Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AO9034

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
367/03
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onder oud BW geen erfdienstbaarheid van uitweg ontstaan bij gebruik van een weg sinds 1928. Onder het nieuwe recht ook gen erfdienstbaarheid ontstaan, omdat er geen sprake is geweest van onafgebroken bezit te goeder trouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

sector civiel recht

vonnis van 10 maart 2004 in de zaak van:

rolnr. 367/03

1. eiseres 1,

weduwe van Turpyn, wonende te Sint-Laureins, België,

en haar meerderjarige dochters:

2. eiseres 2,

echtgenote van(naam), wonende te Sint-Laureins, België,

3. eiseres 3,

wonende te Sint-Laureins, België,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

hierna tezamen te noemen ‘eiseressen.’,

procureur: mr. H.M. den Hollander,

en:

1. gedaagde 1

2. gedaagde 2,

echtgenoten,

beiden wonende te Sint-Laureins, België,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

voor zover nodig hierna tezamen te noemen ‘gedaagden’,

procureur: mr. A.A.J. Maat.

1. Het verdere verloop van de procedure

Dit volgt uit:

- het (tussen-)vonnis van deze rechtbank d.d. 1 oktober 2003;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- het proces-verbaal van de ingevolge voornoemd tussenvonnis gehouden comparitie van partijen ter plaatse op 4 november 2003.

2. De feiten

2.1 De op Nederlands grondgebied gelegen openbare weg (adres 1) te Eede, gemeente Sluis, mondt ongeveer ter hoogte van de internationale grens haaks uit op de in België gelegen openbare weg (adres 2) te Sint-Laureins.

2.2 Eiseressen en (de vader van) gedaagden zijn eigenaren van naast elkaar gesitueerde, aangrenzende percelen. Beide percelen zijn deels in Nederland, deels in België gelegen. De huisadressen zijn telkens aan adres 2.

2.3 Het perceel grond met woning en bedrijfsgebouwen van eiseressen is gelegen in een hoek met aan de voorzijde van adres 2 en aan de zijkant adres 1.

2.4 Eiseressen hebben het onder 2.3 bedoelde perceel verkregen door een testamentaire making uit de nalatenschap van de op 23 november 1999 overleden (naam 1).

De vader van wijlen (naam 1), (naam 2), heeft het Belgische deel van dit perceel bij notariële akte d.d. 9 maart 1923 (overgeschreven ten kantore van hypotheken te Gent, België, op 12 april 1923) gekocht van (naam 3). Blijkens notariële akte van 19 maart 1923 (overgeschreven op 22 maart 1923) heeft (naam) het aansluitende, in Nederland gelegen perceelsgedeelte gekocht van eveneens(naam 3).

2.5 Het bij gedaagden in gebruik zijnde perceel is door diens grootvader (naam) bij openbare veiling van 11/25 juni 1928 gekocht als deel van de aldaar aangeboden hofstede met landerijen, welk deel als volgt was omschreven:

“Gemeenten Sint-Laureyns en Eede

KOOP EEN: Eene hofstede, bestaande uit woonhuis, schuur, stallingen, bakkeet, boomgaard, moestuin, erve, land en landweg, gestaan en gelegen deels te Sint-Laureyns, wyk (adres 2)(…) en deels te Eede, Nederland, (…)”.

Eén van de bedingen bij genoemde veiling luidde als volgt:

“10. Indien eenige der verkochte goederen van geenen uitweg voorzien waren of later zouden worden onteigend of dat er geene bijzondere uitwegen besproken waren, zullen de koopers elkander naasten ter straat en ten minste schade mogelyk, ten eeuwigen dage uitweg moeten leveren voor menschen, wagens en paarden, zonder dat zy uit dien hoofde, aan wie het ook zy, eenige schadevergoeding zullen kunnen vragen. (…)”

2.6 Op de onder 2.5 genoemde veiling heeft (naam 2) eveneens enkele percelen aangekocht. Deze elders gelegen percelen zijn niet aansluitend aan de onder 2.2 bedoelde percelen.

2.7 Het op Nederlands grondgebied gelegen perceelsgedeelte van gedaagden heeft geen (eigen) uitweg naar de openbare weg dan over hun aangrenzende Belgische perceelsgedeelte.

