Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AN8710

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
19-11-2003
Datum publicatie
24-11-2003
Zaaknummer
731/1999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvaring Westerschelde d.d. 17 december 1997 tussen BT Nautilus en Fort Fleur d'Epec. F.F.E. heeft 600 meter lijn op rede van Vlissingen overschreden, voor de loodswissel een tanker opgelopen en onvoldoende contact gezocht. Eventuele verwijten aan Nautilius vallen daarbij in hetniet. 100% schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2005, 17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis van 19 november 2003 in de zaak van:

rolnr: 731/99

De vennootschap en/of rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging

Nautilus Motortanker Company LTD.,

gevestigd te Gibraltar,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

procureur: voorheen mr. C.H. Brinkman, thans mr. C.J. IJdema,

advocaat: mr. F. de Vries Lentsch,

tegen:

de vennootschap en/of rechtspersoon naar het recht van de plaats harer vestiging,

Compagnie Generale Maritime,

gevestigd te Suresnes, Frankrijk,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur: mr. J.C. Bode-'t Hart,

advocaat: mr. E.A. Bik.

1. Het verloop van de procedure

De volgende processtukken zijn gewisseld:

- conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding, tevens houdende akteverzoek;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie;

- conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie;

- conclusie van dupliek in reconventie;

- akte zijdens gedaagde in conventie, eiseres in reconventie;

- akte zijdens eiseres in conventie, gedaagde in reconventie.

Op 10 april 2002 is pleidooi gehouden. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben producties in het geding gebracht.

2. De feiten

2.1. Op 17 december 1997 omstreeks 04.02 uur heeft op de rede van Vlissingen een aanvaring plaatsgevonden tussen het aan eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, hierna: N.M.C, toebehorende mts (genaamd "BT Nautilus") en het containerschip van gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna: C.G.M., (genaamd "Fort Fleur d'Epee). De BT Nautilus voer in ballast en was op weg van de Everingen, waar zij ten anker had gelegen, naar Rotterdam. De Fort Fleur d'Epee was beladen met containers en was op weg van Frankrijk naar Antwerpen. Beide schepen waren beloodst. Het was donker met een goed vurenzicht. De wind waaide hard tot stormachtig uit het oosten. Er stond een vloedstroom van 1 à 1,5 mijl.

2.2. De BT Nautilus en de Fort Fleur d'Epee zijn zogenaamde bovenmaatse schepen. De BT Nautilus wordt voortgestuwd door een hoofdmotor met een vermogen van 16.800 kw. Ten tijde van de aanvaring had zij een diepgang van 4,5 meter voor en 7,7 meter achter.

De Fort Fleur d'Epee wordt voortgestuwd door twee schroeven, aangedreven door twee motoren met een gezamenlijk vermogen van 36.000 kw. Zij had ten tijde van de aanvaring een diepgang van 6,10 meter voor en 8 meter achter.

2.3. De Fort Fleur d'Epee naderde vanuit de Wielingen en moest een loodswissel uitvoeren in het redegebied van Vlissingen. Vóór het loodswisselen heeft zij ter hoogte van Nieuwe Sluis tussen 03.40 uur en 03.45 uur een supertanker opgelopen. Na het oplopen hield zij ter hoogte van boei W10 even een koers van 85° aan en werd de vaart verminderd naar halve kracht vooruit. Toen de loods van de Fort Fleur d'Epee de redeboot zag aankomen draaide hij naar 60° en later naar 50° om lij te maken en de rivierloods over bakboord aan boord te nemen. Boei VR6 bevond zich daarbij net aan stuurboord van de koerslijn. Er werd met de boegschroef gemanoeuvreerd om het schip op koers te houden. De vaart die daarbij over de grond werd behouden volgens het VTS plot was circa 7 knopen. Vanwege de relatief moeilijke weersomstandigheden verliep de loodswissel niet zo snel en bleef de Fort Fleur d'Epee naar het noorden lopen, waarbij zij de 600 meter-lijn en de verkeersscheidingslijn overschreed en in het vaarwater van de BT Nautilus terechtkwam.

