Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AO3307

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-11-2003
Datum publicatie
10-02-2004
Zaaknummer
Awb 03/82 en 03/335
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2003:AO2518
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure omtrent een dienstongeval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

ENKELVOUDIGE KAMER BESTUURSRECHT

Reg.nrs.: Awb 03/82 en 03/335

Uitspraak inzake:

[eiser], wonende te Middelburg, eiser,

gemachtigde: mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 15 maart 2001 heeft verweerder gedeeltelijk afwijzend beslist op eisers verzoek tot vergoeding van verschillende declaraties over het jaar 1999. Het bezwaar van eiser hiertegen is bij besluit van 29 november 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 juli 2002 het beroep van eiser tegen het besluit van 29 november 2001 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw naar aanleiding van eisers bezwaren een beslissing neemt.

Bij brief, gedateerd 11 oktober 2002, heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van die beslissing. In de uitspraak van 12 december 2002 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen zes weken een besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser.

Op 30 januari 2003 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 26 februari 2003 heeft verweerder alsnog een beslissing op bezwaar genomen. Daarbij zijn eisers bezwaren gegrond verklaard, doch is wederom geweigerd de in geding zijnde kosten over 1999 te vergoeden.

Bij brief van 10 maart 2003 heeft de rechtbank eiser meegedeeld dat zijn beroep wordt aangemerkt als tevens te zijn gericht tegen het besluit van 26 februari 2003.

Bij besluit van 14 januari 2002 heeft verweerder geweigerd om de gedeclareerde kosten over 2000 te vergoeden. Ook hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. In zijn besluit van 14 april 2003 heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

Ook tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

De beroepen zijn op 16 oktober 2003 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. W.H.C. van Eck.

2. Overwegingen.

Aangezien verweerder alsnog op 26 februari 2003 een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij zijn beroep van 30 januari 2003 tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Dit beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot de besluiten van 26 februari 2003 en 14 april 2003 overweegt de rechtbank het volgende. Bij die besluiten heeft verweerder geweigerd om de in geding zijnde medische kosten van eiser over de jaren 1999 en 2000 te vergoeden. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 48, eerste lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

Die bepaling luidt volgens de tekst geldend van 1 januari 1998 tot 27 augustus 2002 als volgt:

"Indien de ziekte, uit hoofde waarvan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, voortvloeit uit een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, worden hem vergoed de naar het oordeel van Onze Minister noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging die voor rekening van de ambtenaar blijven".

De rechtbank stelt vast dat eiser in 1993 een dienstongeval is overkomen. Tengevolge van het letsel dat hij daarbij heeft opgelopen is hij niet in staat tot het verrichten van arbeid. Vanaf 1993 heeft eiser verschillende medische behandelingen ondergaan. In augustus 1999 is eiser onder behandeling gekomen van de neuroloog J.W. Koch in Leukerbad, Zwitserland.

De declaratie over 1999 betreft geneeskundige hulp en reiskosten in Nederland, kosten gemaakt in verband met een rust- en herstelperiode in een drietal recreatiebungalows alsmede de kosten voor revalidatiebehandeling in Leukerbad, Zwitserland alsmede de daarmede gepaard gaande reiskosten.

De declaratie over 2000 betreft de revalidatiebehandeling in Leukerbad en de daarmede gepaard gaande reiskosten.

Naar het oordeel van de rechtbank is er bij toepassing van artikel 48, eerste lid, ARAR, sprake van beoordelingsvrijheid in die zin dat verweerder dient te beoordelen of er sprake is van noodzakelijk gemaakte kosten ten behoeve van geneeskundige behandeling of verzorging.

Is verweerder van oordeel dat daarvan sprake is dan dient ingevolge dit artikellid vergoeding plaats te vinden.

Die beoordelingsvrijheid kan - middels het vertrouwensbeginsel - worden beperkt door het formuleren van criteria, die nader vastleggen wanneer er volgens verweerder sprake is van noodzakelijke medische kosten.

Dienaangaande stelt de rechtbank vast dat verweerder in zijn brief van 12 januari 1999 naar aanleiding van eerdere declaraties van eiser aan laatstgenoemde heeft medegedeeld aan welke criteria in het vervolg zal worden getoetst.

Van belang voor dit geschil zijn daarbij de volgende criteria:

-Voor elke behandeling dient vooraf een medische indicatie te zijn gegeven met daarbij een duidelijk omschreven behandelingstraject;

-er dient sprake te zijn van medeweten van de bedrijfsarts;

-voor alle reiskosten geldt in principe het openbaar vervoertarief van 19 cent per kilometer.

In haar uitspraak van 12 juli 2002 heeft de rechtbank met betrekking tot eerstgenoemd criterium overwogen dat verweerder die eis niet kan stellen. Immers ook in het geval dat een ambtenaar een geneeskundige behandeling heeft ondergaan waarvan de kosten eerst nadien - middels een medische indicatie - als noodzakelijk worden vastgesteld, dienen die kosten aan de ambtenaar te worden vergoed, aldus de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in die uitspraak heeft berust.

Bij de thans in geding zijnde besluiten stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser ook niet achteraf een medische indicatie heeft overgelegd met betrekking tot zijn behandeling in Zwitserland. Voorts is er, aldus verweerder, geen duidelijk omschreven behandelingstraject.

De gedeclareerde verblijfkosten in recreatiebungalows zijn in het geheel geen kosten van medische verzorging en behandeling.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten voorts gesteld dat de verlangde medische indicatie moet worden vastgesteld door een onafhankelijke medisch deskundige. Deze deskundige zou een onderzoek moeten instellen en vervolgens advies dienen uit te brengen aan verweerder over de noodzaak van de geneeskundige verzorging of behandeling, waarvoor vergoeding wordt gevraagd.

