Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2002:AF1853

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-12-2002
Datum publicatie
12-12-2002
Zaaknummer
KG 226/2002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ter terechtzitting van 5 december 2002 heeft eiseres, verkort weergegeven, gevorderd gedaagde te veroordelen af te zien van uitvoering van het vonnis van deze rechtbank van 8 augustus 2002, totdat door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie onherroepelijk zal zijn beslist op het verzoek van eiseres om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet en of op het verzoek van eiseres om haar opvang te (blijven) verlenen althans totdat ter zake van die beslissingen c.q. het uitblijven daarvan is beslist door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op het door eiseres ingediende verzoek om voorlopige voorziening. Eiseres vordert voorts gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht, Voorzieningenrechter

Vonnis van 12 december 2002 in de zaak van:

Kort gedingnr.: 226/2002

[eiseres]

wonende te Burgh Haamstede,

procureur: mr. K.P.T.G. Flos,

advocaat: mr. F.H. Koers,

tegen:

Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers,

gevestigd te Rijswijk,

gedaagde,

procureur: mr. C.H. Brinkman,

advocaat: mr. D. Brugman te 's-Gravenhage,

vrijwillig verschenen.

1. Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 5 december 2002 heeft eiseres, verkort weergegeven, gevorderd gedaagde te veroordelen af te zien van uitvoering van het vonnis van deze rechtbank van 8 augustus 2002, totdat door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie onherroepelijk zal zijn beslist op het verzoek van eiseres om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet en of op het verzoek van eiseres om haar opvang te (blijven) verlenen althans totdat ter zake van die beslissingen c.q. het uitblijven daarvan is beslist door de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op het door eiseres ingediende verzoek om voorlopige voorziening. Eiseres vordert voorts gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding.

Gedaagde heeft verweer gevoerd.

Na verder debat is vonnis gevraagd.

De inhoud van de overgelegde processtukken, waaronder producties en pleitnotities zijdens beide partijen, geldt hier als ingelast.

2. De feiten

2.1. Eiseres is asielzoekster uit de Democratische Republiek Congo. Zij is Nederland op 19 oktober 1999 ingereisd en verblijft met haar vier kinderen en haar echtgenoot in het asielzoekerscentrum AZC Burgh Haamstede.

2.2. Bij vonnis van 8 augustus 2002 van de Voorzieningenrechter van deze rechtbank is eiseres veroordeeld het AZC Burgh Haamstede binnen drie dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en ontruimd te houden met al het hare en de haren, met machtiging aan gedaagde om het vonnis, na betekening, ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm indien eiseres aan de veroordeling niet voldoet.

2.3. Op 19 augustus 2002 heeft het COA voornoemd vonnis van 8 augustus 2002 aan eiseres doen betekenen en de tenuitvoerlegging - zonodig - door ontruiming aangezegd tegen 26 augustus 2002.

2.4. Na voornoemd vonnis is aan het licht gekomen dat de minderjarige tweeling van eiseres seksueel is misbruikt door een medebewoner van het AZC Burgh Haamstede. De minderjarigen staan vanwege voornoemde gebeurtenis onder medische behandeling. Het gezin van eiseres wordt daarbij bijgestaan door het Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg Emergis te Middelburg, door Maatschappelijk Werk Oosterschelderegio (MWO) te Zierikzee en door ASK Ithaka Kinder- en Jeugdzorg. De medebewoner is inmiddels voor voornoemd seksueel misbruik veroordeeld.

2.5. Gedaagde heeft na de hiervoor omschreven gebeurtenis de aangezegde ontruiming uitgesteld. Voorts heeft hij, nadat de Officier van Justitie te kennen had gegeven dat de aanwezigheid van de kinderen in verband met het strafrechtelijk onderzoek niet langer noodzakelijk was, de ontruiming opnieuw aangezegd tegen vrijdag 29 november 2002.

2.6. Eiseres heeft bij de korpschef van de politie te Middelburg bij schrijven van 23 augustus 2002 een beroep gedaan op artikel 64 Vreemdelingenwet. Naar aanleiding hiervan is inmiddels een procedure gestart.

2.7. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 14 lid 2 Vw-2000 juncto artikel 3.4 lid 1 sub r en w Vb. Op die aanvraag is tot op heden niet beslist.

2.8. Eiseres heeft op 27 november 2002 een bezwaarschrift c.q. administratief beroepschrift ingediend tegen het uitblijven van een reactie op het verzoek om toepassing van artikel 14 lid 2 Vw-2000 en tegen de gedragingen en (mondelinge) besluiten waarmee de korpschef, dan wel de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie aan gedaagde laat weten dat eiseres en haar gezinsleden rechtmatig verwijderbaar zijn.

2.9. Bij schrijven van 27 november 2002 is bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, met het verzoek de minister te verbieden eiseres en haar gezin uit de opvang te verwijderen c.q. de minister te gelasten gedaagde te instrueren opvang te blijven verlenen.