2.4. De BT Nautilus volgde haar weg naar zee via het Oostgat en hield de noordzijde, de stuurboordzijde, van haar vaarwater. Zij voerde niet het in artikel 48 SRW bedoelde groene licht. De snelheid van de BT Nautilus werd langzaam opgevoerd naar 13,5 knopen door het water. Om circa 03.51 uur zag de BT Nautilus de Fort Fleur d'Epee op een afstand van circa 4 mijl naderen.

Een oproep van de loods van de BT Nautilus om 03.57.00 uur naar "dat scheepje pal onder het hoofd wat een beetje Noordoost aanligt" werd niet beantwoord. Van de Centrale Vlissingen vernam de loods van de BT Nautilus dat dit de Fort Fleur d'Epee was. Toen een oproep van de loods van de BT Nautilus om 03.57.30 uur wederom niet werd beantwoord vernam hij desgevraagd dat de Fort Fleur d'Epee voor Antwerpen bestemd was. Om 03.58.02 uur heeft de loods van de Fort Fleur d'Epee de BT Nautilus, althans "die afkomer", voor het eerst opgeroepen met de mededeling dat juist de rivierloods aan boord kwam. De loods van de BT Nautilus reageerde hierop met: "ja ik zie u al naar stuurboord draaien. Ik kom ook een beetje naar stuurboord". De loods van de Fort Fleur d'Epee antwoordde dat dit akkoord was. Om 03.59.00 uur riep de loods van de BT Nautilus de Fort Fleur d'Epee nogmaals op: "de Fleur nog wat, u kwam stuurboord he, neem ik aan". Deze vraag werd bevestigend beantwoord door de loods van de Fort Fleur d'Epee. Om 03.59.27 uur heeft de loods van de Fort Fleur d'Epee aan de Centrale gevraagd of zij de rededienst konden verwittigen dat de zeeloods aan boord bleef. Deze vraag heeft hij om 03.59.33 uur herhaald. Om 04.00.30 riep de loods van de BT Nautilus de Fort Fleur d'Epee op met het verzoek: "sla eens even vol achteruit want je komt wel erg dichtbij he". Om 04.00.58 uur heeft de loods van de BT Nautilus dit verzoek herhaald. De loods van de Fort Fleur d'Epee antwoordde om 04.01.04 uur: "ik sta op vol achteruit", waarop de loods van de BT Nautilus antwoordde: "ja, dat is wel laat he". Om 04.02.52 uur heeft de Fort Fleur d'Epee de Centrale Vlissingen opgeroepen en gemeld dat de aanvaring had plaatsgevonden.

2.5. Beide schepen hebben tengevolge van de aanvaring schade opgelopen.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1. N.M.C. vordert in conventie vergoeding van de door haar geleden schade van

US$ 1.436.449,64 plus PM, vermeerderd met de wettelijke rente, kosten rechtens. Zij stelt daartoe primair dat de aanvaring uitsluitend te wijten is aan de schuld van de Fort Fleur d'Epee, subsidiair dat, voorzover er fouten zijn gemaakt aan boord van de BT Nautilus, deze geheel in het niet vallen bij de gemaakte fouten aan boord van de Fort Fleur d'Epee.

3.2. N.M.C. verwijt C.G.M. dat de Fort Fleur d'Epee heeft gehandeld in strijd met de regels van het Scheepvaartreglement Westerschelde (SRW) en goed zeemanschap. Zij stelt daartoe dat Fort Fleur d'Epee vlak voordat zij moest gaan loodswisselen een supertanker is opgelopen, waardoor zij veel verder noordelijk uitkwam dan voor het uitvoeren van die manoeuvre gewenst en nodig was. De Fort Fleur d'Epee had een onnodig hoge snelheid. Zij is uiteindelijk boven de zogenaamde 600 meter-lijn terechtgekomen. Zij heeft geen goede uitkijk gehouden en heeft nagelaten de overige scheepvaart van haar manoeuvre op de hoogte te stellen. Tenslotte heeft zij in een te laat stadium met verkeerde maatregelen getracht een aanvaring met de BT Nautilus te voorkomen.

