Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AF5055

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-01-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
Awb 02/302
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

ENKELVOUDIGE KAMER BESTUURSRECHT

Reg.nr.: Awb 02/302

Uitspraak inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. K. ten Broek, regiojuriste van Abvakabo FNV te Bergen op Zoom,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 17 januari 2002 heeft verweerder eisers verzoek om overschrijding van de arbeidsduur met 43,2 uur en het vervolgens omzetten van deze uren in vakantie, afgewezen.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 3 mei 2002 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 18 december 2002 behandeld ter zitting. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde G. Maas.

2. Overwegingen.

Artikel 6:2 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR/UWO) bepaalt:

1. De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 165.6 uren per kalenderjaar met dien verstande dat de duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking in 1997 en 1998 ten minste 158.4 uur per kalenderjaar bedraagt.

2. Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met – bij een volledige betrekking – een maximum van 43.2 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

3. Burgemeester en wethouders wijzen een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Op grond van artikel 1:1 van de CAR/UWO dient onder arbeidsduur per jaar te worden verstaan: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen. De formele arbeidsduur is de arbeidsduur volgens de aanstelling.

Artikel 4:1, eerste lid, van de CAR/UWO luidt:

Burgemeester en wethouders kunnen de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week waarbij de afwijking maximaal het onderstaande aantal uren mag bedragen:

- 2 uur bij een formele arbeidsduur per week van 0 tot 12 uur;

- 4 uur bij een formele arbeidsduur per week van 12 tot 24 uur;

- 6 uur bij een formele arbeidsduur per week van 24 tot en met 36 uur.

De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag alleen worden overschreden bij de toepassing van artikel 4:3 of artikel 6:2, tweede lid.

Eiser wenst over het jaar 2002 43.2 uur meer te werken en deze extra uren om te zetten in verlof. Dit naast de ADV-regeling/compensatie-uren, waarbij eiser in een volledige werkweek van 40 uur - gezien de formele arbeidstijd van 36 uur per week - 4 uur per week opbouwt aan ADV/compensatie.

Verweerder stelt dat de bedoeling van artikel 6:2 is geweest dat een medewerker enerzijds verlof kan verkopen en dat hij anderzijds het wettelijk minimum aan verlofuren (144 uur) per jaar overhoudt. De medewerker wordt op grond van artikel 6:2 eerst in de gelegenheid gesteld 43.2 verlofuren bij te sparen door dit aantal uren extra te werken. Vervolgens kunnen die extra uren worden gebruikt om te verkopen. Verweerder heeft aan het personeel een eenvoudiger alternatief geboden. Verweerder heeft het mogelijk gemaakt naast verlof ook ADV te verkopen, zodat het aantal gewenste uren kan worden verkocht en er toch nog 144 verlofuren per jaar overblijven. Verweerder meent door de mogelijkheid tot opbouw van ADV/compensatie reeds een ruimere toepassing te hebben gegeven aan de in artikel 6:2 bedoelde verlofopbouw en daarmee te kunnen volstaan.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt. Zij is van oordeel dat uit artikel 6:2 noch uit de daarbij behorende toelichting kan worden afgeleid dat verweerder door de mogelijkheid tot opbouw van ADV artikel 6:2 niet behoeft toe te passen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het op grond van de CAR/UWO niet onmogelijk dat naast ADV-uren nog extra vakantie-uren door meer werken worden opgebouwd. De rechtbank leidt dit tevens af uit artikel 4:1, waarin is bepaald dat een fulltimer (met een formele arbeidsduur van 36 uur per week) een feitelijke arbeidsduur van maximaal 42 uur per week kan hebben. Op welke wijze de registratie van de gewerkte meeruren zal moeten plaatsvinden (bijvoorbeeld door middel van een prikkaart) acht de rechtbank niet relevant.

Uit de CAR/UWO in samenhang gelezen met de andere stukken in het dossier kan wellicht worden geconcludeerd dat artikel 6:2 dient om het minimum aantal verlofuren over te houden na verkoop in het kader van het cafetariamodel, maar uit dit artikel en de toelichting daarop leidt de rechtbank niet af dat deze meer gewerkte uren alleen kunnen worden gebruikt voor verkoop en niet als vakantie-uren kunnen worden opgenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder het verzoek van eiser alleen kunnen afwijzen op grond van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Verweerder heeft de afwijzing niet gestoeld op deze grond. De rechtbank is daardoor van oordeel dat verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

3. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;

bepaalt dat de gemeente Terneuzen aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,- (honderdnegen euro) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 644,- (zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de gemeente Terneuzen aan eiser.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2003

door mr. T. Damsteegt, in tegenwoordigheid van mr. H.D. Sebel, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak