Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2002:AE6413

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
24-07-2002
Datum publicatie
12-08-2002
Zaaknummer
12/000112-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uiterlijk moment van inkeer in het kader van toepassing art. 68 (69) AWR

RECHTBANK MIDDELBURG

sector strafrecht

meervoudige kamer

Parketnummer: 12/000112-00

Datum uitspraak: 24 juli 2002

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 6 maart 2001

Datum voorlopige hechtenis: 9 maart 2001

Schorsing voorlopige hechtenis: 31 maart 2001

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

(naam verdachte),

geboren op (geboortedatum, geboorteplaats),

wonende (woonplaats, adres),

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. Ong Sien Hien, advocaat te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 juli 2002.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. van Es en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks het tijdvak van 23 juni 1997

tot en met 21 september 1997, in de gemeente Maasland, in elk geval in

Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- een op 23 juni 1997 gedateerde arbeidsovereenkomst, zijnde een arbeids-

overeenkomst een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om dat

geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken,

bestaande die valsheid hierin, dat in die arbeidsovereenkomst valselijk en

in strijd met de waarheid was vermeld, dat (naam verdachte) met ingang van

1 juli 1997 als "niet juridisch medewerker" en met als titel "chef du

bureau" in loondienst zal zijn van (naam medeverdachte) tegen een brutosalaris van

f 15.000,- per maand, welke arbeidsovereenkomst door hem, verdachte, en/of

zijn mededader(s) was ondertekend,

en/of

- een op 17 september 1997 gedateerde werkgeversverklaring, zijnde een

werkgeversverklaring een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te

dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om

dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken,

bestaande die valsheid hierin, dat in die werkgeversverklaring valselijk en

in strijd met de waarheid was vermeld, dat (naam verdachte) als werknemer

sinds 1 juli 1997 als niet juridisch medewerker in vaste dienst was bij

(naam medeverdachte),

en/of

- 3 loonstroken, gedateerd respectievelijk op 21 juli 1997, 21 augustus 1997

en 21 september 1997, zijnde een loonstrook een geschrift om tot bewijs van

enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het

oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken,

bestaande die valsheid hierin, dat op die loonstroken valselijk en in strijd

met de waarheid was vermeld dat (naam verdachte) in de maanden juli, augustus

en september van het jaar 1997 telkens een nettoloon als salaris van (naam medeverdachte) had ontvangen ten bedrage van f 7346,94;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 21 november 2000, in de gemeente Schouwen-Duiveland, in

elk geval in Nederland,

opzettelijk voorhanden heeft gehad:

- een op 23 juni 1997 gedateerde valse of vervalste arbeidsovereenkomst,

zijnde een arbeidsovereenkomst een geschrift bestemd om tot bewijs van enig

feit te dienen,

bestaande die valsheid hierin, dat in die arbeidsovereenkomst valselijk en

in strijd met de waarheid was vermeld, dat (naam verdachte) met ingang van

1 juli 1997 als "niet juridisch medewerker" en met als titel "chef du

bureau" in loondienst zal zijn van (naam medeverdachte) tegen een brutosalaris van

f 15.000,- per maand, welke arbeidsovereenkomst door hem, verdachte, en/of

(naam medeverdachte) was ondertekend,

en/of

- een op 17 september 1997 gedateerde valse of vervalste werkgeversverklaring,

zijnde een werkgeversverklaring een geschrift bestemd om tot bewijs van enig

feit te dienen,

bestaande die valsheid hierin, dat in die werkgeversverklaring valselijk en

in strijd met de waarheid was vermeld, dat (naam verdachte) als werknemer

sinds 1 juli 1997 als niet juridisch medewerker in vaste dienst was bij

mr. (naam medeverdachte),

en/of

- 3 valse of vervalste loonstroken, gedateerd respectievelijk op 21 juli 1997,

21 augustus 1997 en 21 september 1997, zijnde een loonstrook een geschrift

om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid hierin, dat op die loonstroken valselijk en in strijd

met de waarheid was vermeld dat (naam verdachte) in de maanden juli, augustus

en september van het jaar 1997 telkens een nettoloon als salaris van (naam medeverdachte) had ontvangen ten bedrage van f 7346,94,

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/die geschrift(en)

bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 9 juni 1997, in de gemeente Rotterdam, in elk geval in

Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting over de jaren 1995 en 1996 ten name van (naam verdachte) H/O

(naam rechtspersoon 1) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of

de Belastingdienst te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over

de genoemde jaren een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag

aan belasting, opgegeven, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn, dat te

weinig belasting zou kunnen worden geheven;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 68 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

3.

hij op of omstreeks 11 mei 1998, in de gemeente Goes, in elk geval in

Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting over de maand februari 1998 ten name van (naam rechtspersoon 2) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of

de Belastingdienst te Goes ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over de

genoemde maand een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan

belasting, opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting

werd geheven;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

4.