2.8 Sedert een aantal jaren gebruiken gedaagden het in Nederland gelegen gedeelte van het perceel van (thans) eiseressen om, vanaf hun eigen Nederlandse perceelsgedeelte, uit te wegen naar (adres 1).

3. Het geschil in conventie

3.1 Eiseressen vorderen dat gedaagden zullen worden veroordeeld zich te onthouden van het betreden en/of berijden van het erf bij de woning aan (adres 2) te Sint-Laureins, België, in het bijzonder zich te onthouden van het gebruiken van het erf achter genoemde woning om er over te rijden c.q. te gaan van en naar de openbare weg de (adres 2), zulks op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per keer of per dag ingaande na het verstrijken van een periode van acht dagen na betekening van dit vonnis,

subsidiair: dat, voorzover het bestaan van een erfdienstbaarheid van uitweg in rechte mocht komen vast te staan, de erfdienstbaarheid van uitweg ten laste van het perceel (adres 2) om vanaf het erf van gedaagden te gaan rijden naar de (adres 1) en vice versa, zal worden beëindigd wegens het ontbreken van een redelijk belang bij het gebruik van deze erfdienstbaarheid,

meer subsidiair: dat de erfdienstbaarheid van uitweg zal worden gewijzigd door een ander tracé over het aan eiseressen in eigendom toebehorende perceel aan te wijzen als is aan-gegeven op de als produktie 5 bij dagvaarding overgelegde kaart,

met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

3.2 Eiseressen baseren zich daartoe op de hiervoor onder 2.1-4 en 2.8-9 vastgestelde feiten, en stellen voorts dat geen erfdienstbaarheid van uitweg bestaat nu er geen akte van vestiging voorhanden is en evenmin sprake kan zijn van verjaring. Hooguit is sprake van een bij wijze van gunst verleend persoonlijk recht van uitweg. Een dergelijk recht is opzegbaar; eiseressen hebben inmiddels aan gedaagden laten weten dat zij het gebruik van de uitweg dienen te staken.

Subsidiair geldt dat gedaagden een goede ontsluiting naar de openbare weg hebben, zodat er geen redelijk belang (meer) bij een erfdienstbaarheid van uitweg bestaat.

Meer subsidiair dient een eventuele uitweg te worden verplaatst naar een locatie die voor het dienend erf het minst bezwarend is.

2.3 Gedaagden voeren gemotiveerd verweer.

4. Het geschil in reconventie

4.1 Gedaagden vorderen dat zal worden verklaard voor recht dat er een erfdienstbaarheid van uitweg bestaat ten laste van het perceel van eiseressen en ten gunste van het perceel van gedaagden, zoals aangegeven op de als produktie 1 bij antwoord in conventie/ eis in reconventie overgelegde tekening c.q. dat deze erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan, met veroordeling van eiseressen in de kosten van de procedure.

4.2 Gedaagden baseren zich daartoe op de onder 2.1-2 en 2.5-8 genoemde feiten en voeren voorts aan dat uit de bepalingen van de sub 2.5 aangehaalde akte uit 1928 blijkt dat daarbij een erfdienstbaarheid van uitweg is gevestigd. Het (Nederlandse) perceel had toenter-tijd ook geen andere uitweg naar de openbare weg(adres 1). Sedert 1928 hebben (de voorgangers van) gedaagden mitsdien gebruik gemaakt van het pad over het erf van (thans) eiseressen.

In ieder geval is door verjaring een erfdienstbaarheid ontstaan. Gedaagden zijn te dezer zake te goeder trouw. Zij, en hun voorgangers, hebben op basis van de akte uit 1928 sedert-dien onafgebroken gebruik gemaakt van de uitweg. Op het moment dat eiseressen in december 2002 het gebruik hebben opgezegd, was de termijn van verjaring reeds voltooid.

4.3 Eiseressen voeren gemotiveerd verweer.

5. De beoordeling van de geschillen

5.1 Gezien de samenhang van de vordering in conventie met die in reconventie, zullen deze geschillen in dit vonnis tezamen worden behandeld.

