Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2004:AO2107

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
21-01-2004
Zaaknummer
12/015274-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar voor het samen met een ander voorbereidingshandelingen te hebben verricht ten aanzien van een uiteindelijk niet verwezenlijkte deal, gericht op de levering van een partij van 100.000 XTC pillen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 46b
Wetboek van Strafrecht 91
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126ff
Wetboek van Strafvordering 261
Opiumwet
Opiumwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2004/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer:

Datum uitspraak: 21 januari 2004

Tegenspraak

----------------------------------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 8 september 2003

Datum voorlopige hechtenis: 11 september 2003

Opheffing/schorsing/invrijheidstelling: n.v.t.

----------------------------------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[naam verdachte]

thans gedetineerd,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen:

mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 januari 2004.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.T.C.N. Jeuken en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde en ter zake van het onder 1 tenlastgelegde zal worden veroordeeld

tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van voorarrest.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met

31 december 2002 in de gemeente(n) Terneuzen, en/of Dordrecht, en/of Rotterdam, in elk geval (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een of meer (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) pillen van een materiaal bevattende amfetamine, en/of

3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA(XTC)), en/of

3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA(XTC)), en/of tenamfetamine (MDA(XTC)), zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet,

althans in elk geval van een of meer (handels)hoeveelheden van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft/heben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen, gelden of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan hij/zij wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende hij, verdachte, en/of een van zijn mededaders opzettelijk:

- (telkens) telefonische afspraken gemaakt en/of telefonische contacten onderhouden met een of meer perso(o)n(en) (te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam]) over de levering van (monsters van) die (grote) hoeveelhe(i)d(en) pillen van een materiaal bevattende amfetamine, en/of 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA(XTC)), en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA(XTC)) en/of tenamfetamine (MDA(XTC)), althans dat middel, en/of

- (telkens) besprekingen gevoerd met een of meer perso(o)n(en) (te weten [naam] en/of [naam] en/of [naam]) over de levering van (monsters van) die (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) pillen van een materiaal bevattende

3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA(XTC)) en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDEA(XTC)) en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA(XTC)) en/of tenamfetamine (MDA(XTC)) althans dat middel, en/of

- (telkens) monsters van die (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) pillen van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxyethylamfetamine (MDEA(XTC)) en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDEA(XTC)) en/of 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA(XTC)) en/of tenamfetamine (MDA(XTC)), afgenomen van (een) leverancier(s) (te weten [naam] en/of [naam]),

althans enige handeling(en) als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de Opiumwet verricht;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2002 tot en met 15 maart 2003 in de gemeente Terneuzen tezamen en in vereniging met [naam] en/of [naam] en/of een of meer anderen, en/althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 4000 gram, althans (in totaal) ongeveer 3000 gram, in elk geval (in totaal) een (aanzienlijke)

(handels-)hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 lid 1 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Bij wijze van preliminair verweer heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting betoogd dat de dagvaarding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit gedeeltelijk nietig moet worden verklaard, namelijk voor wat betreft de tekst achter het laatste gedachtestreepje: "(telkens) monsters (...) afgenomen (...), althans enige handeling(en) als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de Opiumwet verricht". Hij heeft daartoe aangevoerd dat genoemde tenlastelegging is toegesneden op handelingen ter voorbereiding of bevordering van overtreding van artikel

10 lid 3 van de Opiumwet, terwijl de in bedoelde zinsnede genoemde handelingen - ieder

op zich - juist zijn te beschouwen als voltooide overtredingen van artikel 10 lid 3 van de Opiumwet. Volgens de raadsman is daarom de tenlastelegging in zoverre innerlijk tegenstrijdig en dus nietig.

De rechtbank heeft op de terechtzitting van 8 januari 2004 dit verweer verworpen. Zij heeft daaromtrent als volgt overwogen.

De tenlastelegging, bezien in samenhang met de feiten en omstandigheden in het tegen de verdachte opgemaakte strafdossier, is onmiskenbaar toegesneden op de delictsomschrijving van artikel 10a van de Opiumwet. Meer in het bijzonder behelst de tenlastelegging een opgave van meerdere voorbereidings- of bevorderingshandelingen, gericht op de verwezenlijking van het verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van

een of meer grote hoeveelhe(i)d(en) XTC-pillen, waaronder het afnemen van monsters van die pillen. De in bedoelde zinsnede omschreven handelingen dienen derhalve, ofschoon zij op zichzelf ook als voltooide overtredingen van artikel 10 lid 3 Opiumwet zijn te beschouwen, in dit geval als op het voorbereidingsdelict verrichte handelingen te worden aangemerkt. Aldus beschouwd is de dagvaarding niet innerlijk tegenstrijdig.

De rechtbank is van oordeel dat er ook overigens sprake is van een behoorlijke en voldoende duidelijke omschrijving van de tenlastelegging en dat derhalve is voldaan aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts is ook gebleken dat de verdachte heeft begrepen wat hem wordt verweten.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting geconcludeerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging van de verdachte niet-ontvankelijk moet verklaard, dan

wel dat bewijsuitsluiting moet volgen. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

a. Er is sprake van vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht. Weliswaar heeft de Hoge Raad op grond van wetshistorische interpretatie geoordeeld dat artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is bij de voorbereidingsdelicten die in artikel 10a Opiumwet zelfstandig strafbaar zijn gesteld (Hoge Raad, NJ 1997, 667), maar de Hoge Raad heeft bij dat oordeel ten onrechte de strekking van de bepaling van artikel 7 EVRM buiten beschouwing gelaten.