hij op of omstreeks 28 juni 1999, in de gemeente Goes, in elk geval in

Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting over het jaar 1997 ten name van (naam verdachte) H/O (naam rechtspersoon 1) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of

de Belastingdienst te Goes ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over het

genoemde jaar een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan

belasting, opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting

werd geheven;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

Van de zijde van de verdachte is ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 aangevoerd dat verdachte reeds in juni 1997 opdracht heeft gegeven aan zijn boekhouder om na te gaan of op grond van de boekhouding van verdachte, bij de belastingdienst suppletie-aangiften omzetbelasting gedaan moesten worden. Vervolgens is door verdachte terzake feit 2 alsnog een suppletie-aangifte gedaan op 20 november 2000, terzake feit 3 is een suppletie-aangifte gedaan op 24 april 2001 en terzake feit 4 op 20 november 2000. De verdachte stelt dat gelet op deze omstandigheden, de inkeerbepaling als bedoeld in artikel 69 lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is. Deze inkeerbepaling luidt – zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang – dat het recht tot strafvervolging terzake het doen van een onjuiste en/of onvolledige aangifte vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de belastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. De rechtbank begrijpt het verweer van de verdachte derhalve aldus, dat hij een beroep doet op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens het vervallen van het recht tot strafvervolging omdat de inkeerbepaling op verdachte van toepassing is.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. De belastingdienst is op 9 april 1998 een boekenonderzoek begonnen bij verdachte voor (naam rechtspersoon 2). In het kader van dat boekenonderzoek heeft een medewerker van de belastingdienst, de heer Blommaert, verdachte bezocht. Gelet op de - door verdachte zelf gestelde - nauwe samenhang tussen de verschillende bedrijven die (mede) vallen onder de verantwoordelijkheid van verdachte – waaronder (naam rechtspersoon 2) en (naam verdachte) h/o (naam rechtspersoon 1) – had het voor verdachte duidelijk moeten zijn dat in het boekenonderzoek zowel de boekhouding van (naam rechtspersoon 2) als de boekhouding van (naam verdachte) h/o (naam rechtspersoon 1) betrokken zou worden. Dit brengt met zich mee dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat tijdens voornoemd boekenonderzoek de belastingdienst met een eventuele onjuistheid of onvolledigheid in de door verdachte vóór april 1998 gedane aangiften omzetbelasting bekend was of zou worden. Verdachte kon er voorts redelijkerwijs rekening mee houden dat ook de aangiften omzetbelasting gedaan na april 1998 in het op dat moment nog lopende onderzoek zouden worden betrokken. De verdachte kan zich derhalve niet beroepen op de inkeerbepaling voor zover hij “tot inkeer” is gekomen, dat wil zeggen suppletie-aangiften heeft ingediend, na april 1998.

Terzake van feit 2 blijkt uit het dossier dat voor een deel van de verschuldigde omzetbelasting geen suppletie-aangifte is gedaan. De verdachte heeft echter aangevoerd dat wel voor het volledige bedrag een suppletie-aangifte is gedaan, en wel op 20 november 2000. Voor de beoordeling of de verdachte zich terzake feit 2 kan beroepen op de inkeerbepaling, kan echter in het midden blijven of de verdachte wel of niet op 20 november 2000 een (volledige) suppletie-aangifte heeft gedaan. Zo verdachte wel een suppletie-aangifte heeft gedaan, is deze niet tijdig – want na april 1998 – gedaan, en wordt om deze reden het beroep op de inkeerbepaling verworpen. Voor zover de verdachte geen suppletie-aangifte heeft gedaan, kan reeds daarom geen beroep op de inkeerbepaling worden gedaan. Ten aanzien van dit feit is de officier van justitie derhalve ontvankelijk in zijn vervolging.

Uit de feiten 3 en 4 op de tenlastelegging blijkt dat verdachte wordt verweten dat hij respectievelijk op 11 mei 1998 en op 28 juni 1999 opzettelijk onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Met betrekking tot deze aangiften heeft verdachte respectievelijk op 24 april 2001 en 20 november 2000 suppletie-aangiften gedaan. Nu deze suppletie-aangiften zijn gedaan na april 1998, kan verdachte zich ook terzake deze feiten niet beroepen op de inkeerbepaling en is de officier van justitie ook ten aanzien van deze feiten ontvankelijk in zijn vervolging.

