Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AF6296

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
17-04-2003
Zaaknummer
Awb 02/540, Awb 03/56 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de rijvaardigheid.

Eiseres is tegen een geparkeerd staande auto gereden. Blijkens het proces-verbaal is de personenauto welke als eerste door eiseres is geraakt 50 meter door de straat verplaatst terwijl deze in de versnelling en op de handrem stond. Tevens heeft deze auto vervolgens twee andere geparkeerd staande personenauto’s een meter verplaatst, terwijl ook deze in de versnelling en op de handrem stonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

VOORZIENINGENRECHTER BESTUURSRECHT

Reg.nrs.: Awb 02/540

Awb 03/56 VV

Uitspraak, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet, inzake:

A, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. M. Harte, advocaat te Terneuzen,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 4 maart 2002 heeft verweerder eiseres verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de rijvaardigheid.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 3 september 2002 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Hangende het beroep heeft eiseres de voorzieningen-rechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening over te gaan.

Het verzoek is op 6 februari 2003 behandeld ter zitting. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. M.M. van Dongen.

2. Overwegingen.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien het verzoek wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het geschil.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beoordeling van de zaak geen nader onderzoek meer vergt, terwijl ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zich tegen toepassing van artikel 8:86 Awb zouden verzetten.

Er is derhalve aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) doen, indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) bepaalt:

Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende Bijlage 1.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de WVW besluit, indien de in artikel 130, eerste lid, bedoelde schriftelijke mededeling naar het oordeel van Onze Minister daartoe aanleiding geeft, hij dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling genomen.

Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Regeling besluit de minister dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel de geschiktheid in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende Bijlage 1, anders dan die vermeld onder "Drogerende stoffen Alcohol".

In Bijlage 1 is onder ‘I.2 Beheersing van het motorrijtuig’ opgenomen:

3. Overige feiten of omstandigheden waaruit een gebrek in de vaardigheid in de beheersing van het motorrijtuig blijkt:

a) het motorrijtuig niet onder controle houden op een niet vlakke weg;

b) bij herhaling op onjuiste wijze keren, achteruitrijden of parkeren;

c) bij herhaling veroorzaken van aanrijdingen.

Verzoekster is op 29 november 2001 tegen een geparkeerd staande auto gereden. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de Politie Zeeland van 14 december 2001 is de personenauto welke als eerste door eiseres is geraakt 50 meter door de straat verplaatst terwijl deze in de versnelling en op de handrem stond. Tevens heeft deze auto vervolgens twee andere geparkeerd staande personenauto’s een meter verplaatst, terwijl ook deze in de versnelling en op de handrem stonden.

Verweerder stelt dat uit dit proces-verbaal blijkt dat eiseres gedurende langere tijd niet heeft geremd. Verweerder beschouwt dit, gezien de meerdere auto’s die zijn aangereden, als ‘bij herhaling veroorzaken van aanrijdingen’ zoals bedoeld in Bijlage 1, artikel I.2, lid 3, onderdeel c. Eiseres zal zich derhalve dienen te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. Het verplicht onderzoek staat gepland op 24 februari 2003.

Eiseres erkent op 29 november 2001 tijdens het achteruitrijden tegen een geparkeerde auto te zijn gereden, waarbij deze auto over enkele meters is verplaatst en tegen twee andere auto’s is gebotst. Eiseres betwist dat de door haar aangereden auto over 50 meter is verplaatst. Voorts meent eiseres dat niet wordt voldaan aan het criterium ‘bij herhaling veroorzaken van aanrijdingen’. Daarbij heeft zij nooit eerder een ongeval heeft veroorzaakt.

De voorzieningenrechter is met eiseres van oordeel dat in de onderhavige situatie niet kan worden gesproken over ‘bij herhaling veroorzaken van een aanrijding’. De voorzieningenrechter legt het betreffende artikel zo uit dat ‘bij herhaling’ ziet op ‘veroorzaken’. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres slechts éénmaal een aanrijding veroorzaakt. Dat deze ene oorzaak (gedraging) meerdere gevolgen (aanrijdingen) had is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet relevant. De voorzieningenrechter meent steun voor dit standpunt te vinden in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 maart 2000 (AB 2000/223). In deze uitspraak werd het oordeel van de Afdeling gevraagd over de uitleg van het toenmalige artikel II van Bijlage 1 en met name over de zinsnede ‘bij herhaling een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens’ zoals dat indertijd luidde. De Afdeling achtte in die zaak de gedraging ‘spookrijden’ en het, nadat betrokkene zijn fout had bemerkt, enige tijd doorrijden tegen de rijrichting in, niet te kwalificeren als twee gedragingen en dus niet als een ‘herhaling’ zoals bedoeld in artikel II. Het was derhalve, naar het oordeel van de Afdeling, niet mogelijk op grond van artikel II een onderzoek naar de rijvaardigheid te verplichten.

Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder ten onrechte op grond van artikel I.2, lid 3, onder c, van Bijlage 1 een onderzoek heeft gevorderd naar de rijvaardigheid van eiseres. Het beroep is mitsdien gegrond vanwege strijd met deze bepaling.

Gezien het vorenstaande wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat op grond van deze uitspraak eiseres niet verplicht kan worden deel te nemen aan het onderzoek op 24 februari 2003.

In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

3. Uitspraak.

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;

bepaalt dat de Staat aan eiseres de door haar betaalde griffierechten ten bedrage van € 218,- (tweehonderd en achttien euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat aan eiseres.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2003 door mr. T. Damsteegt als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel als griffier.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: 17 februari 2003

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende, voorzover er in het bodemgeschil is beslist, hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.