5.2 Nu de geschillen betrekking hebben op een eventuele erfdienstbaarheid van uitweg over een perceel(-sgedeelte) gelegen binnen het grondgebied van Nederland, is ingevolge artikel 22, onder 1, van de EEX-verordening jo. artikel 103 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de rechtbank bevoegd kennis te nemen van de onderhavige zaak in conventie; voor wat betreft de vordering in reconventie is (mede) artikel 6 onder 3 van de EEX-verordening van belang.

5.3 Op grond van artikel 7 van de Wet Algemene Bepalingen is in deze zaak Nederlands recht van toepassing.

5.4 Kern van de geschillen is, gezien hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, het antwoord op de vraag of ten behoeve van het erf van gedaagden en ten laste van dat van eiseressen een erfdienstbaarheid van uitweg bestaat lopende over het perceel van laatstgenoemden. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

5.5 In geen van de door partijen overgelegde notariële akten is met zoveel woorden ver-meld dat ten behoeve van het erf van gedaagden en ten laste van het erf van eiseressen een dergelijke erfdienstbaarheid is gevestigd.

Anders dan gedaagden hebben aangevoerd, kan voorts ook niet worden aangenomen dat de vestiging van een zodanig recht blijkt of voortvloeit uit de akte van 1928. Het door gedaagden daartoe ingeroepen en sub 2.5 geciteerde beding (10) kan in redelijkheid immers niet anders worden uitgelegd dan dat de ingevolge deze bepaling in het leven geroepen erfdienstbaarheden van uitweg slechts betrekking kunnen hebben op de bij veiling van 1928 verkochte percelen onderling. Een andersluidende, verdergaande uitleg van het beding, zoals die kennelijk door gedaagden wordt voorgestaan, zou er daarentegen toe leiden dat ook niet in de veiling betrokken percelen van derden zouden (kunnen) worden belast met een erfdienstbaarheid van uitweg, hetgeen toch niet aanvaardbaar kan worden geacht. Zulks geldt ook voor het reeds jaren voordien (want al in 1923) door (naam 2) aangekochte Nederlands-Belgische perceel; de enkele omstandigheid dat (naam 2) op de veiling eveneens enkele andere percelen heeft gekocht, maakt dit niet anders reeds nu vast staat, en door gedaagden ter comparitie ook is bevestigd, dat deze percelen elders zijn gelegen.

Dat gedaagden op grond van de akte uit 1928 geen aanspraak op een erfdienstbaarheid van uitweg jegens (thans) eiseressen toekomt, geldt overigens ook nu het desbetreffende beding in de veilingakte de beperking bevat tot die “der verkochte goederen” die van “geenen uitweg voorzien waren (..) of dat er geene bijzondere uitwegen besproken waren”. In de situatie van gedaagden is dit evenwel anders. Hun Nederlands-Belgische perceel is destijds immers als één geheel aangeboden en gekocht. Op dat tijdstip, zo heeft gedaagden tijdens de comparitie bevestigd, bestond de openbare weg (adres 2) reeds. Aldus had en heeft het gehele perceel ook een uitweg op de openbare weg, zij het dat het op Nederlands grondgebied gelegen perceelsgedeelte daarvoor was en is aangewezen op het aansluitende Belgische deel van het perceel. Dit laatste is echter niet relevant, nu uit het meergenoemde beding niet blijkt of volgt dat in Nederland gelegen percelen of perceelsgedeelten telkens zouden moeten kunnen uitwegen op Nederlandse openbare wegen, en Belgische percelen of perceelsgedeelten op wegen in België.

5.6 Voor zover gedaagden een beroep hebben gedaan op het ontstaan van een erf-dienstbaarheid van uitweg door verjaring, heeft het volgende te gelden.

5.6.1 Ook indien moet worden uitgegaan van het door gedaagden gestelde gebruik van uitweg sedert reeds 1928, is ingevolge de bepalingen van tenminste het Burgerlijk Wetboek (oud) geen erfdienstbaarheid van uitweg ontstaan.

