Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2002:AX2625

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-07-2002
Datum publicatie
19-05-2006
Zaaknummer
Awb 01/791
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

N.v.t.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

ENKELVOUDIGE KAMER BESTUURSRECHT

Reg.nr.: Awb 01/719

Uitspraak inzake:

het bestuur van de Vereniging voor Christelijk basisonderwijs Borsele, eiseres,

gemachtigde: mr. A. de Vries, werkzaam bij de Besturenraad protestants-christelijk onderwijs te Voorburg,

tegen

de Raad der gemeente Borsele, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 9 november 2000 heeft verweerder op zijn huisvestingsprogramma 2001 ten behoeve van de vorming van een vijfde groep leerlingen op basisschool De Rank te 's-Gravenpolder onder meer geplaatst de uitbreiding van het schoolgebouw tot een maximum van 105 m2, en daarvoor een bedrag van f 418.006,- beschikbaar gesteld.

Bij brief van 20 december 2000 is namens eiseres een bezwaarschrift hiertegen ingediend.

Bij besluit van 1 november 2001 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Hiertegen is namens eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Het beroep is op 19 juni 2002 behandeld ter zitting. Eiseres was vertegenwoordigd door mevrouw [betrokkene] en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mevrouw [gemachtigde], ambtenaar bij de gemeente Borsele.

2. Overwegingen.

Ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO) draagt de gemeenteraad ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. Hij behandelt daarbij de door de gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op gelijke voet.

Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de WPO wordt een voorziening in de huisvesting van basisonderwijs slechts geweigerd, indien, voor zover in deze zaak van toepassing: (d.) op andere wijze dan wordt gewenst redelijkerwijze in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is.

Artikel 102 van de WPO draagt de gemeenteraad op bij verordening een regeling vast te stellen met betrekking tot ondermeer de voorzieningen die ingevolge artikel 92 voor bekostiging in aanmerking kunnen worden gebracht en de normen aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. Gelet op dit artikel heeft verweerder vastgesteld de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (hierna de Verordening).

Op grond van artikel 11 van de Verordening stelt de Raad jaarlijks als onderdeel van de gemeentebegroting het bedrag vast dat beschikbaar is voor de vergoeding van de aangevraagde huisvestingsvoorzieningen. De artikelen 12 en 13 van de Verordening regelen dat zulks geschiedt middels de vaststelling van een Onderwijshuisvestingsprogramma en een Huisvestingsoverzicht.

Bij de Verordening behoort een Bijlage I die - met onder meer uitwerking van het bepaalde in artikel 100 van de WPO - criteria stelt voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen.

Artikel 1.3.2 van Bijlage I van de Verordening luidt:

De noodzaak voor de uitbreiding (van een basisschool) met een tweede speellokaal blijkt uit:

a. het feit dat de basisschool ten minste vijf groepen jongste leerlingen (van vier en vijf jaar oud) van ten minste 20 leerlingen telt (…) terwijl

b. voor het spelen van (een deel van) de vier- en vijfjarigen geen gebruik kan worden gemaakt van een gymnastiekruimte of van een speellokaal van een andere basisschool of school voor speciaal onderwijs binnen 300 meter hemelsbreed.

Verweerder heeft besloten tot vergoeding van de uitbreiding van de Christelijke basisschool De Rank te ’s-Gravenpolder (hierna: De Rank) met een lokaal van 105 m2 ten behoeve van een vijfde groep. In geding is de afwijzing door verweerder van de door eiseres daarenboven aangevraagde uitbreiding van 90 m2 ten behoeve van een speellokaal.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van noodzaak tot uitbreiding met een speellokaal voor De Rank,omdat er de mogelijkheid is tot medegebruik van het speellokaal van de naast De Rank gelegen openbare basisschool De Linden (hierna: De Linden). Dit speellokaal heeft naast het eigen gebruik door De Linden, gemeten naar de normen voor bewegingsonderwijs aan 4/5 jarigen, nog voldoende klokuren beschikbaar voor de groepen van De Rank.

Eiseres is van mening dat gezien de gang van de procedure, waarin eiseres op verzoek nadere gegevens aan verweerder heeft verstrekt, een positief besluit had mogen worden verwacht. Verweerder heeft aan het eind van de procedure toch negatief beslist, wijzend op de mogelijk-heid van medegebruik. Eiseres bestrijdt dat het speellokaal van De Linden voldoende beschikbaar is voor de groepen van De Rank. Het rooster van De Linden biedt onvoldoende mogelijkheden. Voorts stelt eiseres dat medewerkers van De Linden zich te allen tijde toegang tot het speellokaal kunnen verschaffen ter controle op het gebruik. Dat acht eiseres in strijd met de Verordening, omdat beheer van de ruimte die een school in medegebruik moet afstaan, aan die school wordt onttrokken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eiseres heeft niet weersproken hetgeen verweerder heeft gesteld ten aanzien van de normen voor bewegingsonderwijs aan 4/5 jarigen. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat een speellokaal 26 klokuren per week kan worden gebruikt en dat voor een groep 4/5 jarigen een richtlijn geldt van 5,5 klokuren bewegingsonderwijs per week. De rechtbank leidt uit deze normering af dat in één speellokaal voor 4 groepen 4/5 jarigen bewegingsonderwijs kan worden verzorgd. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben De Rank en De Linden elk twee groepen 4/5 jarigen, zodat naar het oordeel van de rechtbank in beginsel beide scholen voor deze groepen gebruik moeten kunnen maken van het speellokaal van De Linden.

