Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AS7355

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-10-2003
Datum publicatie
23-02-2005
Zaaknummer
12/000219-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een organisatie die vreemdelingen behulpzaam is geweest bij hun verblijf in Nederland, terwijl zij geen geldige verblijfstitel voor Nederland hadden. Verdachte bediende zich van leden van de organisatie die zorg droegen voor onder meer het huren van boten, het storten van geldbedragen ten behoeve van de huur van die boten, het incasseren van die geldbedragen en het maken van de overtocht met die vreemdelingen. Verdachte ontplooide hierbij voornamelijk op afstand de initiatieven waarnaar de andere deelnemers zich richtten en waarbij zij de risico’s liepen.

Voorts heeft verdachte zich eveneens in georganiseerd verband diverse malen schuldig gemaakt aan de uitvoer van handelshoeveelheden hasjiesj of hennep van Nederland naar Engeland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer : 12/000219-02

Datum uitspraak : 14 oktober 2003

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 28 januari 2003

Datum voorlopige hechtenis: 31 januari 2003

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum en plaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. A.H.J. Neels, advocaat te Vlissingen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

24 april 2003, 17 juli 2003, 11 september 2003 en 30 september 2003.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.C.P. Rammeloo en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3, 4 primair en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van het zeiljacht “Yaymaya” en het motorjacht “Sealion”.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie voornemens is een vordering ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht tegen de verdachte aanhangig te maken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting d.d. 17 juli 2003 op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001

tot en met 28 januari 2003,

in de gemeente(n) Vlissingen en/of Rijswijk en/of Middelburg en/of Velsen,

en/of Hoorn en/of Cromstrijen en/of Hellevoetsluis en/of Goedereede, in elk

geval (elders) in Nederland, en/of in België en/of in Frankrijk en/of in

Engeland, althans in elk geval in het buitenland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die bestond uit verdachte

en/of [medeverdachte 1] en/of [medepleger 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medepleger 2] en/of [medepleger 3] en/of een persoon genaamd [medepleger 4] en/of een persoon genaamd [medeverdachte 3]en/of een persoon genaamd [medepleger 5]en/of een of meer andere

perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het - uit beroep of gewoonte - (telkens) een of meer perso(o)n(en) uit

winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of

verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve

van Nederland grenscontrole uit te oefenen en die perso(o)n(en) daartoe uit

winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft terwijl die

organisatie wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang of dat

verblijf wederrechtelijk was, en/of het voorbereiden van deze misdrijven,

en/of

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer

(een) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een of meer middelen vermeld op lijst

II van de Opiumwet, en/of

- het opzettelijk - uit beroep of gewoonte - verkopen en/of het afleveren

en/of het bewerken en/of het verwerken en/of het bereiden en/of het

verstrekken en/of het bereiden en/of het aanwezig hebben van een of meer

middelen vermeld op lijst II van de Opiumwet, en/of

- het opzettelijk - uit beroep of gewoonte - telen en/of bereiden en/of

bewerken en/of verwerken van een of meer middelen vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, en/of

- het doen plegen en/of de uitlokking van en/of de medeplichtigheid aan een of

meer van de hierboven omschreven misdrijven,

zijnde hij, verdachte, (mede)oprichter en/of bestuurder en/of leidinggevende

binnen die organisatie geweest, althans heeft hij binnen die organisatie een

leidinggevende rol gespeeld;

(hfdstk 8)

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot

en met 28 januari 2003, in elk geval in de periode van 1 januari 2002 tot en

met 28 januari 2003, in de gemeente(n) Vlissingen en/of (te Stellendam, gemeente) Goedereede en/of Hellevoetsluis en/of Velsen, en/of (te Numansdorp, gemeente) Cromstrijen

en/of Rijswijk, in elk geval (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, een of meer (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), en/of een of

meer (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hashish en/of hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II, althans in elk geval (een) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van

(een) middel(en) als bedoeld in artikel lid 1 onder d van de Opiumwet en

opgenomen in de bij die wet behorende lijst II;

(hfdstk 1, 4, 5, 6, 7-1, 7-3)

