Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AO3717

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
13-02-2004
Zaaknummer
439/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leerling wordt op school in het oog getroffen door een papieren pijltje dat een 20-jarige medeleerling. Zowel school als medeleerling wordt aangesproken. Leerling heeft onrechtmatig gehandeld. Vordering jegens school afgewezen; geen sprake van onzorgvuldig handelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2003/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Middelburg

Sector civiel recht

Vonnis van 23 april 2003 in de zaken van:

rolnr.: 439/01

eiser,

wonende te Hulst,

eiser,

procureur: mr. C.J. IJdema,

advocaat: mr. A.W.M. Roozeboom,

tegen:

1. gedaagde,

wonende te Hulst,

gedaagde,

procureur: mr. N.H. van Everdingen,

advocaat: mr. R.F.L.M. van Dooren,

en tegen:

2. de stichting

Stichting Regionaal Opleidingscentrum Zeeuwsch-Vlaanderen,

gevestigd te Terneuzen,

gedaagde,

procureur: mr. M. van der Bent,

advocaat: mr. S.A.E. van Hemert.

en rolnr.: 216/02

de stichting

Stichting Regionaal Opleidingscentrum Zeeuwsch-Vlaanderen,

gevestigd te Terneuzen,

eiseres in vrijwaring,

procureur: mr. M. van der Bent,

advocaat: mr. S.A.E. van Hemert,

tegen:

gedaagde,

wonende te Hulst,

gedaagde in vrijwaring,

procureur: mr. N.H. van Everdingen,

advocaat: mr. R.F.L.M. van Dooren.

De hoofdzaak (rolnr. 439/01)

1. Het verloop van de procedure

1.1. De rechtbank verwijst naar haar vonnis van 20 maart 2002. Ter uitvoering van dit vonnis heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden op 25 april 2002. Van het ter comparitie verhandelde is proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben inlichtingen verstrekt; een minnelijke regeling is niet totstandgekomen.

1.2. Daarna zijn de volgende processtukken gewisseld:

- de conclusie van repliek namens eiser, verder te noemen: eiser;

- de conclusie van dupliek namens gedaagde sub 1, verder: gedaagde;

- de conclusie van dupliek namens gedaagde sub 2, verder: ROC;

- de akte namens eiser.

Ieder van partijen heeft stukken in het geding gebracht.

2. De feiten

2.1. Op 3 oktober 2000 heeft zich in een gang in het schoolgebouw van ROC, een school voor voortgezet onderwijs, een ongeval voorgedaan waarbij eiser, leerling van ROC, in het linkeroog werd getroffen door een papieren pijltje dat zijn medeleerling, gedaagde, had weggeblazen door een twee à drie meter lange - blijkbaar door een (andere) medeleerling aan het uiteinde ondersteunde - pvc-buis. Eiser en gedaagde stonden op ongeveer zes meter van elkaar. Op 3 oktober 2000 waren zij beiden 20 jaar oud. Eiser heeft ernstig oogletsel opgelopen. De pvc-buis lag in de gang in verband met werkzaamheden aan het elektrische systeem van het schoolgebouw.

3. Het geschil

3.1. Eiser vordert een verklaring voor recht dat beide gedaagden aansprakelijk zijn voor het ongeval op 3 oktober 2000 en veroordeling van gedaagden tot betaling van de schade, zoals nader bij staat zal worden opgemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum ongeval. Hij vordert voorts veroordeling van gedaagden tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, welke nader bij staat zullen worden opgemaakt, en hun veroordeling in de kosten van de procedure.

3.2. Eiser voert daartoe ten aanzien van gedaagde het volgende aan.

Gedaagde, ten tijde van het ongeval 20 jaar oud, had moeten kunnen weten dat zijn handeling een risico in het leven riep, ondanks het feit dat gedaagde niet bewust op eiser heeft gericht. Er is geen sprake van een betrekkelijk onschuldige handeling. Gedaagde nam meer risico dan verantwoord was, immers hij kon weten dat men met het blazen van pijltjes iemand kan raken. Hij had zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dergelijk risicoscheppend en onnodig gedrag moeten onthouden. Van een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geen sprake. Er is ook geen sprake van een sport en spel situatie. Eiser stond met medeleerlingen te praten en nam niet deel aan het spel met de pijltjes.

