Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2003:AF4982

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
25-02-2003
Zaaknummer
12/008289-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Veroordeling terzake doen plegen van valsheid in geschrift in politie-administratie door politieambtenaar; ontzetting uit ambt.

RECHTBANK MIDDELBURG

sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 12/008289-01

Datum uitspraak: 12 februari 2003

Tegenspraak

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

(naam verdachte)

geboren op (geboortedatum) te (geboorteplaats),

wonende te (woonplaats en adres),

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. R. van der Hoeven, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

30 januari 2003.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

R.C.P. Rammeloo en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen onder 2 primair is tenlastegelegd en voorts dat hij ter zake van het onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren en voorts dat verdachte zal worden ontzet uit zijn ambt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 7 oktober 2000 en/of op of omstreeks 16 oktober 2000, in elk geval op één of meer tijdstippen in of omstreeks de maand oktober 2000, in de gemeente Reimerswaal, althans in de gemeente Goes, in elk geval in het arrondissement Middelburg,

als politie-ambtenaar (telkens) (een) in het bedrijfsprocessensysteem van de politie opgenomen/op te nemen mutatie(s) - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om

tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, althans door (een) ander(en) valselijk heeft doen opmaken of doen vervalsen, zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, immers heeft verdachte:

- in de mutatie terzake geweld met wapen d.d. 7 oktober 2000, nr. 00-341294, door (naam politieambtenaar 1) valselijk en in strijd met de waarheid later vermelden: "(naam verdachte) heeft vrouw van (betrokkene 1), (betrokkene 2), in kennis gesteld. Tevens met toestemming binnen gekeken en niet de verwachte hennepkwekerij aangetroffen";

- in de mutatie terzake controle vuurwapens d.d. 16 oktober 2000, nr. 00-523963, door (politieambtenaar 2) valselijk en in strijd met de waarheid laten vermelden: "Door coll. (naam verdachte) is de woning van (betrokkene 1) gecontroleerd. Geen wapen aangetroffen. Eigenlijk niets meer want (betrokkene 1) is aan het verhuizen c.q. onderduiken. Onbekend waar.";

bij het begaan van welk(e) strafba(a)r(e) feit(en) hij, verdachte, (telkens) gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middelen hem door zijn ambt als politie-ambtenaar geschonken;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 44 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 7 oktober 2000, in de gemeente Reimerswaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 40 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 2 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

(betrokkene 1) op of omstreeks 7 oktober 2000, in de gemeente Reimerswaal, opzettelijk heeft geteeld, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 40 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, alstoen aldaar opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door, nadat hij als opsporingsambtenaar wetenschap had gekregen van dat door die (betrokkene 1) gepleegde misdrijf, niet strafrechtelijk tegen die (betrokkene 1) op te treden;

art 3 lid 1 ahf/ond B Opiumwet

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 16 oktober 2000, in de gemeente Reimerswaal, als politie-ambtenaar een door één of meer andere politie-ambtenaren van de Regiopolitie Zeeland, district Oosterscheldebekken, ter uitvoering van de Wet wapens en munitie ondernomen huiszoeking ter inbeslagneming in de woning aan de (adres betrokkene 1) opzettelijk heeft belet en/of belemmerd en/of verijdeld door aan die andere politie-ambtenaren, althans aan één of meer van hen, in strijd met de waarheid mee te delen, dat hij de bovenvermelde woning had gecontroleerd en niets had aangetroffen,

bij het begaan van welk strafbaar feit hij, verdachte, gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middelen hem door zijn ambt als politieambtenaar geschonken;

art 44 Wetboek van Strafrecht

art 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een tijdstip in of omstreeks het tijdvak van 1 oktober 2000 tot en met 16 oktober 2000, in de gemeente Reimerswaal, een geheim, waarvan hij wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt/beroep als politie-ambtenaar verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij alstoen aldaar (betrokkene 1) ingelicht over een door de Regiopolitie, district Oosterscheldebekken, op grond van verdenking van het voorhanden hebben van een vuurwapen voorgenomen huiszoeking in diens woning.