Verdachte heeft nog aangevoerd dat door en namens hem na 9 april 1998 met de fiscus is afgesproken dat hij in de gelegenheid werd gesteld alsnog suppletie-aangiften te doen. Deze omstandigheid, indien juist, doet echter niet af aan het gegeven dat de inkeerperiode toen reeds verstreken was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks het tijdvak van 23 juni 1997

tot en met 21 september 1997, in de gemeente Maasland, in elk geval in

Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- een op 23 juni 1997 gedateerde arbeidsovereenkomst, zijnde een arbeids-

overeenkomst een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om dat

geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken,

bestaande die valsheid hierin, dat in die arbeidsovereenkomst valselijk en

in strijd met de waarheid was vermeld, dat (naam verdachte) met ingang van

1 juli 1997 als "niet juridisch medewerker" en met als titel "chef du

bureau" in loondienst zal zijn van (naam medeverdachte) tegen een brutosalaris van

f 15.000,- per maand, welke arbeidsovereenkomst door hem, verdachte, en/of

zijn mededader(s) was ondertekend,

en/of

- een op 17 september 1997 gedateerde werkgeversverklaring, zijnde een

werkgeversverklaring een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te

dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om

dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen

gebruiken,

bestaande die valsheid hierin, dat in die werkgeversverklaring valselijk en

in strijd met de waarheid was vermeld, dat (naam verdachte) als werknemer

sinds 1 juli 1997 als niet juridisch medewerker in vaste dienst was bij

mr. (naam medeverdachte),

en/of

- 3 loonstroken, gedateerd respectievelijk op 21 juli 1997, 21 augustus 1997

en 21 september 1997, zijnde een loonstrook een geschrift om tot bewijs van

enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het

oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken,

bestaande die valsheid hierin, dat op die loonstroken valselijk en in strijd

met de waarheid was vermeld dat (naam verdachte) in de maanden juli, augustus

en september van het jaar 1997 telkens een nettoloon als salaris van (naam medeverdachte) had ontvangen ten bedrage van f 7346,94;

2.

hij op of omstreeks 9 juni 1997, in de gemeente Rotterdam, in elk geval in

Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting over de jaren 1995 en 1996 ten name van (naam verdachte) H/O

(naam rechtspersoon 1) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of

de Belastingdienst te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over

de genoemde jaren een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag

aan belasting, opgegeven, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn, dat te

weinig belasting zou kunnen worden geheven;

3.

hij op of omstreeks 11 mei 1998, in de gemeente Goes, in elk geval in

Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting over de maand februari 1998 ten name van (naam rechtspersoon 2) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of

de Belastingdienst te Goes ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over de

genoemde maand een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan

belasting, opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting

werd geheven;

4.

hij op of omstreeks 28 juni 1999, in de gemeente Goes, in elk geval in

Nederland,

opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de

Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

omzetbelasting over het jaar 1997 ten name van (naam verdachte) H/O (naam rechtspersoon 1) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of

de Belastingdienst te Goes ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over het

genoemde jaar een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan

belasting, opgegeven, terwijl dat feit er toe strekte dat te weinig belasting

werd geheven.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit:

1.1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2002, voor zover inhoudende:

Ik heb de arbeidsovereenkomst in overleg met (naam medeverdachte) opgesteld. Ik heb getekend. Ik heb geen inkomen genoten. In september hebben wij de loonstroken en werkgeversverklaring gemaakt. Ik heb die ook gebruikt. Ik heb de stukken bij een aantal financiële instellingen gebruikt.

1.2. Het dossier van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst FIOD, vestiging Roosendaal, dossiernummer PL/OI2618-11.99065, bevattende ambtsedige processen-verbaal, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt en op 27 juni 2001 ondertekend door S. van der Linden-van der Woude, M.C. Kooiman en H.E.J. van Tuijn, allen ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar (eerstgenoemde tot 1 mei 2001), welk dossier onder meer inhoudt:

1.2.1. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig overzichtsproces-verbaal (9/OPV), op ambtseed opgemaakt door H.E.J. van Tuijn en M.C. Kooiman voornoemd en ondertekend op 28 juni 2001, welk proces-verbaal onder meer inhoudt – zakelijk weergeven – :

Verdachte 1:

Naam: (naam verdachte)

Voornamen: (voornaam verdachte)

Verdachte 2:

Naam: (naam medeverdachte),

Voornamen: (voornaam medeverdachte)

II Materieel onderzoek strafbaar feit 9

In de op 21 november 2000 tijdens doorzoekingen bij verdachte 1 inbeslaggenomen administratie zijn de volgende vals opgemaakte bescheiden aangetroffen:

D/217 een op 23 juni 1997 gedateerde arbeidsovereenkomst inhoudende een loondienstverband van verdachte 1 als “niet juridisch medewerker” met als titel “chef de bureau” bij verdachte 2, aanvangende 1 juli 1997;

D/218 een bij deze arbeidsovereenkomst behorende werkgeversverklaring, gedateerd 17 september 1997;

D/220 meerdere op dit dienstverband betrekking hebbende salarisstroken, te weten juli 1997, augustus 1997, september 1997;

1.2.2. Als bijlage D/217:

- een schriftelijk stuk gedateerd 23 juni 1997 en getekend ter hoogte van de naam (naam medeverdachte) en “Voor Accoord” ondertekend door verdachte, waarin onder meer is vermeld:

“Betreft: arbeidsovereenkomst;

Met ingang van 1 juli 1997 zult u, in loondienst, werkzaam zijn in mijn kantoor als

“niet juridisch medewerker” met als titel “chef du bureau”.

Uw salaris bedraagt Hfl. 15.000,-- bruto per maand.

1.2.3. Als bijlage D/218:

- een schriftelijk stuk, ondertekend door (naam medeverdachte), met als opschrift “werkgeversverklaring”, waarin onder meer is vermeld:

Werkgever - Mr (naam medeverdachte)

Bovenstaande werkgever verklaart hierbij dat de volgende gegevens juist en volledig zijn.

Werknemer - (naam verdachte)

Dienstverband - In vaste dienst, sinds: 1 juli 1997

Functie - niet juridisch medewerker

Aldus naar waarheid ingevuld en ondertekend

Plaats en datum

(plaats)

17/9/97

1.2.4. Als bijlage D/220:

- een schriftelijk stuk, waarin onder meer is vermeld:

Mr. (naam medeverdachte)

De heer (naam verdachte)

(plaats), 21 juli 1997

Betreft: salaris juli 1997;

Omschrijving Bedragen

Nettoloon f. 7.346,94

- een schriftelijk stuk, waarin onder meer is vermeld:

Mr. (naam medeverdachte)

De heer (naam verdachte)

(plaats), 21 augustus 1997

Betreft: salaris augustus 1997;

Omschrijving Bedragen

Nettoloon f. 7.346,94

- een schriftelijk stuk, waarin onder meer is vermeld:

Mr. (naam medeverdachte)

De heer (naam verdachte)

(plaats), 21 september 1997

Betreft: salaris september 1997;

Omschrijving Bedragen

Nettoloon f. 7.346,94

1.2.5. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van een verdachte, op ambtseed opgemaakt en op 6 maart 2001 ondertekend door M.C. Kooiman en M.C.P. van Tienen, beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, Codenummer V.2/hema02-9 (2e verhoor) welk proces-verbaal onder meer inhoudt:

Verhoor

Datum: 6 maart 2001

De gehoorde heeft de volgende persoonlijke gegevens opgegeven:

Naam: (naam medeverdachte)

Voornamen: (voornaam medeverdachte)

Ik heb de overeenkomst, D/217, niet in deze vorm opgemaakt en ik heb deze arbeidsovereenkomst niet ondertekend. Ik kan hier kort en duidelijk over zijn: (naam verdachte) heeft nooit voor mij gewerkt. Hij heeft dus nooit werkzaamheden verricht zoals opgenomen in deze overeenkomst. (naam verdachte) heeft nooit voor mij als werknemer gewerkt. (naam verdachte) is dus ook nooit door mij betaald.

(Verbalisanten tonen aan verdachte document D/218, de vermoedelijk valselijk opgemaakte werkgeversverklaring)

Ik heb deze werkgeversverklaring met de hand ingevuld en ik heb deze verklaring, D/218, ondertekend.

De datum 17 september 1997 zou inderdaad de datum kunnen zijn waarop ik de werkgeversverklaring (D/218) heb opgemaakt.

(Verbalisanten tonen aan verdachte document D/220, de vermoedelijk valselijk opgemaakte loonstroken)

Ik kan duidelijk zijn over de loonstroken. (D/220) Ik heb nooit loon aan (naam verdachte) betaald en ik heb nooit loonstroken op naam van (naam verdachte) opgemaakt. Deze loonstroken zijn hartstikke vals.

De stukken die u mij hebt getoond, de bijlagen D/217 tot en met D/220, zijn niet overeenkomstig de waarheid opgemaakt. Het zijn valse of vervalste bescheiden, die gebruikt zijn of konden worden om een dienstverband, wat nooit heeft bestaan, echt te laten lijken.

1.2.6. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van een getuige, op ambtseed opgemaakt en ondertekend door F.W.J. Westerman en J.M.C. de Vries, beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, Codenummer G.1/01,welk proces-verbaal onder meer inhoudt:

Verhoor

Datum: 6 maart 2001

De gehoorde heeft de volgende persoonlijke gegevens opgegeven:

Naam: (naam getuige 1),

Voornamen: (voornaam getuige 1)

Vraag verbalisanten: In welke periode bent u werkzaam geweest bij de advocaat (naam medeverdachte)?

Antwoord gehoorde: In de periode van 1 mei 1995 tot en met 31 augustus 1998.

Waaruit bestonden uw werkzaamheden bij (naam medeverdachte)?

Antwoord gehoorde: Ik was juridisch secretaresse.

(Verbalisanten tonen aan verdachte document D/217, de vermoedelijk valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomst)

(Vraag verbalisanten:) Kent u deze arbeidsovereenkomst?

Antwoord verdachte:

Nee.

(Vraag verbalisanten: Heeft (naam verdachte) feitelijk werkzaamheden verricht welke voortvloeiden uit deze overeenkomst?

Antwoord verdachte:) Dat kan niet. De werkzaamheden die daarop staan heeft hij nooit verricht. Zo verzorgden het accountantskantoor Hofman & Van Hengel en ik de administratie van (naam medeverdachte).