3.3. Ten aanzien van ROC voert eiser het volgende aan. ROC is aansprakelijk aangezien het voorval zich heeft afgespeeld in haar gebouw en eiser leerling is en als zodanig een bescherming geniet. Er vond een verbouwing plaats in het schoolgebouw. Enkele pvc-buizen waren achtergebleven. ROC had vanuit haar verantwoordelijkheid als onderwijsinstelling beschermingsmaatregelen moeten nemen, bijvoorbeeld in de vorm van huisregels, om andere leerlingen tegen gevaarzettend gedrag, zoals aan de dag gelegd is door gedaagde, te beschermen.

Het is aannemelijk dat op een school niet alle jongeren de nodige voorzichtigheid in acht nemen. De kans dat daardoor ongelukken ontstaan is aanwezig. ROC had ervoor moeten zorgdragen dat er geen pvc-buis rondslingerde. ROC heeft een gevaarzettende situatie geschapen.

3.4. Gedaagde betwist aansprakelijk te zijn en voert daartoe het volgende aan. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. In de gang van de school lagen wat stukken afgezaagde pvc-buis en bladzijden van een tijdschrift. Enkele klasgenoten van gedaagde hebben het initiatief genomen van het papier pijltjes te draaien en die door een stuk buis door de gang te blazen. Gedaagde kreeg de blaaspijp als derde of vierde in zijn groepje in handen en heeft willekeurig en zonder zelf te richten, terwijl een derde het uiteinde van de buis vasthield, een pijltje afgeschoten. Het was niet de bedoeling iemand te raken, terwijl, gelet op het gebrek aan ervaring, hij zelfs geen notie had hoever het pijltje zou dragen, respectievelijk waar dat ook maar bij benadering terecht zou komen.

De kans dat zich als gevolg van de betrekkelijk onschuldige handeling van gedaagde letsel zou voordoen als hier het geval is geweest, was zodanig gering dat daarmede in redelijkheid geen rekening kon worden gehouden. Die kans was niet dermate groot dat gedaagde zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van zijn gedrag had moeten onthouden.

3.5. ROC betwist aansprakelijk te zijn en voert daartoe het volgende aan. ROC is een school voor voortgezet onderwijs. Alle leerlingen hebben minimaal de leeftijd van 16 jaar bereikt. Gedaagde en eiser waren beiden 20 jaar oud. Ten tijde van het voorval vonden in de school werkzaamheden plaats. Aan het eind van iedere werkdag werden de werkmaterialen en het afval door de aannemers opgeruimd. De na deze opruiming nog aanwezige restanten en afval werden opgeruimd door de huishoudelijke dienst, die vervolgens ook de school schoonmaakte. Indien er op 3 oktober 2000 in de gangen werkmaterialen aanwezig zijn geweest, waren dit slechts de materialen die op dat moment door de elektricien werden gebruikt.

3.6. Op 3 oktober 2000 waren in de school twee conciërges en drie leden van de huishoudelijke dienst aanwezig. Zij hebben door de school gelopen, de school netjes gehouden en toezicht gehouden op de leerlingen en het gedrag van de leerlingen.

ROC kon niet verwachten, en behoorde ook niet te verwachten, dat leerlingen in de leeftijd van 20 jaar pijltjes gaan draaien en deze, met zich in de gang bevindende materialen van aannemers, gaan schieten in de richting van zich in de gang bevindende medeleerlingen. Andere maatregelen dan de reeds genoemde, zoals het plaatsen van een toezichthouder bij ieder leslokaal, konden van ROC niet worden gevergd.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank zal eerst oordelen over de tegen gedaagde gerichte vordering. Deze berust erop dat gedaagde jegens eiser onrechtmatig heeft gehandeld daarin bestaande dat hij zich van het wegblazen van een papieren pijltje op de wijze als hij deed had moeten onthouden omdat hij daarmee de kans op schade door ernstig letsel bij een medeleerling, die zich met andere leerlingen in zijn nabijheid bevond, heeft verwezenlijkt.

4.2. In een geval als het onderhavige geldt dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van een aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn. Zodanig gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.

