Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AF6293

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-02-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
Awb 02/518
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Commissaris van de Koning in de provincie Zeeland heeft het verzoek van eiseres om een vergunning voor het doden, pogen te vangen en opzettelijk verontrusten van zilvermeeuwen middels de inzet van jachtvogels op grond van artikel 10 van de Vogelwet afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

ENKELVOUDIGE KAMER BESTUURSRECHT

Reg.nr.: Awb 02/518

Uitspraak inzake:

ASB Greenworld BV, gevestigd te Nieuwdorp, eiseres,

gemachtigde: mr. J.J.C.M. Willemen, advocaat te Roosendaal,

tegen

Gedeputeerde Staten van Zeeland, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 31 januari 2002 heeft de Commissaris van de Koning in de provincie Zeeland het verzoek van eiseres om een vergunning voor het doden, pogen te vangen en opzettelijk verontrusten van zilvermeeuwen middels de inzet van jachtvogels op grond van artikel 10 van de Vogelwet afgewezen.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hangende het bezwaar heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. Op 23 april 2002 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen.

Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 13 augustus 2002 op grond van artikel 68 van de Flora- en faunawet ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 22 januari 2003 behandeld ter zitting. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P.R.A. Katsburg.

2. Overwegingen.

Op grond van de artikelen 9 en 10 van de Flora- en faunawet is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diensoort te doden, te verwonden, te vangen te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen en opzettelijk te verontrusten.

Op grond van artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet kunnen Gedeputeerde Staten wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

b. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

d. ter voorkoming van schade aan flora en fauna of

e. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Eiseres is een onderneming die zich bezighoudt met de productie en verwerking van potgronden, alsmede de groothandel in mestproducten. De bewerking van de producten vindt plaats in een overdekte hal, waarna het eindproduct in plastic wordt verpakt en in de open lucht op het bedrijfsterrein wordt opgeslagen. Het bedrijfsterrein van eiseres is gelegen naast de vuilstortplaats Midden-Zeeland te Nieuwdorp. Op deze vuilstort verblijven het gehele jaar grote hoeveelheden zilvermeeuwen.

Eiseres stelt dat deze zilvermeeuwen grote overlast veroorzaken voor het bedrijf. De meeuwen bevuilen de producten van eiseres met uitwerpselen en afval. Daarnaast pikken de meeuwen de zakken potgrond open. Doordat de zakken potgrond mede worden geleverd aan supermarkten kan dit gevaar opleveren voor de volksgezondheid. De uitwerpselen van de meeuwen bevatten namelijk ziekteverwekkende bacterieën, zoals salmonella en paratyfus.

Eiseres geeft aan reeds verschillende alternatieven te hebben geprobeerd, maar zonder resultaat.

Eiseres beschouwt het inzetten van roofvogels als laatste redmiddel en heeft daarom aan verweerder verzocht om een vergunning op grond van artikel 10 van de Vogelwet 1936 (thans artikel 68 van de Flora- en Faunawet).

Verweerder heeft afwijzend beslist op dit verzoek om ontheffing van eiseres. Verweerder erkent dat het aannemelijk is dat zilvermeeuwen een rol spelen bij de verspreiding van ziektes, maar acht het niet, althans onvoldoende aannemelijk, dat dit in meer dan te verwaarlozen mate gebeurt via door zilvermeeuwen opengepikte of bevuilde zakken potgrond. Eiseres heeft zich niet beroepen op enig gedocumenteerd geval waarin op die wijze besmetting met bedoelde ziekten heeft plaatsgevonden. Het is dus onvoldoende aannemelijk geworden dat in casu werkelijk sprake is van meer dan te verwaarlozen risico’s voor de volksgezondheid.

Voorts meent verweerder dat eiseres nog alternatieven voor handen heeft: het afspoelen van de zakken of het ompakken daarvan.

Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiseres een verklaring overgelegd van prof. dr. F. van Knapen, hoogleraar Veterinaire Volksgezondheid en Milieuhygiëne van 15 januari 2002 en van dr. J.T. Lumeij, specialist vogelziekten, hoofd afdeling Vogels en Bijzondere Dieren van de Universiteit Utrecht van 3 september 2001. Van Knapen stelt dat ‘het gemeenzaam bekend is dat meeuwen/duiven en andere vogelsoorten een belangrijke rol spelen bij de verspreiding van een aantal voor de mens belangrijke infectieziekten, waaronder salmonella, campylobacter, cysticercose en E. coli infecties. Het is zonneklaar dat bezoedelde verpakking als zodanig, in een omgeving waar ook levensmiddelen worden verkocht, niet kan in verband met hygiëne-eisen in relatie tot gezondheidsrisico's’.

Lumeij geeft aan dat ‘tientallen onderzoeken, die zijn gepubliceerd in internationale medische en veterinaire tijdschriften, aangetoond hebben dat een hoog percentage van de faeces die door zilvermeeuwen en kokmeeuwen worden geproduceerd zijn gecontamineerd met humane pathogenen. De besmettingsgraad is afhankelijk van het onderzoeksgebied maar loopt op tot 25%. Met name rond lozingsplaatsen van afvalwater en in de buurt van vuilnisbelten worden hoge besmettingspercentages gevonden.’

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, vooral gelet op de overgelegde verklaringen, voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitwerpselen van zilvermeeuwen door de ziekte-verwekkende bacteriën daarin in beginsel een risico opleveren voor de volksgezondheid.

Het risico kan zich onder meer realiseren indien de uitwerpselen op en in de zakken potgrond in supermarkten in de buurt van voedsel terechtkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee reeds voldaan aan de voorwaarde: ‘in het belang van de volksgezondheid’, zoals bedoeld in artikel 68, eerste lid, sub a van de Flora- en Faunawet.

Dat dit gevaar zich nog niet daadwerkelijk heeft gemanifesteerd en dat er dus nog geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn, doet daar niet aan af. De bepaling van artikel 68 strekt er ook toe om preventieve maatregelen in het belang van de gezondheid mogelijk te maken.

Verweerders opvatting dat slechts op basis van gedocumenteerde gevallen tot een aannemelijk risico voor de volksgezondheid kan worden geconcludeerd is te beperkt.

Van belang is nog dat eiseres zich, binnen de voor haar financieel haalbare kaders, moeite heeft getroost om het risico van vervuiling en besmetting te verkleinen.

Zo heeft eiseres geëxperimenteerd met een verjaaginstallatie, maar deze bood onvoldoende soelaas, evenals het aanbrengen van draden, netten en vliegers. Daarnaast heeft eiseres een wikkelmachine aangeschaft (f 250.000,-) om de pallets te voorzien van hoezen in plaats van wikkelfolie. Ook dit had niet het gewenste resultaat omdat de meeuwen door de hoezen heen pikken.

Verweerders afwijzende beslissing kan, nu zij rust op de onjuiste grondslag dat er geen volksgezondheidsbelang in het geding is, niet in stand blijven.

De rechtbank overweegt nog het volgende.

Verweerder heeft het verzoek thans afgewezen op de grond dat het belang van de volksgezond-heid niet in het geding is. Deze afwijzingsgrond behoefde, overeenkomstig verweerders inzicht te dezen, geen voorafgaand advies van het Faunafonds. Het vereiste van voorafgaand horen van het Faunafonds beoogt te bewerkstelligen dat het door de Flora- en faunawet beschermde belang bij verweerders afwegingen voldoende gewicht krijgt. Bij een afwijzing op grond van het ontbreken van een volksgezondheidsbelang is dit aspect niet aan de orde.

De rechtbank wijst verweerder erop dat hij bij een nadere beslissing op het verzoek van eiseres het Faunafonds vooraf dient te horen.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proces-kosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

3. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;

bepaalt dat de Provincie Zeeland aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,- (tweehonderdachttien euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Provincie Zeeland aan eiseres.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2003

door mr. G.J.A. van Unnik, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel, griffier.

Afschrift verzonden op: 21 februari 2003

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.