art 272 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe - kort gezegd - betoogd dat het openbaar ministerie door naar aanleiding van een verzoek om informatie van de raadsman een concept-tenlastelegging te zenden, zonder daarbij enig voorbehoud te maken, zich heeft willen beperken tot de feiten genoemd in die concept-tenlastelegging. Nu de dagvaarding afweek van concept-tenlastelegging - door toevoeging van een feit 2 en aanvulling van feit 1 - heeft het openbaar ministerie het bij verdachte opgewekte vertrouwen dat hij niet ter zake van andere strafbare feiten zou worden vervolgd, geschonden. Nu er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden dient aan het openbaar ministerie het recht tot vervolgen ontzegd te worden.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen toezegging is gedaan en dat aan de raadsman slechts informatief een concept-tenlastelegging is gezonden naar aanleiding van een verzoek om informatie. Zulks is in bijzondere zaken als de onderhavige niet ongebruikelijk en betekent geenszins dat er - gelet op het feit dat het slechts om informatieve informatie-uitwisseling gaat - sprake is van een toezegging waaraan verdachte concrete verwachtingen kon ontlenen.

Uit het dossier blijkt, zoals door de raadsman gesteld, dat aan hem een concept-tenlastelegging is gezonden. De rechtbank stelt voorts vast dat de dagvaarding zoals die aan verdachte is betekend anders luidt dan de concept-tenlastelegging d.d. 25 januari 2002.

Deze werd vergezeld door een brief van de parketsecretaris die namens de officier van justitie aan de raadsman heeft geschreven dat er niet tot dagvaarding zal worden overgegaan dan na overleg met de raadsman. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit bedoelde brief noch uit het feit van toezending van een concept-tenlastelegging sec, dat de officier van justitie daardoor de omvang van de vervolging heeft willen beperken. Het feit dat de officier van justitie tijd had gehad om stukken te bestuderen doet daaraan niet af. Bovendien heeft nog een mini-instructie plaatsgevonden. Een concrete verwachting ten aanzien van de omvang van de vervolging kan derhalve evenmin worden ontleend aan de concept-tenlastelegging, temeer daar de officier van justitie heeft laten weten niet tot dagvaarding over te gaan dan na overleg. Zulks impliceert juist dat de officier van justitie ruimte ziet om af te wijken van hetgeen in de concept-tenlastelegging is opgenomen; overleg zou anders immers overbodig zijn.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een onvoorwaardelijke toezegging door of namens de officier van justitie ten aanzien van de omvang van de vervolging. Aan het woord concept kan in dit verband geen ander karakter worden toegedicht dan het heeft, namelijk dat van voorlopig. Het stond de officier van justitie derhalve vrij om een feit toe te voegen en een feit te wijzigen in de uiteindelijk aan verdachte betekende dagvaarding. Nu er ook anderszins geen sprake is van handelen in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde dient het openbaar ministerie in de vervolging ontvankelijk te worden verklaard.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem tenlastegelegde omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor die feiten is. Daaraan ten grondslag ligt de stelling - kort gezegd - dat het bewijs feitelijk slechts op één verklaring gebaseerd is, namelijk die van getuige (betrokkene 1). Het overgrote deel van het overige bewijs vloeit in de visie van de raadsman uit de verklaring (betrokkene 1) voort of is daarop gebaseerd. Voorts bestaan de bewijsmiddelen uit verklaringen van andere getuigen die deels zijn herroepen, dan wel zodanige twijfel oproepen dat zij niet kunnen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde. Daar er slechts één bewijsmiddel is kan bewezenverklaring niet aan de orde zijn en dient verdachte te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Uit het dossier blijkt dat deze zaak feitelijk een gevolg is van de uitlatingen van (betrokkene 1) na diens aanhouding op 22 mei 2001. Hij heeft destijds belastend over verdachte verklaard en die verklaring is later aangevuld en uitgebreid. Door bureau Interne Onderzoeken van de Politie Zeeland is verder onderzoek verricht en zijn getuigen gehoord. De verhoren van getuigen en verdachte hebben plaatsgevonden aan de hand van de verklaringen van andere betrokkenen en anderszins verkregen informatie. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesteld dat het bewijsmateriaal in deze zaak in beginsel berust op slechts één verklaring.