4.3. De rechtbank oordeelt dat gedaagde in de omstandigheden van het geval zich van het wegschieten van een papieren pijltje had dienen te onthouden. Door te schieten heeft gedaagde een groter risico genomen dan verantwoord in de gegeven omstandigheden dat schade door ernstig letsel, hetgeen zich heeft gerealiseerd, het gevolg zou zijn. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat voor een twintigjarige jongeman als gedaagde duidelijk had moeten zijn dat een door een pvc-buis weggeschoten papieren pijltje een persoon kon bereiken die zich op een afstand van ongeveer zes meter bevond en deze persoon in een oog kon treffen. Voorts had hij moeten beseffen dat, als dit zich voordeed, oogletsel het gevolg kon zijn. Ook al was de waarschijnlijkheid van een dergelijk ongeval niet groot, gezien de mogelijke ernst van de gevolgen was die waarschijnlijkheid naar het oordeel van de rechtbank groot genoeg om een hoge mate van zorgvuldigheid te eisen. Die bracht mede dat gedaagde zich van het onnodige wegschieten van een pijltje in de gang waar andere leerlingen stonden had moeten onthouden.

4.4. Gedaagde heeft aangevoerd dat hij willekeurig en zonder te richten een pijltje heeft afgeschoten en dat hij geen notie had hoever het pijltje zou dragen en waar het ook maar bij benadering terecht zou komen. Deze stellingen maken de van hem te eisen zorgvuldigheid niet minder; zij tonen veeleer dat hij niet erop mocht rekenen dat zijn handelen geen onbedoelde, schadelijke effecten zou hebben, althans dat hij zich van bedoeld handelen had moeten onthouden. Hij kon ook niet verwachten dat eiser, die met anderen stond te praten en niet aan het spel met de pijltjes deelnam, op het gevaar bedacht zou zijn en zichzelf daartegen zou beschermen.

4.5. Gedaagde heeft een beroep gedaan op een door hem overgelegd advies van Prof. mr. (naam). Uit het advies blijkt dat deze uitgaat van hetzelfde criterium voor aansprakelijkheid als hiervoor door de rechtbank in 4.2 vermeld. De feitelijke vraag of aan dit criterium in de onderhavige zaak is voldaan beantwoordt Prof. (naam) - zonder nadere argumenten en in zeer voorzichtige bewoordingen - ontkennend. De rechtbank beoordeelt deze feitelijke vraag anders op grond van de hierboven in 4.3 vermelde overwegingen.

4.6. De vordering van eiser tegen gedaagde, strekkende tot het verkrijgen van en verklaring voor recht, is toewijsbaar.

Bij repliek heeft eiser een stuk genaamd schadestaat overgelegd, zonder echter zijn eis te wijzigen. Gedaagde heeft op de in het stuk vermelde cijfers niet gereageerd, kennelijk in de gedachte dat het debat over de schadecijfers eerst in de schadestaatprocedure zou plaatsvinden. De rechter kan evenwel de schade die begroot kan worden reeds eerder vaststellen en toewijzen. Teneinde een vlot verloop van de procedure te bevorderen zal de rechtbank gedaagde in de gelegenheid stellen bij akte te reageren op hetgeen eiser omtrent zijn schade in de overgelegde staat heeft gesteld, waarna de posten waarover kan worden beslist kunnen worden afgedaan. De rechtbank verzoekt eiser daaraan voorafgaande, opdat gedaagde zich daarop gemotiveerd kan uitlaten, bij akte bewijsstukken aangaande verschillende schadeposten in het geding te brengen. De resterende posten zullen in een schadestaatprocedure aan de orde kunnen komen. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van akten waarbij eiser het eerst aan het woord is. Partijen kunnen bij het nemen van de akten tevens de voorafgaande aan de comparitie van partijen per brief aan de rechtbank gezonden stukken in het geding brengen.

4.7. De vordering van eiser tegen ROC berust erop dat ROC als onderwijsinstelling de leerlingen voor gevaarzettend gedrag door andere leerlingen had moeten behoeden, zoals nader hierboven in 3.3 weergegeven.

4.8. De rechtbank oordeelt dat hetgeen eiser in dit verband heeft gesteld onvoldoende is om aan te nemen dat ROC onrechtmatig heeft gehandeld door anders te handelen dan van haar kon worden verwacht. De rechtbank neemt daartoe het volgende in aanmerking. ROC is een school voor voortgezet onderwijs; alle leerlingen zijn minimaal 16 jaar oud. Gedaagde was 20 jaar oud. De loutere aanwezigheid van een of meer stukken pvc-buis in een gang van de school is niet een omstandigheid van die aard dat te vrezen viel dat een leerling van de leeftijd van gedaagde daarvan gebruik zou maken voor risicoscheppende spelletjes. Van een jongeman van die leeftijd mag een verantwoordelijk gedrag worden verwacht.

De waarschijnlijkheid dat dit anders zou zijn en een kans op ernstig lichamelijk letsel zou opleveren acht de rechtbank niet zo groot dat een schoolinstelling als ROC daartegen maatregelen zou moeten nemen. De in de gang liggende pvc-buis was niet meer dan een hulpmiddel om bij onverantwoordelijk gedrag te gebruiken. Alle hulpmiddelen voor potentieel wangedrag uit de school te verwijderen is een praktische onmogelijkheid. Evenzeer praktisch onmogelijk is het op alle plaatsen in de school bij voortduring toezicht op de leerlingen te houden, terwijl het door eiser bepleite uitvaardigen van "huisregels", die noodzakelijkerwijs een zeer algemeen karakter zouden moeten dragen - ook Eiser geeft niet aan wat een "huisregel" tegen het wegblazen van papieren pijltjes zou moeten inhouden - niet effectief is tegen wangedrag als bedoeld.

4.9. ROC heeft derhalve niet gehandeld in strijd met de haar jegens eiser betamende zorgvuldigheid. De vordering van eiser tegen ROC moet worden afgewezen met veroordeling van eiser in de kosten.

De vrijwaringszaak (rolnr. 216/02)

5. Het verloop van de procedure

5.1. Bij vonnis van 6 februari 2002 heeft de rechtbank eiseres tot vrijwaring, verder te noemen ROC, toegelaten gedaagde in vrijwaring, verder te noemen: gedaagde, in vrijwaring te roepen.

5.2. De volgende processtukken zijn gewisseld:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord in vrijwaring.

Partijen hebben er mee ingestemd te compareren in de in de hoofdzaak gelaste comparitie van partijen die heeft plaatsgevonden op 25 april 2002. Van het verhandelde tijdens deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Daarna zijn de volgende processtukken gewisseld:

- de conclusie van repliek in vrijwaring;

- de conclusie van dupliek in vrijwaring.

Ieder van partijen heeft stukken in het geding gebracht.

6. De feiten

Op 3 oktober 2000 heeft zich in een gang in het schoolgebouw van ROC, een school voor voortgezet onderwijs, een ongeval voorgedaan waarbij eiser, leerling van ROC, in het linkeroog werd getroffen door een papieren pijltje dat zijn medeleerling, gedaagde, had weggeblazen door een twee à drie meter lange - blijkenbaar door een (andere) medeleerling aan het uiteinde ondersteunde - pvc-buis. Eiser en gedaagde stonden op ongeveer zes meter van elkaar. Op 3 oktober 2000 waren zij beiden 20 jaar oud. Eiser heeft ernstig oogletsel opgelopen. De pvc-buis lag in de gang in verband met werkzaamheden aan het elektrische systeem van het schoolgebouw.

7. Het geschil

In de hoofdzaak is zowel ROC als gedaagde door eiser gedagvaard op de grond dat zij beiden aansprakelijk zijn voor het ongeval op 3 oktober 2000. Voor het geval ROC tegenover eiser aansprakelijk zou zijn, vordert ROC dat gedaagde haar moet vrijwaren. Gedaagde heeft de verplichting tot vrijwaring weersproken.

8. De beoordeling

Blijkens de beslissing in de hoofdzaak wordt de vordering van eiser tegen ROC afgewezen. De voorwaarde waaronder de vordering in vrijwaring is ingesteld is derhalve niet vervuld, zodat de vordering in vrijwaring moet worden afgewezen met veroordeling van ROC in de kosten.

9. De beslissing

In de hoofdzaak (rolnr. 439/01)

De rechtbank:

- verklaart voor recht dat gedaagde aansprakelijk is voor het ongeval d.d. 3 oktober 2000;

- verwijst de zaak naar de rol van woensdag 20 mei 2003 voor het nemen van een akte zijdens eiser als hiervoor onder 4.6 overwogen, op welke akte gedaagde kan reageren;

- wijst de vordering van eiser tegen ROC af;

- veroordeelt eiser in de kosten van de procedure aan de zijde van ROC gevallen, tot op heden begroot op € 181,51 aan verschotten en op € 1.365,-- aan procureurssalaris;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

In de vrijwaringszaak (rolnr. 126/02)

- wijst de vordering van ROC af;

- veroordeelt ROC in de kosten van de procedure in vrijwaring aan de zijde van gedaagde gevallen, tot op heden begroot op nihil aan verschotten en op € 975,-- aan procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Jansen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 23 april 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.