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 3 lid 1 ahf/ond A Opiumwet

art 11 lid 4 Opiumwet

en voor zover terzake het onder 2 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot

en met 28 januari 2003, in elk geval in de periode van 1 januari 2002 tot en

met 28 januari 2003, in de gemeente(n) Vlissingen en/of (te Stellendam, gemeente) Goedereede en/of Hellevoetsluis en/of Velsen, en/of (te Numansdorp, gemeente) Cromstrijen

en/of Rijswijk, in elk geval (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), en/of een of meer (grote) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende hennep, zijnde hashish en/of hennep (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, althans in elk geval (een) (handels)hoeveelhe(i)d(en) van (een)

middel(en) als bedoeld in artikel lid 1 onder d van de Opiumwet en opgenomen

in de bij die wet behorende lijst II, terwijl hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) daarbij handelde(n) in de uitoefening van een beroep of bedrijf;

art 11 lid 2 Opiumwet

art 11 lid 3 Opiumwet

art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot

en met 28 januari 2003, in elk geval in de periode van 1 januari 2002 tot en

met 28 januari 2003, in de gemeente(n) Vlissingen en/of Middelburg en/of Velsen een/of Amsterdam en/of Rijswijk, in elk geval (elders) in Nederland, en/of in België en/of

Frankrijk, althans in elk geval in het buitenland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

8, althans een of meer perso(o)n(en) (van Birmaanse en/of Indische

nationaliteit, althans van Aziatische komaf), en/of 11, althans een of meer

andere perso(o)n(en) (van Indische en/of Bengaalse nationaliteit, althans van

Indische en/of Bengaalse komaf), en/of een of meer andere perso(o)n(en) (van

een buitenlandse nationaliteit/komaf), in elk geval een aantal perso(o)n(en) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen

en/of hem/hen daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) wist/wisten of ernstige redenen had/hadden te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft/hebben is/zijn verdachte en/of een of meer mededader(s),

- meermalen, althans eenmaal, vanuit Engeland, in elk geval vanuit het

buitenland (via Western Union) een of meer geldbedrag(en) overgemaakt,

althans laten overmaken naar (een) bank(en) in Nederland en/of (vervolgens)

dat/die geldbedrag(en) op een of meer plaats(en) bij die/een bank(en)

opgenomen en/of laten opnemen (voor de betaling van huur van een of meer

bo(o)t(en) waarmee die (illegale) perso(o)n(en) werden vervoerd (naar het

buitenland), en/of

- een of meer bo(o)t(en) gehuurd en/of laten huren (o.a. door [medepleger 2]en/of

[medepleger 6] voor de overtocht met die (illegale) perso(o)n(en) vanuit

Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland

grenscontrole uit te oefenen naar Engeland, althans naar het buitenland,

en/of

met die (gehuurde) bo(o)t(en) gevaren en/of laten varen, naar een haven in Nederland en/of in België, alwaar die illegale perso(o)n(en) aan boord

van die bo(o)t(en) konden komen, en/of

- die (illegale) perso(o)n(en) (met een auto en/of met de trein) gebracht

en/of laten brengen/vervoeren naar de onderneming van verdachte (gevestigd

aan de [adres 1] te Vlissingen) en/of die perso(o)n(en) aldaar onderdak

verschaft, althans laten verschaffen, tot aan de (boot)tocht naar Engeland,

en/of

- die (illegale) personen vervoerd en/of laten vervoeren en/of begeleid,

althans laten begeleiden naar die bo(o)t(en) (o.a. de Seawitch en/of de Pim

en/of de Zeemeeuw en/of de Trinidad 49/Christina en/of de Sun Odyssey/Tapa

en/of de Princess/Sealion en/of de Baraka), althans naar een of meer

bo(o)t(en) en/of

vervolgens die (illegale) personen plaats laten nemen op/in die bo(o)t(en)

en/of (vervolgens) met die bo(o)t(en) (door verdachte en/of [medepleger 7]

en/of [medepleger 3] en/of [medepleger 1] en/of [medepleger 2] en/of [medeverdachte 4],

althans een of meer mededader(s)) buiten de territoriale wateren van

Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland

grenscontrole uit te oefenen, althans in de richting van Engeland, in elk

geval naar het buitenland, gevaren en/of laten varen,

terwijl hij, verdachte, en/of een of meer mededader(s) daarvan een beroep of

gewoonte maakte(n); (Hfdstk 1, 2, 5, 6, 7-2, 7-3, 7-4))

