Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AF5057

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-01-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
Awb 02/292
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2003/386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

ENKELVOUDIGE KAMER BESTUURSRECHT

Reg.nr.: Awb 02/292

Uitspraak inzake:

het Bestuur van de Vereniging tot het verstrekken van onderwijs op gereformeerde grondslag te Borssele, gevestigd te Borssele, eiser,

gemachtigde: mr. T.E. Blom, verbonden aan de Vereniging voor gereformeerd schoolonderwijs te Ridderkerk,

tegen

het Bestuur van de Stichting vervangingsfonds en bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs, gevestigd te Rotterdam, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 14 december 2000 heeft verweerder voor het schooljaar 2000/2001 voor eiser de aan het Vervangingsfonds verschuldigde premie plus een toeslag vastgesteld.

Bij brief van 22 mei 2001 heeft eiser verweerder verzocht de toeslag ongedaan te maken en het reeds betaalde geld te restitueren.

In zijn besluit van 9 oktober 2001 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen.

Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 25 april 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 12 december 2002 behandeld ter zitting. Voor eiser is daar verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. G.F.M. Gigase.

2. Overwegingen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Reglement Vervangingsfonds Primair Onderwijs schooljaar 2000-2001 (verder : het Reglement) is de vervangingsbijdrage of premie voor het van rijkswege bekostigde onderwijspersoneel voor het schooljaar 2000-2001 gelijk aan de door de Minister aan het bevoegd gezag toe te kennen vergoeding ten behoeve van de kosten voor vervanging in het formatiebudget (de vervangingsopslag), vermeerderd dan wel verminderd met een toeslag dan wel een restitutie vastgesteld per bevoegd gezag conform het bepaalde in de artikelen 4A t/m 4J van dit reglement.

Artikel 4J van het Reglement luidt:

“Het bestuur beslist in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4A t/m 4H indien de onverkorte toepassing van deze artikelen dan wel van enige afzonderlijke bepaling naar het oordeel van het bestuur een situatie van bijzondere hardheid oplevert voor het betreffende bevoegd gezag. Het bestuur neemt een dergelijke beslissing slechts op verzoek van het bevoegd gezag en alleen indien het bevoegd gezag ten gerieve van het bestuur kan aantonen dat de situatie van bijzondere hardheid een gevolg is van niet aan het bevoegd gezag toe te rekenen feiten en omstandigheden”.

Bij zijn besluit van 14 december 2000 heeft verweerder ten aanzien van eiser de aan het Vervangingsfonds verschuldigde premie plus een toeslag voor het schooljaar 2000/2001 vastgesteld.

De rechtbank stelt vast dat eiser tegen dat besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend, zodat die beslissing rechtens onaantastbaar is geworden.

Vervolgens heeft eiser bij brief van 22 mei 2001 verweerder verzocht om met betrekking tot voornoemde toeslag alsnog toepassing te geven aan voornoemde hardheidsclausule. Verweerder heeft dat geweigerd en die weigering is gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

De rechtbank kan zich met dat besluit niet verenigen. Vastgesteld moet worden dat verweerder het verzoek van eiser tot toepassing van de hardheidsclausule in volle omvang heeft getoetst.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarbij miskend dat dat verzoek op een periode zag waaromtrent al was besloten. Verweerder had het verzoek van eiser dan ook moeten opvatten als een verzoek om terug te komen op de rechtens onaantastbaar geworden beslissing van 14 december 2001. Daartoe zou slechts aanleiding kunnen zijn als er sprake was van - door eiser gestelde - nieuwe feiten of omstandigheden. Verweerder had zich bij zijn besluitvorming tot het antwoord op die vraag moeten beperken.

Verweerder heeft er dienaangaande weliswaar op gewezen dat in voornoemd artikel is bepaald dat omtrent de toepassing van de hardheidsclausule slechts op uitdrukkelijk verzoek van het bevoegd gezag kan worden beslist, doch naar het oordeel van de rechtbank wordt daarmede tot uitdrukking gebracht dat de hardheidsclausule niet ambtshalve kan worden toegepast. Een zodanig verzoek dient het bevoegd gezag voorafgaande aan de primaire besluitvorming te doen dan wel in het kader van de bezwaarprocedure.

Gezien het voorgaande moet het bestreden besluit worden vernietigd omdat verweerder een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd. Het beroep van eiser moet daarom gegrond worden verklaard.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proces-kosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

3. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;

bepaalt dat de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 218,- (tweehonderdachttien euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs aan eiser.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2003

door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.