Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2002:AE9131

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-09-2002
Datum publicatie
17-12-2002
Zaaknummer
Awb 01/626
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

ENKELVOUDIGE KAMER BESTUURSRECHT

Reg.nr.: Awb 01/626

Uitspraak inzake :

Vereniging van woonschepen en woonarken Kortgene, gevestigd te Kortgene, eiseres,

gemachtigden: mr. S.J.M. Jaasma, advocaat te Amsterdam, en J.A.L van Engelen, werkzaam bij EMC te Prinsenbeek,

tegen

de raad der gemeente Kortgene, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 30 september 1999 heeft verweerder besloten om de Landbouwhaven Kortgene aan de openbaarheid te onttrekken.

Bij besluit van 28 september 2000 heeft verweerder besloten om de inwerkingtreding van zijn besluit van 30 september 1999 te wijzigen in die zin dat het besluit van 30 september 1999 in werking treedt op donderdag 5 oktober 2000.

Eiseres heeft hiertegen bij brief van 18 oktober 2000 een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 5 november 2001 heeft eiseres bij de rechtbank een beroepschrift ingediend tegen verweerders weigering om op haar bezwaar te beslissen.

Bij besluit van 18 december 2001 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Het beroep is op 7 augustus 2002 behandeld ter zitting. Namens eiseres zijn daar verschenen bovengenoemde gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda. Namens verweerder was ook aanwezig mr. B. Melis, ambtenaar in verweerders gemeente. Als derde-belanghebbende was aanwezig J. Boelen, directeur van Delta Marina BV te Kortgene, die werd terzijde gestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. Meijer, advocaat te Den Haag.

2. Overwegingen.

De rechtbank stelt voorop dat, nu verweerder, bij bovengenoemd besluit van 18 december 2001, heeft beslist op het bezwaar van eiseres, laatstgenoemde geacht mag worden bij een beoordeling van het beroep tegen de weigering om te beslissen geen belang meer te hebben, zodat haar beroep in zoverre niet ontvankelijk is.

Het beroep wordt voor het overige aangemerkt als zijnde gericht tegen verweerders besluit van 18 december 2001.

Aan dit besluit ligt ten grondslag de overweging van verweerder dat er overwegende redenen bestonden om de landbouwhaven aan de openbaarheid te onttrekken en dat het algemeen belang zich daar niet tegen verzette.

Eiseres heeft aangevoerd dat haar leden onevenredig zware schade lijden van het onttrekkingsbesluit, doordat dat besluit tot gevolg zal hebben dat hun woonschepen daar geen ligplaats meer zullen mogen hebben. Dit zal tot een aanzienlijke waardevermindering van die woonschepen leiden.

Eiseres is van mening dat die schade niet voor rekening van haar leden dient te blijven, doch dat de gemeente Noord-Beveland is gehouden tot nadeelcompensatie. Dit klemt temeer waar haar leden hun woonschepen al dertig jaar een ligplaats in de landbouwhaven hebben, aldus eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt.

Eerste punt van aandacht is het gegeven dat een wettelijke regeling inzake het onttrekken van andere zaken dan wegen aan de openbaarheid ontbreekt.

Het is de Wegenwet die voorziet in regelgeving met betrekking tot onttrekken van wegen aan de openbaarheid.

Door verweerder is ten aanzien van de besluitvorming over deze materie - het ontstaan van en onttrekken aan de openbaarheid - bij het stelsel van die wet aansluiting gezocht.

De rechtbank acht dit niet onjuist.

In overeenstemming hiermee stelt de rechtbank vast dat verweerder, die ook bij wegen tot overeenkomstige besluitvorming bevoegd is, als het beslissingsbevoegde bestuursorgaan kan worden aangemerkt.

Uit het stelsel en de strekking van de Wegenwet volgt voorts, volgens jurisprudentie, dat in het algemeen slechts tot onttrekking aan de openbaarheid kan worden overgegaan indien daarvoor zwaarwegende redenen bestaan en het algemeen belang zich er niet tegen verzet.

Blijkens de stukken ontleende de landbouwhaven te Kortgene, die tot 9 november 2000 eigendom was van de vennootschap onder firma "Stad Kortjeen", haar openbaarheid aan de bestemming die zij had, te weten die van laad- en loshaven voor landbouwvaartuigen ten behoeve van met name bietenvervoer met vrachtschepen van en naar de aan de haven gesitueerde gebouwen van de Coöperatieve Zuidelijke Aan- en Verkoopvereniging.