(naam medeverdachte) zou ook nooit 15.000 gulden per maand kunnen betalen, dat had hij gewoon niet. Ik heb daarvan ook nooit een betaling gezien.

De werkzaamheden die daarop staan heeft hij nooit verricht.

1.2.7. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van een getuige, op ambtseed opgemaakt en op 21 juni 2001 ondertekend door H.E.J. van Tuijn en M.C. Kooiman, beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, Codenummer G.10/NoorC.01,welk proces-verbaal onder meer inhoudt:

Verhoor

Datum: 21 juni 2001

De gehoorde heeft de volgende persoonlijke gegevens opgegeven:

Naam: (naam getuige 2)

Voornamen: (voornamen getuige 2)

(Tonen: de arbeidsovereenkomst tussen (naam verdachte) en (naam medeverdachte) (D/217), de werkgeversverklaring (D/218) en de loonstroken betreffende deze arbeidsverhouding (D/220).)

(Vraag verbalisanten: Bent u bekend met de zojuist aan u getoonde stukken?)

Antwoord gehoorde: Nee, die ken ik niet. Wij voeren de loonadministratie van (naam medeverdachte). De aan mij getoonde loonstroken komen niet bij ons vandaan.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit:

2.1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2002, voor zover inhoudende:

Ik heb de aangifte omzetbelasting Trend 1996/1995 ingevuld, ondertekend en ingediend. De BTW over de Mercedes was daar niet in verwerkt. De BTW is verschuldigd op het moment van factureren. Met deze wetenschap zeg ik dat de BTW in de aangifte had moeten staan. De aangifte is onjuist. Ik heb het maar geschat, want ik had geen stukken. Dat is de reden waarom de onjuiste aangifte is gedaan.

De BTW ad f. 43.750,-- is opgenomen in de suppletie-aangifte. Dit had in de aangifte over 1995 moeten staan.

2.2. Het dossier van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst FIOD, vestiging Roosendaal, dossiernummer PL/OI2618-11.99065, bevattende ambtsedige processen-verbaal, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt en op 27 juni 2001 ondertekend door S. van der Linden-van der Woude, M.C. Kooiman en H.E.J. van Tuijn, allen ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar (eerstgenoemde tot 1 mei 2001), welk dossier onder meer inhoudt:

2.2.1. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig overzichtsprocesverbaal (4-1e/OPV), op ambtseed opgemaakt door H.E.J. van Tuijn en M.C. Kooiman voornoemd en ondertekend op 28 juni 2001, welk proces-verbaal onder meer inhoudt – zakelijk weergeven – :

In concreto:

Tijdens de op 21 november 2000 uitgevoerde doorzoekingen bij verdachte 1 zijn diverse administratieve bescheiden inbeslaggenomen.

Door verdachte 1 (naam verdachte) is op 27 september 1995 een Mercedes Benz 250C Diesel met kenteken HS-NJ-21 verkocht aan Mercedes Benz Leasing Nederland B.V. voor een bedrag van f. 75.000,-- inclusief omzetbelasting ad f. 8.307,--

Op 9 juni 1997 is de aangifte omzetbelasting 1996/1995 ten name van (naam verdachte) h/o (naam rechtspersoon 1) bij de Belastingdienst te Rotterdam binnengekomen. In deze aangifte is het bedrag aan verschuldigde omzetbelasting wegens verkoop van de Mercedes Benz niet opgenomen.

2.2.3. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig overzichtsprocesverbaal (4-2e/OPV), op ambtseed opgemaakt door H.E.J. van Tuijn en M.C. Kooiman voornoemd en ondertekend op 28 juni 2001, welk proces-verbaal onder meer inhoudt – zakelijk weergeven – :

Verdachte 1:

Naam: (naam verdachte)

Voornamen: (voornaam verdachte)

II.3. Bevindingen uit strafrechtelijk onderzoek

Verdachte 1 heeft een factuur gedateerd 6 november 1995 ten name van (naam rechtspersoon 1) gericht aan (naam rechtspersoon 2) ad f. 250.000,-- exclusief omzetbelasting wegens werkzaamheden aan diverse projecten, op grond waarvan f. 43.750,-- omzetbelasting verschuldigd is geworden, niet opgenomen in de aangifte omzetbelasting 1996/1995 ten name van (naam verdachte) h/o (naam rechtspersoon 1).