De rechtbank volgt de raadsman niet in dat deel van het verweer, met uitzondering van het onder 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van de schending van het ambtsgeheim is er slechts de verklaring van (betrokkene 1) die inhoudt dat verdachte tegenover hem, (betrokkene 1), informatie bekend heeft gemaakt die verdachte als politie-ambtenaar had verkregen. (betrokkene 1) heeft deze verklaring weliswaar in een later stadium herhaald, maar de facto is er slechts één verklaring die voor verdachte belastend is in dit opzicht. Het verweer dient op dit onderdeel derhalve te worden gehonoreerd en verdachte dient dientengevolge van het onder 4 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Voorts heeft de raadsman een aantal beroepen op vrijspraak gevoerd op andere gronden. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is de raadsman van mening dat er geen sprake kan zijn van medeplegen van hennepkweek en evenmin van medeplichtigheid aan dat delict nu de enkele wetenschap van een strafbaar feit en vervolgens nalaten te handelen, niet voldoende is om tot een veroordeling te komen, ook niet indien het een ambtenaar van politie is die nalaat te handelen.

De rechtbank is ten aanzien van dit onderdeel van het verweer van mening dat het enkele nalaten, waarop de officier van justitie blijkens de tekst van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde doelt, onvoldoende grond biedt om tot een veroordeling ter zake van medeplegen van - kort gezegd - hennepkweek te kunnen komen. Medeplegen vergt immers meer dan slechts passiviteit en wetenschap, enige activiteit van de medepleger is minimaal noodzakelijk. Voorts vereist deze vorm van deelneming verregaande samenwerking en de bewuste gezamenlijke criminele intentie. Daarvan is in casu geen sprake, zodat verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 2 subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte op 7 oktober 2000 in de nachtelijke uren in de woning van (betrokkene 1) is geweest. Verdachte heeft dat niet bestreden. Over de vraag of verdachte bij die gelegenheid een ruimte heeft gezien waar op dat moment 40 hennepplanten stonden, lopen de verklaringen uiteen. Echter, ook indien bewezen wordt geacht dat verdachte die hennepplanten toen en daar zou hebben zien staan, blijft onbeantwoord de vraag of verdachte door op 7 oktober 2000 verder niets te ondernemen opzettelijk gelegenheid heeft verschaft aan een ander of anderen om een hennepkwekerij te exploiteren. Nu verdachte betwist van de 40 hennepplanten te hebben geweten en die te hebben gezien kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig bewezen worden verklaard dat verdachte door niet strafrechtelijk op te treden tegen (betrokkene 1) (die op dat moment in het ziekenhuis te Bergen op Zoom verbleef) opzet had dat gericht was op de voortdurende kweek of aanwezigheid van hennepplanten in de woning van (betrokkene 1). Nu de officier van justitie geen andere feitelijkheden of omstandigheden heeft tenlastegelegd, en derhalve ook niet anders kan blijken van opzet bij verdachte, dient verdachte ook van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd - kort gezegd - dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte een ondernomen handeling door een of meer opsporingsambtenaren ondernomen op grond van een wettelijk voorschrift, heeft belemmerd of verijdeld. De rechtbank verstaat het verweer van de raadsman aldus dat wordt gedoeld op het feit dat er niet op de datum en plaats in de tenlastelegging genoemd een huiszoeking als omschreven in de tenlastelegging heeft plaatsgevonden of een aanvang had genomen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit deel van het verweer als volgt. In de tenlastelegging is opgenomen - voor zover hier van belang - dat verdachte een door opsporingsambtenaren ter uitvoering van de Wet wapens en munitie ondernomen huiszoeking heeft belemmerd of verijdeld. Uit het dossier is de rechtbank gebleken dat door de hulpofficier van justitie machtigingen waren verstrekt om een doorzoeking in de woning van (betrokkene 1) te doen plaatsvinden. Voorts is uit het dossier gebleken dat een aantal politie-ambtenaren voor of in de buurt van de woning van (betrokkene 1) is geweest maar, ervan uitgaande dat (betrokkene 1) niet thuis was, op dat moment heeft afgezien van een doorzoeking.

