Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AF6307

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-02-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
Awb 02/283
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Namens eiseres is met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verweerder verzocht om inzage in een verzoek dat de Belgische autoriteiten op 3 februari 2000 aan verweerder hebben gedaan inzake het verstrekken van bepaalde inlichtingen over leveringen van mosselen door eiseres aan Belgische afnemers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

ENKELVOUDIGE KAMER BESTUURSRECHT

Reg.nr.: Awb 02/283

Uitspraak inzake:

Roem van Yerseke BV, gevestigd te Yerseke, eiseres,

gemachtigde: mr. drs. J.DM. Oude Grote Bevelsborg, advocaat te Breda,

tegen

Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

1. Procesverloop.

Namens eiseres is met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verweerder verzocht om inzage in een verzoek dat de Belgische autoriteiten op 3 februari 2000 aan verweerder hebben gedaan inzake het verstrekken van bepaalde inlichtingen over leveringen van mosselen door eiseres aan Belgische afnemers.

Bij besluit van 22 februari 2002 heeft verweerder geweigerd aan dit verzoek te voldoen.

Nadat eiseres hiertegen een bezwaarschrift heeft ingediend, heeft verweerder dat bezwaar-schrift bij besluit van 25 april 2002 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 29 oktober 2002 behandeld ter zitting. Namens eiseres zijn daar verschenen de bovengenoemde gemachtigde van eiseres, H.C. Hogerland, financieel directeur bij eiseres en mr. drs. G.H.C. Blommers, belastingadviseur bij Deloitte & Touche Belastingadviseurs te Goes. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. P.B. Visser, ambtenaar bij het Ministerie van Financiën.

Bij beslissing van 13 november 2002 heeft de rechtbank de zaak ter behandeling naar een andere kamer bij deze rechtbank verwezen.

Het beroep is op 29 januari 2003 behandeld ter zitting van die andere kamer.

Namens eiseres is daar wederom verschenen de gemachtigde van eiseres en H.C. Hogerland voornoemd. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn nr. 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-staten op het gebied van de directe belastingen (hierna: de Richtlijn) worden alle inlichtingen waarover een Lid-staat uit hoofde van deze richtlijn beschikt in deze Lid-staat geheim gehouden en mogen alleen aan die personen ter kennis worden gebracht die bij de vaststelling van de belastingschuld of bij de administratieve controle in verband met de belastingschuld rechtstreeks zijn betrokken.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening nr. 218/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen (hierna: de Verordening) zijn de krachtens deze verordening in welke vorm dan ook verstrekte inlichtingen vertrouwelijk. Zij vallen onder het beroepsgeheim en genieten de bescherming waarin voor soortgelijke inlichtingen wordt voorzien door de nationale wetgeving van de ontvangende Lid-Staat en door overeenkomstige bepalingen die voor de communautaire autoriteiten gelden. Dergelijke inlichtingen mogen uitsluitend ter kennis worden gebracht van personen die rechtstreeks bij de vaststelling van de grondslag, de inning of administratieve controle van de belastingen zijn betrokken, ten einde de belastingheffing te verzekeren, of van personen bij de communautaire instellingen wier taak vereist dat zij daartoe toegang hebben.

Verweerder stelt zich onder verwijzing naar artikel 10 van de WOB op het standpunt dat openbaarmaking van een verzoek om inlichtingen van buitenlandse fiscale autoriteiten, zoals die van België, het vertrouwen en de betrekkingen van Nederland met andere staten zou schaden. Indien de Nederlandse fiscus die vertrouwelijk-heid niet in acht zou nemen, zou dat repercussies kunnen hebben voor de bereidheid van de buitenlandse fiscale autoriteiten om in voorkomende gevallen de van Nederlandse zijde gevraagde inlichtingen te verschaffen, hetgeen ongunstige gevolgen zou kunnen hebben voor inspectie, controle en toezicht door de Nederlandse fiscus. Daarmee kunnen ook de economische en financiële belangen van de staat, in het bijzonder die verbonden zijn met een effectieve belastingheffing en -inning, worden geschaad. Verweerder wijst erop dat de Belgische autoriteiten gemotiveerd hebben verklaard niet akkoord te gaan met openbaar-making van het verzoek aan eiseres.

Eiseres is van mening dat de vrees voor repercussies door de andere staat ongegrond is omdat ingevolge de Richtlijn de Lidstaten elkaar op verzoek inlichtingen moeten verschaffen. De door verweerder gestelde communautaire geheimhoudingsplicht richt zich volgens eiseres uitsluitend tot de ontvangende staat. Nederland als verstrekkende staat kan deze bepalingen niet gebruiken ter rechtvaardiging van een beroep op geheimhouding jegens een onderdaan. Indien en voorzover het verzoek van de Belgische autoriteiten namen en andere privacy-gevoelige informatie bevat, had verweerder deze gegevens kunnen wissen en het verzoek aldus geanonimiseerd aan eiseres kunnen bekendmaken.

De rechtbank heeft het volgende overwogen.

De Belgische fiscale autoriteiten hebben op 3 februari 2000 in het kader van de bij de Richtlijn en de Verordening geregelde uitwisseling van informatie aan de Nederlandse autoriteiten verzocht om inlichtingen. Eiseres vraagt inzage in dit verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB).

De rechtbank heeft geen kennis genomen van het verzoek om inlichtingen van de Belgische autoriteiten, maar moet aannemen dat het verzoek naar zijn aard informatie bevat over het doel van het verzoek en de herkomst van de inlichtingen die worden gevraagd. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van verschaffing van inlichtingen van België aan Nederland. Deze overdracht van inlichtingen valt daarmee onder de hierboven aangehaalde communautaire geheimhouding. Aan de beoordeling van de weigeringsgronden van de WOB behoeft daarom niet te worden toegekomen. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2002, nr. 200200238/1.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder terecht de openbaarmaking van het Belgische verzoek geweigerd, maar heeft hij het bestreden besluit ten onrechte doen steunen op de weigeringsgronden van artikel 10 van de WOB. Eerst ter zitting van 29 oktober 2002 heeft de gemachtigde van verweerder gewezen op de communautaire geheimhoudingsbepalingen als grond voor de weigering het verzoek te openbaren.

Nu verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag dient het beroep in zoverre gegrond te worden verklaard en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Gezien het hiervoor overwogene ziet de rechtbank aanleiding om met gebruikmaking van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding.

Het vorenstaande leidt tot de volgende uitspraak.

3. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2003

door mr. J.P.M. Hopmans, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol - Enklaar, griffier.

Afschrift verzonden op: 4 februari 2003

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.