art 197a lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2002 tot

en met 13 april 2002, in elk geval in de maand april 2002,

in de gemeente(n) Vlissingen en/of Amsterdam en/of Hoorn, in elk geval

(elders) in Nederland, en/of in Engeland, althans in het buitenland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van een misdrijf/misdrijven waarop naar de wettelijke

omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,

te weten aan een of meer perso(o)n(en) uit winstbejag behulpzaam zijn bij het

zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat

welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen

en/of hem/hen daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen

heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

wist/wisten of ernstige redenen had/hadden te vermoeden dat die toegang of dat

verblijf wederrechtelijk was, hetgeen het misdrijf van artikel 197a van het

Wetboek van Strafrecht oplevert,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) opzettelijk voorwerpen en/of

vervoermiddelen voorhanden gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging

begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, te weten

- geld (dat gebruikt werd voor de huur van een zeil/motorboot) heeft

overgemaakt, althans laten overmaken (via Western Union), en/of

- (dat) geld (dat via de Western Union was overgemaakt) heeft geïncasseerd,

althans heeft laten incasseren, (bij de Postbank) te Hoorn, en/of

- een zeil/motorboot (type Bavaria 40, genaamd Le Belle Ile) heeft/hebben

gehuurd, althans laten huren en daarmee (op proef) is gevaren, althans heeft

laten (proef)varen naar Engeland, althans naar het buitenland; (hfdstk 3)

art 197a lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 4 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2002 tot

en met 13 april 2002, in elk geval in de maand april 2002, in de gemeente(n) Vlissingen en/of Amsterdam en/of Hoorn, in elk geval (elders) in Nederland, en/of in Engeland, althans in het buitenland, ter uitvoering van een voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer perso(o)n(en) uit winstbejag behulpzaam te zijn bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland of enige staat welke

gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en/of

hem/hen daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist/wisten of ernstige redenen had/hadden te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,

- geld (dat gebruikt werd voor de huur van een zeil/motorboot) heeft

overgemaakt, althans laten overmaken (via Western Union), en/of

- (dat) geld (dat via de Western Union was overgemaakt) heeft geïncasseerd,

althans heeft laten incasseren, (bij de Postbank) te Hoorn, en/of

- een zeil/motorboot (type Bavaria 40, genaamd Le Belle Ile) heeft/hebben

gehuurd, althans laten huren, en daarmee (op proef) is gevaren, althans

heeft laten (proef)varen naar Engeland, althans naar het buitenland,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 45 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 197a lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 28 januari 2003, in de gemeente Goes,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de Westsingel) een

hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 650, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 3 lid 1 ahf/ond C Opiumwet

Geldigheid inleidende dagvaarding

Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat de tenlastelegging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat volstrekt onduidelijk is wat aan cliënt inzake Le Belle Ile ten laste wordt gelegd en voor welke periode. Derhalve concludeert hij dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van dit feit nietig behoort te worden verklaard.

De rechtbank begrijpt dat de raadsman, nu hij refereert aan Le Belle Ile, niet doelt op feit 3, maar op feit 4.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 4 tenlastegelegde feit voldoende duidelijk is omschreven en voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman. Verdachte heeft niet eerder te kennen gegeven dat hij niet begrijpt wat de tenlastelegging op dit punt inhoudt. Voorts heeft verdachte gesteld onschuldig te zijn. Zulks impliceert dat hij heeft begrepen welk verwijt hem wordt gemaakt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ten aanzien van feit 3 subsidiair (de rechtbank begrijpt ook hier dat het verweer op feit 4 subsidiair ziet) een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat zijn cliënt geen geld heeft overgemaakt of laten overmaken via Western Union. Verdachte heeft dat geld evenmin geïncasseerd. De raadsman vraagt zich voorts af in hoeverre het eventueel proefvaren een strafbaar feit zou kunnen opleveren.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Het verweer van de raadsman ziet naar het oordeel van de rechtbank op de onmogelijkheid van bewezenverklaring. De vraag of een feit bewezen kan worden verklaard staat los van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Nu het verweer van de raadsman dient te worden verworpen en nu ook overigens geen feiten of omstandigheden, die tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zouden moeten leiden, aannemelijk zijn geworden zal de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging tegen de verdachte.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair en subsidiair is tenlastegelegd. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

Onder feit 4 primair en subsidiair wordt aan verdachte tenlastegelegd dat hij mensensmokkel heeft voorbereid of een poging tot mensensmokkel heeft gedaan.

Artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht stelt strafbaar het uit winstbejag behulpzaam zijn bij of medeplichtig zijn aan het aan illegale vreemdelingen verschaffen van toegang tot of het verblijven in Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen. Onder dit laatst begrip dienen in ieder geval de zogenaamde Schengenlanden te worden verstaan. Mogelijk dienen daaronder ook de andere landen van de Europese Unie te worden begrepen, omdat zij een gezamenlijke buitengrens hebben ten aanzien van personenverkeer. Aangezien Groot-Brittanië geen Schengenland is en ook geen gezamenlijke buitengrens met Nederland heeft kan Engeland/Groot-Brittanië niet worden bestempeld als een staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen.

Nu dit niet bewezenverklaard kan worden dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken. Wat overblijft is dat verdachte uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijf in Nederland en daar dit een reeds voltooid misdrijf is kan verdachte niet veroordeeld worden voor het voorbereiden daarvan dan wel een poging daartoe.

De verdachte moet derhalve worden vrijgesproken van het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2001

tot en met 28 januari 2003, in Nederland, en in België en in Frankrijk en in

Engeland, heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die bestond uit verdachte en andere personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het telkens personen uit winstbejag behulpzaam zijn bij het

verblijven in Nederland terwijl die organisatie wist dat dat verblijf wederrechtelijk was,

en

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van handelshoeveelheden van middelen vermeld op lijst

II van de Opiumwet, en

- het opzettelijk - uit beroep of gewoonte - verkopen en het afleveren van een of meer

middelen vermeld op lijst II van de Opiumwet,

hebbende hij, verdachte, binnen die organisatie een leidinggevende rol gespeeld;

(hfdstk 8)

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2001 tot en met 28 januari 2003, in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, handelshoeveelheden van een materiaal bevattende

een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van

hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), of handelshoeveelheden van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hashish en hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst II

3.

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2001 tot en met 28 januari 2003,

in Nederland, en in België en Frankrijk, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

personen van Aziatische komaf), en personen (van een buitenlandse nationaliteit),

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was,

immers is/zijn

- meermalen, vanuit Engeland, in elk geval vanuit het

buitenland (via Western Union) geldbedragen overgemaakt,

naar een bank in Nederland en vervolgens is

dat geld opgenomen (voor de betaling van huur van een of meer

boten waarmee die illegale personen werden vervoerd (naar het

buitenland), en

- een of meer boten gehuurd (o.a. door [medepleger 2] en

[medepleger 6] voor de overtocht met die illegale personen vanuit

Nederland naar Engeland, en

- met die gehuurde boten gevaren, naar een haven

in Nederland, alwaar die illegale personen aan boord

van die boten konden komen, en

- die personen aan de [adres 1] onderdak verschaft,

tot aan de boottocht naar Engeland, en

- die illegale personen vervoerd naar die boten (de Seawitch en de Pim en

- hebben verdachte en zijn mededader(s) vervolgens die illegale personen plaats laten

nemen in die boten en vervolgens met die boten (door [medepleger 7] en [medepleger 3] en [medepleger 1] en [medepleger 2] buiten de territoriale wateren van

Nederland in de richting van Engeland, gevaren ; (Hfdstk 1, 2, 5, 6, 7-2, 7-3, 7-4))

5.

hij op 28 januari 2003, in de gemeente Goes,

tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de Westsingel) een

hoeveelheid van in totaal ongeveer 650, hennepplanten daarvan, zijnde hennep een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair, 3 en 5 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1: het als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

2 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

3: tezamen en in vereniging met een ander of anderen een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd;

5: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is in ieder geval in de periode van januari 2001 tot en met januari 2003, in georganiseerd verband, een aantal keren vreemdelingen behulpzaam geweest bij hun verblijf in Nederland, terwijl zij geen geldige verblijfstitel voor Nederland hadden. Verdachte was hiervan op de hoogte. Zijn hulp bestond in het bijzonder uit het verschaffen van onderdak alsmede het organiseren van (verder) vervoer vanuit Nederland naar Engeland. Verdachte bewerkstelligde dat een groot aantal illegalen tegen betaling enkele dagen zonder dat voor hen slaapplaatsen beschikbaar waren gesteld in zijn huis verbleven. Tevens zorgde verdachte ervoor dat er boten werden gehuurd waarmee de vreemdelingen de overtocht konden maken. Op een van de twee boten, de Pim, werden meer vreemdelingen vervoerd dan waarvoor reddingsmateriaal aanwezig was, waardoor levensgevaarlijke situaties ontstonden. Het is deze boot geweest die ook daadwerkelijk in nood is geraakt. Door alert optreden van de Engelse Kustwacht is een ramp voorkomen. Voorts maakte de organisatie zich ook schuldig aan het buiten het grondgebied brengen van Nederland van handelshoeveelheden hashish of hennep.