Onder het oude recht konden erfdienstbaarheden door verkrijgende verjaring immers slechts ontstaan voor zover het betrof voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden (art. 744). Een recht van uitweg moet krachtens artikel 724, derde lid, evenwel als niet-voortdurend worden aangemerkt. Verkrijgende verjaring is derhalve niet mogelijk; een eventueel langdurig gebruik maakt dit niet anders (zie art. 746, tweede zin).

Daarenboven kende het oude BW niet de mogelijkheid van ontstaan door bevrijdende verjaring.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat evenmin kan worden aanvaard dat de onderhavige uitweg als buurweg in de zin van artikel 719 BW (oud) moet worden aangemerkt. Daarvoor was immers vereist dat die weg door de eigenaar van het erf waarover de weg loopt ook uitdrukkelijk of stilzwijgend tot buurweg was bestemd -hetgeen wat anders is dan het een-voudigweg gedogen-, maar dat dit het geval is geweest is gesteld noch anderszins gebleken.

5.6.2 Onder het huidige BW kunnen erfdienstbaarheden, ook die van uitweg, ontstaan door zowel verkrijgende (na verloop van tien jaar) als bevrijdende (na twintig jaar) verjaring. Genoemde termijnen kunnen, gelet op het in artikel 95 Overgangswet bepaalde, echter niet eerder dan op 1 januari 1992 zijn ingegaan. In beide gevallen van verjaring is immers bezit van de desbetreffende erfdienstbaarheid vereist, hetgeen onder het oude recht in geval van een niet-voortdurende erfdienstbaarheid als die van uitweg op grond van artikel 593, tweede lid, BW (oud) niet mogelijk was.

Uit het voorgaande vloeit voort dat, indien en voor zover gedaagden zich beroepen op bevrijdende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 BW, zulks niet slaagt reeds nu de daarvoor vereiste termijn niet eerder dan op 1 januari 2012 ten einde kan zijn gelopen.

Een beroep op verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW -waarvan de termijn op zijn vroegst zal zijn verstrekken op 1 januari 2002- kan echter gedaagden evenmin baten, aangezien uit genoemd artikel volgt dat sprake moet zijn (geweest) van een onafgebroken bezit te goeder trouw. Gelet op de artikelen 3:118 jo. 3:23 BW moet worden aangenomen dat goede trouw van de bezitter slechts dan kan worden aangenomen indien een aan dat bezit beantwoordende titel is ingeschreven in de openbare registers. Nu dat niet het geval is, is het gestelde bezit van gedaagden van de erfdienstbaarheid van uitweg dus niet te goeder trouw en strandt hierop ook een beroep op artikel 3:99 BW.

5.7 Nu, gezien het voorgaande, geen erfdienstbaarheid van uitweg is gevestigd noch door verjaring is ontstaan en zulks niet anders kan worden door hetgeen gedaagden overigens nog hebben aangevoerd omtrent hun belang bij gebruik van de bewuste uitweg, kan de primaire vordering van eiseressen worden toegewezen onder matiging en maximering van de gevorderde dwangsom en overigens als hierna zal worden bepaald, en zal anderzijds de vordering in reconventie worden afgewezen.

5.8 Gedaagden zullen als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten daarvan.

De beslissing:

De rechtbank, rechtdoende,

in conventie

veroordeelt -indien en voorzover zulks betrekking heeft op het perceelsgedeelte gelegen op Nederlands grondgebied:- gedaagden zich te onthouden van het betreden en/of berijden van het erf bij de woning aan (adres 2) te Sint-Laureins, België, in het bijzonder zich te onthouden van het gebruiken van het erf achter genoemde woning om er over te rijden c.q. te gaan van en naar de openbare weg (adres 1),

zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per keer dat gedaagden ingaande na het verstrijken van een periode van acht dagen na betekening van dit vonnis handelen in strijd met voornoemde veroordeling tot een maximum van € 50.000,--;

veroordeelt gedaagden c.s. in de kosten van het geding in conventie, welke aan de zijde van eiseressen tot aan dit moment worden begroot op € 205 aan griffierecht, € 81,16 aan overige verschotten en op € 780,-- wegens procureurssalaris;

in reconventie

wijst af het in reconventie gevorderde;

veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding in reconventie, aan de zijde van eiseressen tot op heden begroot op € 390,-- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.M. de Jager en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.