3.3 C.G.M. betwist de vordering van N.M.C. en vordert in reconventie de door haar geleden schade van FRF 3.310.486,04, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede bedragen die C.G.M. in de procedure nader zal specificeren en aanvullen, zonodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van N.M.C. in de proceskosten. Zij stelt dat de aanvaring uitsluitend is ontstaan door en het directe gevolg is van het verkeerd varen van de BT Nautilus.

3.4. C.G.M. stelt dat geen sprake is van een causaal verband tussen het oplopen van de supertanker en de aanvaring, en dat evenmin sprake is van een causaal verband tussen het passeren van de 600 meter-lijn en de aanvaring. Bovendien heeft de 600 meter-lijn een zwakke status en is het passeren van die lijn ingegeven door de aanname dat de BT Nautilus via de Wielingen naar zee zou varen nu zij niet het reglementair vereiste groene licht voerde om aan te geven dat haar route niet om de zuid zou gaan. C.G.M. voert voorts aan dat op de BT Nautilus onder de gegeven omstandigheden een uitwijkplicht rustte t.a.v. de Fort Fleur d'Epee die door de loodswisseling beperkt manoeuvreerbaar was en zich in het voorzorgsgebied bevond. De BT Nautilus heeft te laat contact opgenomen met de Fort Fleur d'Epee en een onduidelijke passeerafspraak gemaakt. De BT Nautilus heeft voorafgaand aan de aanvaring een onverminderd hoge snelheid aangehouden.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Partijen zijn het erover eens dat in dit stadium van de procedure het geschil dient te worden beperkt tot de schuldvraag; de schadeomvang aan weerszijden is thans nog niet aan de orde.

4.2 Het verweer van C.G.M. dat tussen het oplopen van de supertanker en de aanvaring geen causaal verband bestaat en dat tussen het passeren van de 600 meter-lijn en de aanvaring geen causaal verband bestaat wordt door de rechtbank verworpen. Door vlak voordat zij moest gaan loodswisselen een supertanker op te lopen heeft de Fort Fleur d'Epee gehandeld in strijd met artikel 45 lid 3 SRW. Met het passeren van de zogenaamde 600 meter-lijn heeft de Fort Fleur d'Epee gehandeld in strijd met artikel 45 lid 1 SRW. Door het oplopen van de supertanker is de Fort Fleur d'Epee vanuit een noordelijker positie aan haar manoeuvre met betrekking tot de loodswissel begonnen dan het geval zou zijn geweest als zij de supertanker niet had opgelopen. De aanvaring heeft ten noorden van de 600 meter-lijn in het uiterst noordelijke deel van het vaarwater plaatsgevonden. In combinatie met andere - hierna te bespreken - factoren hebben deze overtredingen van het SRW bijgedragen tot de uiteindelijke aanvaring. Naar het oordeel van de rechtbank staat het causaal verband daarmede vast.

4.3. Ten aanzien van het verweer van C.G.M. dat de 600 meter-lijn een zwakke status heeft overweegt de rechtbank dat ongeacht de status van die lijn de overige scheepvaart er op basis van artikel 45 lid 1 SRW in elk geval op mocht vertrouwen dat de Fort Fleur d'Epee zoveel als mogelijk zou vermijden om die lijn te passeren. Nu zij die lijn om welke reden dan ook toch passeerde had het naar het oordeel van de rechtbank op haar weg gelegen om de overige scheepvaart daar onverwijld van in kennis te stellen, en indien nodig tijdig contact op te nemen om passeerafspraken te maken. De rechtbank passeert de stelling van C.G.M. dat het passeren van de 600 meter-lijn was ingegeven door de aanname dat de BT Nautilus via de Wielingen naar zee zou varen nu zij niet het reglementair vereiste groene licht voerde om aan te geven dat haar route niet om de zuid zou gaan. In het licht van de verklaringen die loods Kroothoep ten overstaan van de politie en de Raad voor de Scheepvaart heeft afgelegd, waarin hij onder meer verklaarde dat hij niet wist wat de bestemming van de BNT was, is die stelling onvoldoende onderbouwd.

