Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AP0772

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
04-06-2004
Zaaknummer
516/2003
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8:363 BW strekt er toe bescherming te bieden tegen het streven van partijen die hebben bewilligd in exoneraties, om die exoneraties te omzielen door anderen dan hun contractuele wederpartij aan te spreken. De werking van artikel 8:363 BW gaat niet zover dat het een derde niet contractpartij kan afhouden van de bevoegde rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 498
S&S 2005, 41

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 12 mei 2004 in de zaak van:

rolnr: 03/516

de vennootschap naar vreemd recht

Continental Liner and Shipping Services LLC,

gevestigd te Salem, Oregan, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

procureur: mr. J. Wind,

tegen:

de vennootschap naar vreemd recht

Ukranian Danube Shipping Company,

gevestigd te Izmail, Oekraïne,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

procureur: mr. J.C. Bode 't Hart.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Partijen hebben in deze zaak de volgende stukken gewisseld:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord tevens houdende incident van onbevoegdheid;

- de conclusie van antwoord in het incident van onbevoegdheid;

2. De feiten

2.1. Fertis International Limited Corporation, hierna Fertis, heeft met Continental Liner and Shipping Services LLC, hierna Class een vervoerovereenkomst gesloten voor het vervoer van aardappels, uien en appels van Vlissingen naar St. Petersburg op of omstreeks 25 april 2003. Class heeft op haar beurt een reisbevrachtingsovereenkomst gesloten met Cosmos Shipping Co Ltd, hierna Cosmos. Cosmos heeft vervolgens een tijdbevrachtingsovereenkomst gesloten met Ukranian Danube Shipping Company, UDS voor het vervoer van de aardappels, uien en appels met het aan haar toebehorende schip m.v. “Ryshkany”.

2.2. Op 25 april 2003 heeft de “Ryshkany” de lading aan boord genomen. Nadat het laden van de aardappelen, uien en appels aan boord van de “Ryshkany” was voltooid heeft Port of Control te Vlissingen het schip onzeewaardig bevonden en een verbod opgelegd om uit te varen. Omdat de kapitein niet bereid bleek om het schip weer te lossen, zodat de lading met een ander schip naar de bestemming kon worden gevoerd, heeft Class in kort geding een bevel aan de kapitein gevorderd om de luiken te openen en het lossen van de lading toe te staan. Bij vonnis van 30 april 2003 heeft de voorzieningenrechter de kapitein veroordeeld om de luiken te openen teneinde Class in de gelegenheid te stellen de goederen te lossen. De lading is vervolgens op 3 of 4 mei 2003 met twee andere schepen alsnog naar St. Petersburg verscheept.

3. Het geschil in het incident

3.1. Class vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank UDP zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Class te betalen € 236.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van 25 april 2003 tot de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de kosten van de procedure. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat door de vertraging die als gevolg van de hierboven geschetste omstandigheden is opgetreden de lading niet alleen later dan gepland in St.Petersburg is gearriveerd, maar dat bovendien de lading van bederfelijke aard was en in kwaliteit sterk is verminderd door (verder) rijpen, rotten en spruiten. UDP is voor de daardoor ontstane schade aansprakelijk omdat de schade is ontstaan doordat het schip de “Ryshkany”. niet zeewaardig bleek te zijn en om die reden een verbod kreeg om uit te varen. De schade bedraagt € 236.000,00 en bestaat uit extra los- en laadkosten en expertisekosten in Vlissingen en St. Petersburg en schade aan de lading door rijping, rotting en spruiten. Class heeft ter verzekering van haar vordering op UDP beslag doen leggen op de “Ryshkany”. Zij heeft dit beslag opgeheven tegen een door UDP afgegeven bankgarantie. Zij vordert tevens de kosten van het door haar gelegde beslag.