Eiseres heeft stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat beide scholen meer uren aan bewegingsonderwijs besteden dan bovenvermelde normering. Bovendien begrijpt de rechtbank uit deze stukken dat qua roostering de lesuren van beide scholen niet met elkaar sporen.

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de beschikbaarheid voor medegebruik van het speellokaal van De Linden op goede gronden kon uitgaan van het aantal klokuren dat in de richtlijnen staat voor het bewegingsonderwijs en voor het gebruik van een speellokaal. Zulks strookt ook met hetgeen wordt gemeld in de Toelichting op Bijlage I ten aanzien van gymnastiekruimten (waarbij de rechtbank opmerkt dat artikel 1.3.2 van Bijlage I spreekt over medegebruik van een gymnastiekruimte óf van een speellokaal): “Om vast te stellen of er daadwerkelijk medegebruik mogelijk is, wordt gekeken naar de klokurennorm zoals de gemeenteraad die voor het primair onderwijs heeft vastgesteld en naar het rooster.” In deze Toelichting wordt medegebruik een voor de gemeenten belangrijk instrument genoemd als het gaat om het realiseren van de benodigde doelmatigheid.

De rechtbank heeft zich gerealiseerd dat medegebruik van een voorziening aan de gebruikers daarvan de nodige beperkingen oplegt en aanmerkelijk ongemak kan veroorzaken. Zo zal het medegebruik van het speellokaal ten aanzien van het onderwijsprogramma, de planning en roostering van zowel De Linden als van De Rank de nodige aanpassing en afstemming vereisen. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel niet worden gezegd dat verweerder zich onredelijk heeft opgesteld door deze inspanningen van de betrokken scholen te verwachten. Verweerder heeft immers bij de afwijzing van het speellokaal de belangen van eiseres afgewogen tegen het belang van een optimale afstemming van huisvestingsbehoefte, beschikbare huisvestingcapaciteit en de daarvoor beschikbare financiële middelen. Voorts is voor de praktische invulling van het medegebruik niet zonder belang dat de scholen De Rank en De Linden naast elkaar zijn gelegen zodat geen of nauwelijks tijd verloren gaat doordat de leerlingen van De Rank zich moeten begeven naar (of terugkomen van) het speellokaal van De Linden.

Eiseres heeft nog opgemerkt dat De Linden het nodige voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van het medegebruik door De Rank. Daarover is ter zitting namens verweerder verklaard dat de openbare school De Linden door het gemeentebestuur als bevoegd gezag rechtstreeks kan worden verplicht aan het medegebruik mee te werken. Ook overigens acht de rechtbank verweerder daartoe bevoegd. Zij verwijst daarbij naar artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening, dat luidt: “Burgemeester en wethouders kunnen overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien.” De rechtbank leidt uit de mededeling namens verweerder en voormeld artikel af dat het mogelijk is om feitelijk en geschikt medegebruik van het speellokaal van De Linden af te dwingen, zodat het voorbehoud of de voorwaarden, door De Linden aan het medegebruik gesteld, geen werkelijke belemmeringen behoeven te vormen voor een praktisch werkbaar medegebruik door De Rank.

De rechtbank heeft in de bepalingen van de WPO en de Verordening geen aanknopingspunten kunnen vinden voor de opvatting van eiseres dat de school die een ruimte moet afstaan voor medegebruik aan een andere school, het beheer over die ruimte volledig aan die andere school verliest. Het is veeleer zo dat de scholen die een ruimte in medegebruik hebben in onderling overleg moeten komen tot afspraken over de beheersmatige aspecten van die ruimte. De rechtbank wijst daarbij op het gestelde in de artikelen 9A en 33 van de Verordening.

De stelling van eiseres dat gezien het verloop van de procedure, waarin eiseres op verzoek nadere gegevens aan verweerder heeft verstrekt, een positief besluit had mogen worden verwacht, kan de rechtbank niet volgen. De eerdere besluitvorming betrof de vraag of De Rank überhaupt in aanmerking kon worden gebracht voor vergoeding van een speellokaal. Na de door eiseres verstrekte nadere gegevens bleek zulks wel het geval te zijn. Eerst daarna kon verweerder toekomen aan het beoordelen van de aanvraag in het kader van artikel 1.3.2 van Bijlage I van de Verordening. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van onzorg-vuldigheden in de procedure die tot vernietiging van het bestreden besluit aanleiding zouden moeten geven.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid kon aannemen dat voor het spelen van de groepen 4/5-jarigen van De Rank gebruik kon worden gemaakt van het speellokaal van De Linden en dat derhalve van de noodzaak tot de uitbreiding van De Rank geen sprake was. Verweerder heeft daarom op goede gronden op zijn huisvestingsprogramma 2001 ten behoeve van de vorming van een vijfde groep leerlingen op De Rank onder meer geplaatst de uitbreiding van het schoolgebouw tot een maximum van (slechts) 105 m2.

Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

3. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2002

door mr. J.P.M. Hopmans, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol-Enklaar, griffier.

Afschrift verzonden op: 5 juli 2002

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.