2.2. 4. Als bijlage D/007:

Een aangifte omzetbelasting, d.d. 31 maart 1997 ondertekend door (naam verdachte), op naam van (naam verdachte) H/O (naam rechtspersoon 1), betreffende aangiftetijdvak 1996/1995, welke aangifte blijkens een stempel is ingekomen bij de belastingdienst, ondernemingen Rotterdam-2 te Rotterdam, op 9 juni 1997 en waarin is opgenomen:

1. Door mij verrichte

leveringen/diensten Omzetbelasting

1a Belast met 17,5% _

2.2.5. Als bijlage D/273:

Een schriftelijke verklaring van mr. H.L. Raspe, ambtenaar van de Belastingdienst, hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen te Goes, op ambtseed opgemaakt en ondertekend op 25 juni 2001, onder meer inhoudende:

Nadeelberekening:

De ondergetekende, mr. H.L. Raspe, ambtenaar van de Belastingdienst, hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen te Goes, verklaart op de eed bij de aanvang zijner bediening afgelegd dat het belastingnadeel dat door de Staat der Nederlanden is geleden ten gevolge van het vermoedelijk buiten de aangifte omzetbelasting 1996/1995 houden van

- een bedrag van f. 75.000,-- wegens de bij verkoop van een auto gerealiseerde opbrengst, en

- een bedrag van f. 250.000,-- wegens werkzaamheden aan diverse projecten

door

(naam verdachte) h/o (naam rechtspersoon 1)

is becijferd op f. 52.057,--

Dit bedrag is als volgt samengesteld:

- een bedrag ad f. 8.307,-- dat is verschuldigd wegens de verkoop van een auto, en

- een bedrag ad f. 43.750,-- dat is verschuldigd wegens de gefactureerde werkzaamheden aan diverse projecten.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit:

3.1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2002, voor zover inhoudende:

De aangifte omzetbelasting ingekomen in mei 1998 over de maand februari 1998 van (naam rechtspersoon 2) is door mij ingevuld en ondertekend en ingediend. Ik zou niet weten waarom ik de factuur heb geantedateerd. U houdt mij voor dat het bedrag van f. 13.125,-- in de suppletie-aangifte is opgenomen. Dat klopt.

3.2. Het dossier van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst FIOD, vestiging Roosendaal, dossiernummer PL/OI2618-11.99065, bevattende ambtsedige processen-verbaal, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt en op 27 juni 2001 ondertekend door S. van der Linden-van der Woude, M.C. Kooiman en H.E.J. van Tuijn, allen ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar (eerstgenoemde tot 1 mei 2001), welk dossier onder meer inhoudt:

3.2.1. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig overzichtsprocesverbaal (5/OPV), op ambtseed opgemaakt door H.E.J. van Tuijn en M.C. Kooiman voornoemd en ondertekend op 28 juni 2001, welk proces-verbaal onder meer inhoudt – zakelijk weergeven – :

Verdachte 1:

Naam: (naam verdachte)

Voornamen: (voornaam verdachte)

Verdachte 4:

Naam: (naam rechtspersoon 2)

In concreto

Verdachte 1 heeft namens verdachte 4 een factuur gedateerd 6 februari 1998 ten name van (naam rechtspersoon 1) B.V. gericht aan Autobedrijf (naam bedrijf) B.V. ad f. 75.000,-- exclusief omzetbelasting volgens afspraak, op grond waarvan f. 13.125,-- omzetbelasting verschuldigd is geworden, niet opgenomen in de aangifte omzetbelasting over februari 1998 ten name van verdachte 4.

Door verdachte 4 (naam rechtspersoon 2) is vermoedelijk een opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting ten name van verdachte 4 over de maand februari 1998 gedaan.

3.2.2. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van een verdachte, op ambtseed opgemaakt en op 22 juni 2001 ondertekend door H.E.J. van Tuijn en M.C. Kooiman voornoemd, Codenummer V.1/achh15, welk proces-verbaal onder meer inhoudt:

Verhoor

Datum: 22 juni 2001

De gehoorde heeft de volgende persoonlijke gegevens opgegeven:

Naam: (naam verdachte),

Voornamen: (voornaam verdachte)

De mij zojuist getoonde factuur (D/128) is opgemaakt ik dacht begin 1999 en teruggedateerd op begin 1998.

3.2.3. Als bijlage D/128:

Een faktuur nr. 98/02/01 van (naam rechtspersoon 1) B.V. aan Autobedrijf (naam bedrijf) B.V. d.d. 6 februari 1998, onder meer inhoudende:

Volgens afspraak belasten wij u hierbij voor een bedrag van:

Hfl. 75.000,--

BTW 17,5% - 13.125,--

Totaal Hfl. 88.125,--

3.2.4. Als bijlage D/148:

Een aangifte omzetbelasting, d.d. 7 mei 1998 ondertekend door (naam verdachte), op naam van (naam rechtspersoon 2), betreffende aangiftetijdvak februari 1998, welke aangifte blijkens een stempel is ingekomen bij de belastingdienst, ondernemingen Goes te Goes, op 11 mei 1998 en waarin is vermeld:

5g Totaal te betalen/terug te vragen f. --

3.2.5. Als bijlage D/263:

Een schriftelijke verklaring van mr. H.L. Raspe, ambtenaar van de Belastingdienst, hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen te Goes, op ambtseed opgemaakt en ondertekend op 28 mei 2001, onder meer inhoudende:

Nadeelberekening:

De ondergetekende, mr. H.L. Raspe, ambtenaar van de Belastingdienst, hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen te Goes, verklaart op de eed bij de aanvang zijner bediening afgelegd dat het belastingnadeel dat door de Staat der Nederlanden is geleden ten gevolge van het vermoedelijk buiten de aangifte omzetbelasting februari 1998 houden van

- een bedrag van f. 75.000,-- wegens een aan Autobedrijf (naam autobedrijf) B.V. toegezonden factuur door (naam rechtspersoon 2) is becijferd op f. 13.125,--

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde feit:

4.1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juli 2002, voor zover inhoudende:

De aangifte over het jaar 1997 heb ik ingevuld, ondertekend en ingediend. Met betrekking tot de creditfacturen zeg ik dat die hadden moeten worden opgenomen in de aangifte omzetbelasting over 1997. Het bedrag is niet aangegeven als te betalen B.T.W.

4.2. Het dossier van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst FIOD, vestiging Roosendaal, dossiernummer PL/OI2618-11.99065, bevattende ambtsedige processen-verbaal, op ambtsbelofte respectievelijk ambtseed opgemaakt en op 27 juni 2001 ondertekend door S. van der Linden-van der Woude, M.C. Kooiman en H.E.J. van Tuijn, allen ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar (eerstgenoemde tot 1 mei 2001), welk dossier onder meer inhoudt:

4.2.1. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig overzichtsprocesverbaal (7-1e/OPV), op ambtseed opgemaakt door H.E.J. van Tuijn en M.C. Kooiman voornoemd en ondertekend op 28 juni 2001, welk proces-verbaal onder meer inhoudt – zakelijk weergeven – :

Verdachte 1:

Naam: (naam verdachte)

Voornamen: (voornaam verdachte)

In concreto

Op 28 juni 1999 is de aangifte omzetbelasting 1997 ten name van verdachte 1 bij de Belastingdienst te Goes binnengekomen. In deze aangifte is te vorderen omzetbelasting opgenomen welke is vermeld op de door Mr. (naam medeverdachte) in 1995 en 1996 verzonden facturen. Deze omzetbelasting was al eerder teruggevraagd en teruggekregen middels de aangifte omzetbelasting 1995/1996 ten name van verdachte 1.

4.2.2. Als ongenummerde bijlage:

Een ambtsedig overzichtsprocesverbaal (7-2e/OPV), op ambtseed opgemaakt door H.E.J. van Tuijn en M.C. Kooiman voornoemd en ondertekend op 28 juni 2001, welk proces-verbaal onder meer inhoudt – zakelijk weergeven – :

Als document D/069 is gevoegd een doorslag van een creditnota afkomstig uit de administratie 1997 van mr. (naam medeverdachte). De creditnota is gedateerd op 25 juni 1997, genummerd 97.359, groot f. 58.750,-- inclusief BTW ad f. 8.750,-- en gericht aan (naam rechtspersoon 1) t.a.v. de heer (naam verdachte).

Als document D/074 is gevoegd een doorslag van een creditnota afkomstig uit de administratie 1997 van mr. (naam medeverdachte). De creditnota is gedateerd op 25 juni 1997, genummerd 97.362, groot f. 200.925,-- inclusief BTW ad f. 29.925,-- en gericht aan (naam rechtspersoon 1) t.a.v. de heer (naam verdachte).

Op grond van de creditnota’s (D/069 en D/074) had in het aangiftebiljet voor de omzetbelasting over het jaar 1997 ten name van (naam verdachte) h/o (naam rechtspersoon 1) of volgende jaren het bedrag van f. 38.675,-- als verschuldigde en af te dragen BTW moeten worden aangegeven. Uit het administratief onderzoek bij (naam verdachte) is gebleken dat zulks niet is geschied.

4.2.3. Als bijlage D/265:

Een schriftelijke verklaring van mr. H.L. Raspe, ambtenaar van de Belastingdienst, hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen te Goes, op ambtseed opgemaakt en ondertekend op 28 mei 2001, onder meer inhoudende:

Nadeelberekening:

De ondergetekende, mr. H.L. Raspe, ambtenaar van de Belastingdienst, hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen te Goes, verklaart op de eed bij de aanvang zijner bediening afgelegd dat het belastingnadeel dat door de Staat der Nederlanden is geleden ten gevolge van het vermoedelijk ten onrechte in de aangifte omzetbelasting 1997 opnemen van

- de reeds in 1995 en 1996 door Mr. (naam medeverdachte) toegezonden facturen, welker voorbelasting reeds in de aangifte omzetbelasting 1995/1996 was teruggevorderd

en het buiten de aangifte omzetbelasting 1997 houden van

- een tweetal creditfacturen afkomstig van Mr. (naam medeverdachte), waardoor reeds in de aangifte omzetbelasting 1995/1996 teruggevorderde voorbelasting weer verschuldigd werd

door

(naam verdachte) h/o (naam rechtspersoon 1)

is becijferd op f. 77.047,91,--

4.2.4. Als bijlage D/024:

Een aangifte omzetbelasting, d.d. 15 april 1998 ondertekend door (naam verdachte), op naam van (naam verdachte) h/o (naam rechtspersoon 1), betreffende aangiftetijdvak 1997, welke aangifte blijkens een stempel is ingekomen bij de belastingdienst, ondernemingen Goes te Goes, op 28 juni 1998.