3.2. UDP vordert dat de rechtbank Middelburg zich onbevoegd verklaart om van het geschil kennis te nemen. Class en UDP maken onderdeel uit van dezelfde exploitatieketen. Er bestaat tussen Class en UDP geen rechtstreekse contractuele verhouding. In beginsel dient Class haar eventuele schade te verhalen op Cosmos en het is het vervolgens aan Cosmos om haar schade te verhalen op UDP. UDP zou tegenover Cosmos een beroep kunnen doen op de tijdbevrachtingsovereenkomst waarin de bepaling is opgenomen dat alle geschillen zullen worden voor gelegd aan arbiters in Londen en dat Engels recht van toepassing is. Naar Nederlands recht wordt een vordering uit onrechtmatige daad in beginsel beheerst door het recht van het land waar de onrechtmatige daad heeft plaats gevonden. Aangezien de onrechtmatige daad in Vlissingen is gepleegd wordt de vordering van Class op UDP beheerst door Nederlands recht. Artikel 8:363 BW bepaalt dat wanneer een contractueel bij de exploitatieovereenkomst betrokken partij een ander van de keten betrokken partij aanspreekt, de aangesproken partij zich kan beroepen op de door de aanvaller zelf gesloten overeenkomst. Dat betekent dat UDP de bepalingen van de tussen Class en Cosmos gesloten reisbevrachtingsovereenkomst aan Class zelf kan tegenwerpen met inbegrip van de in die overeenkomst forum- en rechtskeuzebepalingen. Nu tussen Class en Cosmos is overeengekomen dat Engels recht van toepassing is en dat geschillen zullen worden voorgelegd aan arbiters in Londen, is de rechtbank Middelburg niet bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

3.3. Class betwist dat Engels recht van toepassing is en dat zij haar vordering bij arbiters in Londen aanhangig zou moeten maken. UDP heeft niet middels een geschrift, zoals art. 1021 Rv vereist, bewezen dat partijen arbitrage zijn overeengekomen. Zij beroept zich voorts op het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 1993, NJ 1993, 655. Een verwijzing naar de artikelen 8:362 en 8:363 BW helpt UDP niet voor wat betreft het arbitraal beding. Doorwerking ten aanzien van een derde van een arbitraal beding dient te worden afgewezen omdat voor arbitrage een overeenkomst tussen de betroken partijen vereist is.

4. De beoordeling van het geschil in het incident

4.1. UDP heeft de exceptie van onbevoegdheid tijdig opgeworpen, zodat zij daarin ontvankelijk is.

4.2. Partijen zijn het er over eens dat de vraag of de rechtbank bevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen moet worden beoordeeld naar Nederlands recht. UDP heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 8:363 BW met zich meebrengt dat zij de in de tussen Class en Cosmos gesloten reisbevrachtingsovereenkomst opgenomen forum- en rechtskeuze clausules aan Class kan tegen werpen en dat derhalve op de door Class tegen haar ingestelde vordering Engels recht van toepassing is en dat deze vordering dient te worden voorgelegd aan arbiters in Londen. De rechtbank verwerpt dit standpunt. Met de invoering van artikel 8:363 BW heeft de wetgever bescherming willen bieden tegen het streven van partijen die hebben bewilligd in exoneraties om die exoneraties te omzeilen door anderen dan hun contractuele wederpartij aan te spreken. De werking van artikel 8:363 BW gaat echter niet zo ver dat UDP Class kan afhouden van de rechter die de wet haar toekent. De toedeling van de rechtsmacht aan de rechter in de Grondwet en de wet is van openbare orde. Partijen kunnen bij overeenkomst daarvan slechts afwijken indien en voor zover de wet dit toestaat. Artikel 1020 Rv biedt die mogelijkheid. Partijen kunnen hun geschil aan arbitrage onderwerpen. Daarvoor is wel een overeenkomst tussen partijen vereist. Nu vaststaat, dat tussen Class en UDP geen overeenkomst bestaat in het kader waarvan zij arbitrage zijn overeengekomen, is de rechtbank bevoegd is om van de door Class ingestelde vordering kennis te nemen.

5. De beslissing

De rechtbank:

In het incident

- verklaart zich bevoegd om van de vordering kennis te nemen;

- veroordeelt UDP in de kosten van het geding in het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Class begroot op € 390 wegens procureurssalaris;

In de hoofdzaak

- verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2004 voor het nemen van de conclusie van repliek door Class;

- houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 12 mei 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.