3. Het geschil

3.1. Eiseres stelt dat gedaagde onrechtmatig handelt indien hij niettegenstaande de vooromschreven omstandigheden het vonnis van 8 augustus 2002 ten uitvoer doet leggen. Zij spreekt van een situatie waarbij sprake is van schrijnende humanitaire omstandigheden die tot voortzetting van de opvang nopen. Een beëindiging van de opvang door gedaagde zou getuigen van onredelijke hardheid. Eiseres stelt dat nu gedaagde de uitvoering van het vonnis heeft opgeschort, om redenen verband houdend met vooromschreven gebeurtenissen, niet zonder meer die opschorting kan beëindigen zonder controleerbare en in rechte te betwisten besluitvorming met betrekking tot de vraag of beëindiging van de opschorting gerechtvaardigd is. Voor wat betreft de spoedeisendheid verwijst eiseres naar het feit dat de ontruiming door gedaagde is aangezegd tegen 29 november 2002.

3.2. Gedaagde stelt dat nu het einde van het recht op opvang rechtstreeks voortvloeit uit de regelgeving hij ter zake geen enkele beoordelingsvrijheid of beleidsvrijheid bezit. Het ontruimingsvonnis van 8 augustus 2002 is, nu daartegen geen rechtsmiddel is ingesteld onherroepelijk geworden en het onderhavige geschil betreft derhalve een zuiver executiegeschil. Een inhoudelijke beoordeling van de vraag of het onder de gegeven omstandigheden al dan niet tot een uitzetting van eiseres mag komen, is in dit kort geding dan ook niet aan de orde. Gedaagde stelt geen misbruik te maken van zijn executiebevoegdheid door voornoemd vonnis ten uitvoer te leggen. De omstandigheid dat gedaagde de ontruiming eerder heeft uitgesteld is zo stelt hij gelegen in het feit dat de politie liever niet mee wilde werken aan de ontruiming zolang de officier van justitie de minderjarige tweeling van eiseres beschikbaar wilde houden in verband met het strafrechtelijk onderzoek. Derhalve waren het omstandigheden buiten de invloedssfeer van gedaagde die hem ertoe noopten in te stemmen met de opschorting van de ontruiming. Subsidiair stelt gedaagde dat wanneer toch overgegaan wordt tot een inhoudelijke toetsing hij in de overgelegde medische stukken geen aanwijzing ziet dat eiseres en haar kinderen niet kunnen reizen. Mocht toch geoordeeld worden dat de executie moet worden opgeschort, dan kan die opschorting naar het oordeel van gedaagde in elk geval niet langer duren dan tot het moment dat de IND in eerste aanleg negatief heeft beslist.

4. De beoordeling

4.1. Naar vaste jurisprudentie kan de rechter in een executiegeschil met betrekking tot een ontruimingsvonnis slechts de staking van tenuitvoerlegging van dat vonnis bevelen indien hij van oordeel is dat de executant, mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde, misbruik maakt van zijn bevoegdheid om te executeren. Dat kan het geval zijn wanneer het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de ontruiming op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2. Na het kort geding vonnis van 8 augustus 2002 is komen vast te staan dat de minderjarige tweeling van eiseres gedurende hun verblijf in het opvangcentrum te Burg Haamstede door een medebewoner seksueel zijn misbruikt. Als onweersproken is komen vast te staan dat de minderjarigen hierdoor een ernstig trauma hebben opgelopen, waarvoor zij op dit moment een medische behandeling ondergaan. Ter terechtzitting is door de arts dhr. [xxx], in zijn hoedanigheid van getuigedeskundige, verklaard dat het van essentieel belang is dat deze behandeling, welke nog minimaal vier tot zes maanden zal duren, wordt voortgezet. Een ontruiming zou als gevolg hebben dat de behandeling wordt onderbroken, hetgeen zijns inziens medisch zeer onwenselijk is. Dhr. [xxx] heeft tevens onweersproken gesteld dat Emergis op voorhand aan gedaagde te kennen heeft gegeven de minderjarigen slechts te willen behandelen indien zij voor minimaal een half jaar over een relatief vaste woon en verblijfplaats zouden beschikken, dit met het oog op de kans van slagen van de behandeling. Voorts heeft hij gewezen op het feit dat het onderhavige rechtsgeding, en de daarmee samenhangende angst voor een ontruiming op zeer korte termijn, het genezingsproces van de minderjarigen zeker zal schaden met als gevolg dat er een nieuw trauma zal zijn ontstaan en de behandeling nog meer tijd in beslag zal nemen. Uit de verklaring van dhr. [xxx] blijkt dat eiseres een zwaarwegend belang heeft bij hetgeen zij ter terechtzitting heeft gevorderd. Het zou onverantwoord zijn de behandeling te staken. Het belang van gedaagde, te weten het herbeschikken over de door eiseres en haar gezin gebruikte ruimte in het asielzoekerscentrum te Burg Haamstede, weegt naar het oordeel van de Voorzieningenrechter hier niet tegen op.