Op een later tijdstip is er in contacten tussen verdachte en een collega opsporingsambtenaar gesproken over het mogelijke wapenbezit van (betrokkene 1) en de niet uitgevoerde doorzoeking eerder die dag.

Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat er een concreet voornemen was om op die dag, 16 oktober 2000, dan wel op een andere dag binnen de geldigheidsduur van de machtiging tot binnentreden ter uitvoering van een doorzoeking, opnieuw over te gaan tot een doorzoeking in de woning van (betrokkene 1). Ook anderszins is niet gebleken dat er op 16 oktober 2000 concrete handelingen waren of werden verricht die kunnen leiden tot het oordeel dat er (opnieuw) sprake was van een ondernomen huiszoeking.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat - gelet op het in de tenlastelegging onder 3 omschrevene - uit het dossier niet voldoende wettig bewijs kan worden geput om te komen tot bewezenverklaring van het essentiële onderdeel "ondernomen huiszoeking ter inbeslagneming". De rechtbank honoreert derhalve het verweer van de raadsman op dit onderdeel en zal de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrijspreken.

Vrijspraak

Op grond van het hetgeen hiervoor onder Bewijsoverwegingen is gesteld, is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de maand oktober 2000, in de gemeente Reimerswaal, als politie-ambtenaar telkens een in het bedrijfsprocessensysteem van de politie op te nemen mutatie telkens zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen door een ander valselijk heeft doen opmaken, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, immers heeft verdachte:

- in de mutatie terzake geweld met wapen d.d. 7 oktober 2000, nr. 00-341294, door (politieambtenaar 1) valselijk en in strijd met de waarheid laten vermelden: "(naam verdachte) heeft vrouw van (betrokkene 1), (betrokkene 2), in kennis gesteld. Tevens met toestemming binnen gekeken en niet de verwachte hennepkwekerij aangetroffen";

- in de mutatie terzake controle vuurwapens d.d. 16 oktober 2000, nr. 00-523963, door (politieambtenaar 2) valselijk en in strijd met de waarheid laten vermelden: "Door coll. (naam verdachte) is de woning van (betrokkene 1) gecontroleerd. Geen wapen aangetroffen. Eigenlijk niets meer want (betrokkene 1) is aan het verhuizen c.q. onderduiken. Onbekend waar.";

bij het begaan van welke strafbare feiten hij, verdachte, telkens gebruik heeft gemaakt van gelegenheid of middelen hem door zijn ambt als politie-ambtenaar geschonken.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Doen plegen van valsheid in geschrift, bij het begaan van welk strafbaar feit de verdachte gebruik heeft gemaakt van gelegenheid of middelen hem als ambtenaar door zijn ambt geschonken, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich bij twee gelegenheden schuldig gemaakt aan het doen plegen van valsheid in geschrift. Dat is een ernstig feit omdat valsheid in geschriften het vertrouwen dat de maatschappij in officiële stukken en gegevensbestanden mag en moet kunnen stellen ondermijnd wordt. Valsheid in geschrift is derhalve een feit dat vanwege de maatschappelijke schade die het kan veroorzaken krachtig bestreden dient te worden.

Bovendien heeft verdachte het feit doen plegen, hetgeen impliceert dat anderen door verdachte zijn gebruikt om het feit te begaan. Verdachte wist met welke collega's hij van doen had en wist ook dat zij de door hem verstrekte informatie nauwgezet zouden vastleggen. Hij heeft bewust anderen van zodanige informatie voorzien dat deze personen als willoos instrument valse mededelingen in de politie-administratie hebben opgenomen.