Verdachte bediende zich van leden van de organisatie die zorg droegen voor onder meer het huren van boten, het storten van geldbedragen ten behoeve van de huur van die boten, het incasseren van die geldbedragen en het maken van de overtocht met die vreemdelingen. Verdachte ontplooide hierbij voornamelijk op afstand de initiatieven waarnaar de andere deelnemers zich richtten en de risico’s liepen.

Door op de hiervoor omschreven wijze mee te werken aan illegaal verblijf van personen hier te lande heeft verdachte het belang dat de openbare orde heeft bij uitblijven van dergelijke medewerking geschonden. Dat belang is gelegen in de mogelijkheid voor de overheid om een gereguleerd asielbeleid te kunnen voeren. Die mogelijkheid wordt doorkruist indien personen buiten de reguliere asielmogelijkheden om feitelijk verblijf gaan houden in Nederland of een van de andere Schengen-staten. Die doorkruising frustreert aldus niet alleen het gewenste asielbeleid maar schept ook ernstige feitelijke ongelijkheid ten opzichte van hen die via de reguliere kanalen een asielverzoek doen maar wier verzoek wordt afgewezen.

Verdachte heeft met zijn mededaders misbruik gemaakt van de afhankelijke situatie waarin de te smokkelen personen die veelal voor hun reis naar Engeland veel geld moeten betalen, verkeerden. Verdachte heeft zijn diensten verleend om daarmee zelf extra inkomsten te verwerven. Aldus is door hem uit winstbejag gehandeld. Het handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen - in het bijzonder die op menswaardige behandeling - ondergeschikt worden gemaakt aan het belang bij winst.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de criminele organisatie een leidinggevende rol speelde.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 11 april 2003. Bij de bepaling van de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte reeds diverse malen eerder is veroordeeld wegens het plegen van opiumwetdelicten. De daarvoor aan verdachte opgelegde straffen, waaronder gevangenisstraffen voor lange duur, hebben hem er niet van weerhouden zich thans opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank houdt daarmee in het nadeel van verdachte rekening.

De Stichting Reclassering Nederland, ressort Den Haag, unit Middelburg heeft op verzoek van de officier van justitie getracht een voorlichtingsrapportage betreffende verdachte op te maken, maar daar verdachte hetgeen hem ten laste wordt gelegd ontkend en niet wil meewerken hebben zij niet aan het verzoek kunnen voldoen.

Alhoewel de rechtbank verdachte, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, vrijspreekt van het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde is de straf die de rechtbank voor de bewezenverklaarde feiten passend en noodzakelijk acht even hoog als de geëiste straf. Daarmee legt de rechtbank een zwaardere straf op en daartoe heeft de rechtbank besloten omdat zij zwaarder dan de officier van justitie heeft gedaan laat meewegen dat verdachte de vreemdelingen mensonwaardig heeft behandeld en daarbij onnodig grote risico’s heeft genomen.

De bewezenverklaarde feiten zijn, mede gelet op het gevaarzettende karakter daarvan, ernstige feiten en naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Beslag

De in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 boot, zeiljacht “Yaymaya”;

- 1 boot, motorjacht “Sealion”

zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien met behulp van deze voorwerpen, die aan verdachte toebehoren dan wel waarvan degene aan wie zij toebehoren bekend was met het feit dat zij gebruikt werden voor strafbare feiten, het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde is begaan.

Voornoemde voorwerpen zullen daarom verbeurd worden verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 63, 140 en 197a van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart de dagvaarding geldig.

Zij verklaart de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het onder 1, 2 primair, 3 en 5 bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Zij verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- 1 boot, zeiljacht “Yaymaya”;

- 1 boot, motorjacht “Sealion.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter, mrs. D.C. van Reekum en F.C.J.E. van Hemert-Meeuwis, rechters, in tegenwoordigheid van A.P.M. Philipsen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2003.