De bewijsmiddelen zijn slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. De geschriften (vermeld onder 1.2.2. tot en met 1.2.4., 2.2.4., 3.2.3., 3.2.4. en 4.2.4.) zijn alleen gebruikt in verband met de inhoud van de overige gebezigde bewijsmiddelen.

Bewijsoverweging

De verdachte heeft ter terechtzitting het verweer gevoerd dat hij dient te worden vrijgesproken van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, aangezien hij bij die feiten niet met het vereiste opzet heeft gehandeld.

Uit de verklaring van verdachte ter zitting blijkt dat hij de bedragen vermeld in de betreffende aangiften omzetbelasting heeft geschat omdat hij op het moment van het invullen van de aangiften, niet beschikte over zijn boekhouding. Deze boekhouding was door de belastingdienst in beslag genomen. Voorts heeft hij verklaard dat hij veel meer tegoed heeft van de belastingdienst dan hij nog verschuldigd is wegens onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting, reden waarom onjuistheden en/of onvolledigheden in die aangiften er slechts toe doen voorzover het gaat om de hoogte van het door hem van de fiscus nog te ontvangen bedrag.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Verdachte heeft zijn aangiften omzetbelasting klaarblijkelijk niet gebaseerd op zijn boekhouding en hij heeft bij het indienen van die aangiften nagelaten een voorbehoud te maken terzake van de juistheid en/of de volledigheid van diezelfde aangiften. Het mogelijke gevolg van dit handelen c.q. nalaten te handelen, te weten het daadwerkelijk onjuist en/of onvolledig aangifte doen, werd daarbij door verdachte op de koop toegenomen, zo blijkt uit de omstandigheid dat verdachte kennelijk van mening is dat hij gerechtigd was om een schatting te doen en daardoor mogelijkerwijs een te laag bedrag op te geven aan de belastingdienst omdat hij nog bedragen tegoed zou hebben van de belastingdienst. De verplichting om een juiste opgave te doen geldt echter onverkort, ook al heeft de belastingplichtige mogelijk nog wat tegoed van de belastingdienst. Door zijn schatting onder de hiervoor door hemzelf gestelde omstandigheid heeft verdachte willens en wetens aanvaard dat hij een onjuiste en/of onvolledige aangifte omzetbelasting zou doen. Dusdoende was het opzet van verdachte klaarblijkelijk op dat gevolg gericht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. primair: Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

2: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven.

3: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

4: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden, waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft, samen met een mededader, meermalen valsheid in geschrift gepleegd door in strijd met de waarheid een arbeidsovereenkomst, een werkgeversverklaring en loonstroken op te maken dan wel op te doen maken. Dit geheel van stukken heeft verdachte gebruikt als ware het echt en onvervalst, (onder meer) om onder hypothecair verband een lening van

f. 790.000,-- te kunnen verkrijgen. Deze lening is aan verdachte ook daadwerkelijk verstrekt. Verdachte heeft hierdoor het vertrouwen ondergraven dat in schriftelijke bewijsstukken gesteld moet kunnen worden. De betrokken financieringsmaatschappij had hierdoor voor een aanzienlijk bedrag kunnen worden benadeeld.

Daarnaast heeft verdachte meermalen onjuiste en/of onvolledige aangiften omzetbelasting gedaan, als gevolg waarvan de belastingdienst te weinig belasting heeft geheven/kunnen heffen. Verdachte heeft hierdoor de belastingdienst (deels: aanvankelijk, omdat later is gecorrigeerd) benadeeld voor een substantieel bedrag (meer dan f. 140.000,--). In het nadeel van verdachte weegt bij de op te leggen sanctie mee dat verdachte kennelijk de laakbaarheid van zijn gedrag niet inziet. Volgens verdachte zien de bewezenverklaarde feiten onder 2, 3 en 4 slechts op kleine bedragen, terwijl de belastingdienst daartegenover veel meer geld aan hem verschuldigd zou zijn. Het is echter niet aan verdachte om te bepalen welk bedrag hij verschuldigd is aan respectievelijk tegoed heeft van de fiscus.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 27 april 2002.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een substantiële gevangenisstraf, waarvan een deel voorwaardelijk, van na te melden duur passend en geboden. Er zijn geen omstandigheden gebleken die tot een lagere straf aanleiding geven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 225 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Zij bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Zij stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Zij bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mrs. A.M.P. Gaakeer en T. van de Poll, rechters,

in tegenwoordigheid van J.J.J. Schols als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2002.