Laatstgenoemd artikel verzet zich tegen genoemde interpretatie van de Hoge Raad. Dat artikel vereist immers expliciete strafbaarstelling vooraf van een gedraging. Zolang derhalve in artikel 46b in verband met artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 10 lid 3 Opiumwet expliciet in de wet staat opgenomen dat de onderhavige gedraging - bij een vastgestelde vrijwillige terugtred - straffeloos is, mag deze expliciete wettelijke mededeling van de wetgever aan de burger niet door middel van interpretatie van de wetsgeschiedenis door een rechter terzijde worden geschoven.

b. In deze zaak hebben twee corrupte overheidsdienaren burgers benaderd tot het afnemen van XTC. De politie, onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie, heeft deze corruptie "doorgelaten", nadat door middel van observaties en taps bekend was geworden hoe deze ambtenaren die burgers in strijd met de wet benaderden om strafbare feiten te plegen. Door met opzet niet in te grijpen waar optreden geboden was, heeft de niet corrupte overheid niet voldaan aan zijn plicht

om de burger direct en adequaat te beschermen tegen de corrupte overheid. Indien vervolgens de burger later strafrechtelijk betrokken is geweest in relatie tot de corrupte ambtenaren, verliest het openbaar ministerie zijn vervolgingsrecht.

De rechtbank verwerpt deze verweren. Zij overweegt daartoe als volgt.

Ad a. Dit verweer stuit reeds af op de omstandigheid dat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake was van vrijwillige terugtred. Uit de verklaring van de mededader blijkt immers dat de deal uiteindelijk is afgeketst door toedoen van

de initiatiefnemers, omdat de prijs die zij voor de pillen vroegen te hoog was.

Ook overigens faalt het verweer, omdat naar het oordeel van het EHRM aan het lex certa beginsel is voldaan indien het individu met behulp van de wettekst en de daarop betrekking hebbende (gepubliceerde) jurisprudentie kan voorzien welk gedrag strafbaar is. Dat is in casu het geval.

Ad b. De raadsman miskent dat de activiteiten van de betrokken ambtenaren - die ieder ook

voor hun eigen aandeel in de feiten als verdachte zijn vervolgd - niet onder regie van

de overheid hebben plaatsgevonden. En zelfs indien het door de raadsman aangevoerde als uitgangspunt wordt genomen kan niet gezegd worden dat er op ontoelaatbare wijze inbreuk is gemaakt op rechten van de verdachte of dat rechtens te respecteren belangen van de verdachte zijn geschonden. De verdachte kan er rechtens geen aanspraak op maken dat bij activiteiten met het oog op een beoogde transactie in verdovende middelen waarbij hij zelf mogelijk is betrokken, wordt ingegrepen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 31 december 2002 in de gemeenten Terneuzen en Dordrecht en Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren van een grote hoeveelheid pillen van een materiaal bevattende

3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA(XTC)),zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet,

voor te bereiden of te bevorderen,

- zich inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader opzettelijk:

- telefonische afspraken gemaakt en telefonische contacten onderhouden met personen (te weten [naam 1] en [naam 2]) over de levering van (monsters van) die (grote) hoeveelheid pillen van een materiaal bevattende 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA(XTC)) en

- besprekingen gevoerd met personen (te weten [naam 1] en [naam 2]) over de levering van (monsters van) die grote hoeveelheid pillen van een materiaal bevattende

3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA(XTC)) en

- monsters van die grote hoeveelheid pillen van een materiaal bevattende

3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA(XTC)) afgenomen van leveranciers (te weten [naam leverancier 1] en [naam leverancier 2]).

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

voor te bereiden of te bevorderen zich inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te

verschaffen en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft

om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de

ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan en met de persoon en

de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan,

heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met een ander voorbereidingshandelingen verricht ten aanzien

van een uiteindelijk niet verwezenlijkte deal, gericht op de levering van een partij van 100.000 XTC pillen. De handelingen van de verdachte bestonden met name daaruit, dat hij samen met zijn mededader besprekingen heeft gevoerd met (tussen-)leveranciers over prijzen en hoeveelheden van de te leveren drugs en het in ontvangst nemen van monsters van die drugs.

Activiteiten betreffende het voorbereiden of bevorderen van een misdrijf ter zake van (georganiseerde) handel in harddrugs vormen een gevaar voor de volksgezondheid en ondermijnen vanwege de daarmee samenhangende handelingen ook de rechtsorde. De

handel in harddrugs is immers uiterst lucratief waarbij de deelnemers aan de handel zich

in het algemeen uitsluitend laten leiden door eigen winstbejag zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke schade die wordt veroorzaakt.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d.

[datum], waaruit blijkt dat de verdachte eerder wegens strafbare feiten, waaronder ook Opiumwetdelicten, met de politie en justitie in aanraking is gekomen en dat het feit is gepleegd tijdens de proeftijd ter zake van een veroordeling wegens een verkeersmisdrijf.

De rechtbank is van oordeel dat niettegenstaande de beperkte rol van de verdachte bij het plegen van de voorbereidingshandelingen, gelet op het strafblad van de verdachte, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbeneming met zich brengende gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onvoorwaardelijk deel van die vrijheidsstraf beperkt blijven tot drie maanden.

De voorwaardelijke gevangenisstraf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 10a van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het onder 1 bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (ZES) MAANDEN.

Zij bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (DRIE) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Zij bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak

in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij heft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op, zulks met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.C.M. Reinarz, voorzitter,

mrs. M.P. Meeuwisse en D. Verboom, rechters,

in tegenwoordigheid van P.L. Francke als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2004.