4.3. Naar het voorlopig oordeel van de Voorzieningenrechter is het, gelet op de voormelde nieuwe feiten die zich hebben voorgedaan, niet volstrekt onwaarschijnlijk dat de bestuursrechter of de IND zal besluiten dat voorshands niet tot uitzetting van eiseres kan worden overgegaan. Meer in het bijzonder acht de Voorzieningenrechter het niet ondenkbaar dat het oordeel over het beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet in het onderhavige geval gehonoreerd zal worden op grond van de uitleg dat onder "reizen" in de zin van dat artikel verstaan dient te worden het reizen in het kader van een uitzetting en dat de bijzondere situatie met betrekking tot de gezondheid van de kinderen van eiseres met zich meebrengt dat het niet verantwoord moet worden geacht in dat kader te reizen.

Nu aangaande dit beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet nog niet is beslist en evenmin is beslist op het bezwaar dat tegen het uitblijven van zo'n beslissing is ingediend, is evenmin volstrekt onwaarschijnlijk dat de Voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, een voorlopige voorziening zal treffen die erop neerkomt dat eiseres en haar gezin, voor de duur dat nog niet is beslist op het beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet, nog niet uit de opvang mogen worden verwijderd.

Zolang rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat eiseres op grond van de uitkomst van voormelde procedures met haar gezin voorlopig niet uit Nederland gezet mag worden, opdat de medische behandeling van haar kinderen kan worden afgemaakt, is daarin een argument gelegen om te oordelen dat gedaagde onrechtmatig zou handelen indien zij de voorgenomen executie van het vonnis van 8 augustus 2002 doorzet.

De vraag of van onrechtmatig handelen in dat geval sprake zou zijn hangt mede af van afweging van de belangen van partijen. Enerzijds is er het belang van gedaagde om te kunnen beschikken over haar eigen opvangruimte, die ook nodig is voor de opvang van andere vreemdelingen, anderzijds is er het belang van eiseres om te voorkomen dat het eventuele (namelijk indien de bestuursrechter of de Voorzieningenrechter te Den Haag voor eiseres gunstig zou beslissen) recht om de medische behandeling van haar kinderen te kunnen laten afmaken zou worden gefrustreerd door een gedwongen ontruiming van het door gedaagde thans nog geboden onderdak.

Naar het voorlopig oordeel van de Voorzieningenrechter is de schade, die door deze ontruiming thans ingevolge het vonnis van 8 augustus 2002 aan de belangen van eiseres zou worden toegebracht, groter dan de schade aan het belang van gedaagde indien zij deze ontruiming achterwege zou moeten laten totdat eventueel beslist zou zijn dat eiseres met haar gezin mag worden uitgezet, althans zij en haar gezin in de gegeven omstandigheden niet meer hoeven te worden opgevangen, althans totdat de medische behandeling van de kinderen van eiseres is voltooid.

Gelet op het vorenstaande is de gevorderde voorlopige voorziening toewijsbaar, met dien verstande dat de tijd gedurende welke gedaagde tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 augustus 2002 dient na te laten beperkt moet blijven tot maximaal de duur van de medische behandeling van de kinderen van eiseres. Eiseres heeft gesteld dat deze nog vier tot zes maanden zal duren. In de beslissing zal hiermee rekening gehouden worden invoege als hieronder bepaald.

4.4. Alhoewel gedaagde grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, acht de Voorzieningenrechter termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren, zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt. De Voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat gedaagde, naar zij onvoldoende weersproken heeft gesteld, gelet op haar positie tegenover de IND, nauwelijks eigen beoordelingsruimte en beslissingsbevoegdheid heeft met betrekking tot het verlenen van opvang en het beëindigen daarvan. Het feit dat gedaagde heeft willen overgaan tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 8 augustus 2002 is dan ook op zich een te respecteren houding en valt gedaagde gezien haar positie niet te verwijten. Het zou onder deze omstandigheden vanuit het oogpunt van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar zijn dat gedaagde voor alle proceskosten zou moeten opkomen.

5. De beslissing

De Voorzieningenrechter:

- veroordeelt gedaagde af te zien van uitvoering van het tussen partijen gewezen vonnis van de Voorzieningenrechter van deze rechtbank van 8 augustus 2002, totdat door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie onherroepelijk zal zijn beslist op het verzoek van eiseres om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet en/ of op het verzoek van eiseres om haar opvang te (blijven) verlenen, met dien verstande dat de hierbij bevolen schorsingsperiode in elk geval niet langer zal duren dan zes maanden, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;

- compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R.P. Verhoeven, Voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.