Met name dat laatste rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Zij zal daarom in verdachtes nadeel rekening houden met het feit dat hij het bewezenverklaarde heeft begaan als politie-ambtenaar en via wegen die alleen hem als politie-ambtenaar openstonden.

Daarmee is het vertrouwen-ondermijnende karakter van het feit in deze zaak des te schrijnender. Immers, niet slechts het maatschappelijk vertrouwen in geschriften wordt geschaad, maar ook het vertrouwen dat de maatschappij heeft in de politiemacht en justitie loopt door feiten als het onderhavige ernstige schade op. Voorts schaadt het doen opnemen van valse informatie in het daartoe bestemde systeem het vertrouwen dat het justitie-apparaat moet kunnen hebben in de haar door de politie aangeleverde stukken, die immers dienen als basis voor interventies door justitie. Indirect komt daarmee de rechtsstatelijke gedachte in gevaar.

Gelet op de ernst van het feit is in beginsel een vrijheidsbenemende straf van substantiële duur passend.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 2 januari 2002.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat hij blijkens het uittreksel uit het algemeen documentatieregister niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Voorts houdt de rechtbank in verdachtes voordeel rekening met de situatie waarin verdachte zich bevindt. Hij is vader van twee kinderen. Het gezin van verdachte heeft indirect ook de gevolgen van deze zaak moeten ondergaan; verdachte is immers enige tijd geschorst geweest. Voorts is er, ook voor verdachtes echtgenote, de onzekerheid ten aanzien van de consequenties van deze zaak, zowel in strafrechtelijke als mogelijk in disciplinaire zin.

Hoewel de ernst van het bewezenverklaarde in beginsel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zou rechtvaardigen, zal de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene, aan verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen. Gelet op de houding van verdachte en het feit dat hij thans reeds geruime tijd is geschorst dan wel met buitengewoon verlof niet werkzaam is, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf evenmin passend of geboden. Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank inmiddels doordrongen van de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan. Ook vanuit preventief oogpunt heeft een voorwaardelijke vrijheidsstraf in deze geen meerwaarde.

De kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is de ondermijning van het vertrouwen dat de maatschappij mag hebben in geschriften en in de politie-administratie. Nu verdachte het feit heeft begaan in de uitoefening van zijn ambt als politie-ambtenaar, en gelet op het feit dat het vertrouwen dat in de politie gesteld mag worden daardoor ernstig geschaad is, is de rechtbank van oordeel dat bestraffing daarbij zoveel mogelijk dient aan te sluiten.

Daar komt bij dat verdachte, aldus zijn raadsman, bij veroordeling ter zake van een of meer van de tenlastegelegde feiten, naar alle waarschijnlijkheid ontslag uit het politiekorps tegemoet kan zien, dan wel ernstig rekening moet houden met disciplinaire gevolgen.

De rechtbank is van oordeel dat de onzekerheid omtrent verdachtes aanstelling in de toekomst, naast bestraffing onwenselijk is. Voorts acht zij, op de grond hiervoor weergegeven, een straf passend bij het vergrijp, aangewezen en noodzakelijk om het vertrouwen van de maatschappij in politie en justitie te herstellen.

Om die redenen zal de rechtbank aan verdachte geen reguliere straf opleggen. Zij zal verdachte voor na te noemen duur ontzetten van het recht het ambt van politie-ambtenaar te bekleden. De rechtbank houdt bij het bepalen van de duur, naast de ernst van het feit, rekening met het feit dat verdachte reeds geruime tijd in onzekerheid verkeert over de strafrechtelijke en mogelijke disciplinaire gevolgen van deze zaak.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank toepassing van de straf van ontzetting van het recht het ambt van politie-ambtenaar te bekleden gedurende na te noemen tijd, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 28, 29, 31, 44, 47, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Zij verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij ontzet verdachte van het recht het ambt van politie-ambtenaar te bekleden voor de duur van 2 (twee) jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter,

mrs. K. de Bruin en F.C.J.E. van Hemert-Meeuwis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.J.J. Schols, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2003.

Mr. Van Hemert-Meeuwis is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.