Ten aanzien van de gevraagde vergoeding van reiskosten is verweerder van mening dat alleen kosten van vervoer naar de artsen De Jong en Terburg in Nederland voor vergoeding in aanmerking komen. Het tarief daarvoor is € 0,20 per kilometer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in strijd met de door hem destijds gestelde criteria en in afwijking van de overwegingen van de rechtbank in eerdergenoemde uitspraak alsnog nieuwe eisen toegevoegd. Dat geldt zowel voor het aantonen van de medische indicatie; hetgeen thans volgens verweerder door een daartoe aangewezen deskundige zou moeten plaatsvinden alsmede voor de reiskosten, die thans worden beperkt tot gemaakte reiskosten in Nederland.

Uitgaande van die eerder vastgestelde criteria, waaraan eiser diende te voldoen en in aanmerking nemende de eerdere uitspraak, is de rechtbank van oordeel dat voor het verblijf en de behandeling van eiser in Zwitserland in 1999 en 2000 een voldoende medische indicatie is gegeven. Daarbij is van belang dat eisers huisarts hem heeft verwezen naar de Zwitserse neuroloog. Voorts maken de brieven van die neuroloog de medische noodzaak tot verblijf en behandeling in Zwitserland voldoende aannemelijk. De rechtbank verwijst in dit verband met name naar de brief van de neuroloog van 9 februari 2000. Aan het vorenstaande kan nog worden toegevoegd de inhoud van de rapportage van de verzekeringsarts van het USZO van 1 maart 2000 waaruit een zeer slechte conditie van eiser blijkt.

Voorts is op grond van de stukken voldoende komen vast te staan dat behandeling en verblijf in Zwitserland hebben plaatsgevonden met medeweten van de bedrijfsarts.

Gelet hierop is er sprake van noodzakelijke medische kosten, zodat verweerder tot vergoeding dient over te gaan.

Wat het verblijf in de recreatiebungalows betreft; onweersproken is gebleven dat het verblijf aldaar door eisers huisarts in overleg met de revalidatiepsycholoog in Delft is voorgeschreven. In het dossier bevindt zich een verklaring terzake van de huisarts van 29 maart 1999 met betrekking tot dit verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank is het verblijf in genoemde vakantiewoningen dan ook medisch geïndiceerd. Aangezien er geen sprake is geweest van een medische behandeling, maar uitsluitend van verzorging, wordt niet toegekomen aan het criterium "een duidelijk omschreven behandelingstraject".

Ook deze verblijven zijn geschied met medeweten van de bedrijfsarts.

Gelet hierop is er sprake van noodzakelijke medische kosten, zodat verweerder tot vergoeding dient over te gaan.

Ten aanzien van de kosten van de behandeling in 1999 door dokter De Jong merkt de rechtbank op dat verweerder hiervoor blijkbaar geen medische noodzaak aanwezig heeft geacht. Echter uit het bestreden besluit van 26 februari 2003 komt naar voren dat verweerder wel heeft besloten de reiskosten van en naar die dokter te vergoeden.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verweerder er (impliciet) van is uitgegaan dat er voor deze behandeling een medische indicatie is.

Gelet hierop is er sprake van noodzakelijke medische kosten, zodat verweerder tot vergoeding dient over te gaan.

Ten aanzien van de gedeclareerde kosten voor acupuncturisten en fysiotherapeuten stelt de rechtbank vast dat een medische indicatie voor deze behandelingen weliswaar aannemelijk is, doch dat een duidelijk omschreven behandelingstraject voor die behandelingen ontbreekt. Er is mitsdien geen sprake van medisch noodzakelijke kosten.

Met betrekking tot de reiskosten overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de bestreden besluiten is verweerder alsnog tot het standpunt gekomen dat een vergoeding van € 0,20 op zijn plaats zou zijn. In het verweerschrift van 23 juni 2003 wordt naar aanleiding van de grieven in beroep overwogen dat het argument van de werkelijke kosten terecht is, doch dat de vraag is hoe die kosten dan moeten worden vastgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank moet ten aanzien van die reiskosten worden aangesloten bij de gebruikelijke vergoeding bij dienstreizen, namelijk € 0,28 per kilometer. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar zal verweerder die vergoeding ook dienen toe te kennen met betrekking tot de reiskosten die zijn gemaakt met betrekking tot behandelingen waarvan de rechtbank thans de medische noodzaak heeft vastgesteld.

Het vorenstaande leidt er toe dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard ten aanzien van de vergoeding voor de kosten voor acupunctuur en fysiotherapie en voor het overige dient het beroep gegrond te worden verklaard. De bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking vanwege strijd met het vertrouwensbeginsel en vanwege strijd met het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gezien de in rubriek 1 geschetste voorgeschiedenis is er aanleiding te bepalen dat verweerder binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing op bezwaar dient te nemen op verbeurte van een dwangsom zoals door eiser verzocht.

In het voorgaande ziet de rechtbank tevens aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van gevoegde zaken van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

3. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep ten aanzien van de vergoeding van acupunctuur en fysiotherapie ongegrond;

verklaart het beroep voor het overige gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat verweerder in gebreke blijft met het nemen van een nieuw besluit tot een maximum van € 25,000,-.;

bepaalt dat het Ministerie van Verkeer en Waterstaat aan eiser de door hem betaalde griffierechten vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op

€ 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat aan eiser.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2003

door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier.

w.g.mr. M.D. Bezemer-Kralt mr. T. Damsteegt

Afschrift verzonden op: 20 november 2003

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.