen gelegde beslag van gedaagde hebben geëist dat hij zekerheid zou stellen. Nadat gedaagde een bankgarantie had verstrekt hebben eisers het beslag opgeheven. Nu eisers in conventie niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering was het door hen gelegde beslag onrechtmatig. Gedaagde heeft recht op vergoeding van de door hem dientengevolge geleden schade. Hij werd als gevolg van het door eisers gelegde beslag genoodzaakt zekerheid te stellen. Eisers dienen de redelijkerwijs daarmee gemoeide kosten aan hem te vergoeden. De door gedaagde gevorderde kosten komen de rechtbank redelijk voor, zodat de vordering zal worden toegewezen.

4.10 Eisers dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

verklaart eisers niet-ontvankelijk in hun vordering;

veroordeelt eisers in de kosten van het geding in conventie welke aan de zijde van gedaagde tot heden worden begroot op € 5.560,- wegens procureurssalaris en € 870,- voor griffierecht;

in reconventie

veroordeelt eisers aan gedaagde te betalen een bedrag van € 3.000,- per jaar vanaf de dag van het stellen van de bankgarantie door gedaagde tot de dag van intrekking daarvan en een bedrag van € 75,- wegens eenmalige kosten;

veroordeelt eisers in de kosten van het geding in reconventie welke aan de zijde van gedaagde tot heden worden begroot op € 975,- wegens procureurssalaris;

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordelingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.R. Melens en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 12 mei 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.