Onder meer als gevolg van de sluiting van de bedrijven van deze coöperatieve vereniging is die bestemming aan de landbouwhaven grotendeels komen te ontvallen. Met het oog hierop is besloten tot herontwikkeling van die landbouwhaven, onder meer door een nieuw bestemmingsplan voor het betreffende gebied vast te stellen. Dit bestemmingsplan - het Bestemmingsplan Havenfront Kortgene - is inmiddels onherroepelijk geworden. Als gevolg daarvan is de op die haven ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan Buitengebied rustende (planologische) bestemming "haven en havenindustrie" gewijzigd in "jachthaven."

Bovendien heeft verweerders gemeente met het oog op bedoelde herontwikkeling van de landbouwhaven het erfpachtrecht dat de gemeente op de haven bezat op 7 juli 2000 verkocht aan Korteweg vastgoed Ontwikkeling BV. Deze heeft dat erfpachtrecht doorverkocht aan Delta Marina BV, welke vennootschap per 9 november 2000 tevens de volle eigendom van de haven verwierf.

Met name de verwezenlijking van een jachthaven in de landbouwhaven, ter uitvoering van genoemd nieuwe bestemmingsplan, en bedoelde verkoop van het erfpachtrecht hebben verweerder doen besluiten tot onttrekking van de haven aan de openbaarheid.

De rechtbank acht verweerders stelling dat van een zwaarwegend belang sprake is zodat er aanleiding was om de haven aan de openbaarheid te onttrekken in rechte houdbaar.

Daarbij komt dat de verkoop van het erfpachtrecht op zich de openbaarheid van de haven, en dus de publiekrechtelijke zorg- en beheerstaak ten aanzien van die haven, niet zou hebben aangetast.

Dat verweerder zich van die taken heeft willen bevrijden, acht de rechtbank onder de bedoelde omstandigheden niet onredelijk. Gebleken noch aannemelijk is gemaakt dat voortzetting van die taken door verweerder enig algemeen belang zou hebben gediend.

De rechtbank heeft ook geen andere aanknopingspunten kunnen ontdekken voor de stelling dat het algemeen belang zich tegen onttrekking aan de openbaarheid verzette. In zoverre is het bestreden besluit op goede gronden genomen

Het is, anders dan eiseres stelt, niet dit besluit dat schade voor haar leden tot gevolg heeft.

Het gebruik van de haven als ligplaats stond immers los van de functie van de haven waaraan deze zijn openbaarheid ontleende, te weten die van - kort gezegd - laad- en loshaven. Alleen voor gebruik overeenkomstig die openbare bestemming heeft het verdwijnen van de openbaarheid consequenties gehad, namelijk dat de rechthebbende dat gebruik - als laad- en loshaven - niet meer behoefde te dulden. Maar die consequenties zijn hier niet in geding, het gaat in dit geschil om de consequenties voor het bijzondere gebruik van de haven als ligplaats.

Aan dat gebruik is niet een eind gekomen doordat de openbaarheid aan de haven is komen te ontvallen, doch door bovengenoemde vervreemding van het erfpachtrecht - enkele maanden voordat er een einde aan die openbaarheid kwam - aan Korteweg vastgoed Ontwikkeling BV., waarna immers dat erfpachtrecht in handen is gekomen van Delta Marina BV, die vervolgens ook de volle eigendom van de haven en daarmee het volledige zeggenschap daarover heeft verworven. De rechthebbende wenst per 1 april 2003 met de leden van eiseres geen overeenkomst meer aan te gaan om in zijn haven ligplaats in te nemen.

De rechtbank acht evident dat de overgang van zeggenschap over de haven voor die leden aanzienlijke schade, materieel en immaterieel, meebrengt, doch die schade is aan te merken als het rechtstreekse gevolg van een, zoals verweerder terecht stelt, louter privaatrechtelijke aangelegenheid. Het is de burgerlijke rechter die over de namens eiseres gestelde schade dient te oordelen.

Verweerder heeft overigens waar mogelijk de belangen van de leden van eiseres behartigd door opneming van een kwalitatieve verplichting voor de keten van zijn rechtsopvolgers in de privaatrechtelijke overeenkomst en door zich te verplichten een alternatieve ligplaats te zoeken.

De rechtbank is van oordeel dat het in casu bestreden besluit op goede gronden is genomen en dat de daartegen aangedragen bezwaren geen doel treffen. Het beroep is dan ook ongegrond.

Voor een veroordeling van verweerder tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 Awb is geen plaats.

De uitspraak komt als volgt te luiden.

3. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep, voorzover het is gericht tegen verweerders weigering om te beslissen op het in rubriek 1 genoemde bezwaarschrift, niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2002

door mr. G.J.A. van Unnik, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol - Enklaar, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.