4.4. Ten aanzien van de stelling van C.G.M. dat op de BT Nautilus onder de gegeven omstandigheden een uitwijkplicht rustte t.a.v. de Fort Fleur d'Epee die door de loodswisseling beperkt manoeuvreerbaar was en zich in het voorzorgsgebied bevond overweegt de rechtbank dat zij met N.M.C. van oordeel is dat de BT Nautilus er geen rekening mee hoefde te houden dat de Fort Fleur d'Epee zo ver om de noord zou komen. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen zij hiervoor ten aanzien van het passeren van de 600 meter-lijn heeft overwogen. Nog daargelaten de vraag of de Fort Fleur d'Epee door het loodswisselen als een beperkt manoeuvreerbaar schip beschouwd dient te worden, had het op de weg van de Fort Fleur d'Epee gelegen om de BT Nautilus onverwijld van haar manoeuvre op de hoogte te stellen en een duidelijke passeerafspraak te maken indien zij niet van plan of in staat was om conform het in het voorzorgsgebied van toepassing zijnde artikel 15 SRW uit te wijken voor de BT Nautilus die zij aan stuurboordzijde had. Het is dan ook niet aan C.G.M. om BT Nautilus te verwijten dat die een laattijdige en onduidelijke passeerafspraak zou hebben gemaakt, nu het initiatief daartoe door de Fort Fleur d'Epee genomen had dienen te worden. Bovendien is de communicatie voorafgaand aan de aanvaring door het Schelde Coördinatiecentrum op band vastgelegd, en daaruit blijkt niet van onduidelijkheden in de passeerafspraak, beide schepen zouden naar stuurboord draaien. Van de zijde van de Fort Fleur d'Epee is niet aangegeven dat zij daartoe niet in staat zou zijn. De BT Nautilus mocht ervan uitgaan dat de Fort Fleur d'Epee tijdig haar koers zou wijzigen.

4.5 Ten aanzien van de stelling van C.G.M. dat de BT Nautilus voorafgaand aan de aanvaring een onverminderd hoge snelheid heeft aangehouden overweegt de rechtbank het volgende. Nu de BT Nautilus zoals onder 4.4 overwogen in eerste instantie geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid dat de Fort Fleur d'Epee zo ver om de noord zou komen, was er voor haar geen reden om snelheid te minderen. Die reden ontstond op het moment dat zij er rekening mee moest gaan houden dat de Fort Fleur d'Epee in haar vaarwater zou kunnen komen. Op dat moment heeft de BT Nautilus op de situatie gereageerd, niet door snelheid te minderen maar door contact te zoeken met de Fort Fleur d'Epee en haar koers iets meer naar stuurboord te verleggen. Nog daargelaten of het verminderen van snelheid gezien de toen heersende omstandigheden mogelijk was geweest, is de rechtbank van oordeel dat deze mogelijke nalatigheid van de BT Nautilus in verhouding tot de fouten die door de Fort Fleur d'Epee zijn gemaakt van een dusdanig ondergeschikt belang is dat die geen reden oplevert om (een gedeelte van) de schuld aan de aanvaring bij de BT Nautilus te leggen.

4.6. Op grond van al hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen komt zij tot het oordeel dat de aanvaring geheel is te wijten aan de schuld van de Fort Fleur d'Epee. C.G.M. zal in conventie worden veroordeeld tot het vergoeden van de schade die N.M.C. tengevolge van de aanvaring heeft geleden. De vordering van N.M.C. in reconventie zal worden afgewezen.

4.7. Nu de rechtbank zich heeft uitgelaten over de schuldvraag zal zij partijen conform hun wens in de gelegenheid stellen zich er bij akte over uit te laten of zij de procedure wensen voort te zetten teneinde de hoogte van de door C.G.M. aan N.M.C. te betalen schade vast te stellen.

4.8. In afwachting van de uitlatingen van partijen houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De rechtbank:

- verwijst de zaak naar de rol van 17 december 2003 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten zoals overwogen onder 4.7.;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Ploeg-Hogervorst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 19 november 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.