Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2002:AE5927

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
16-05-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
Awb 02/220 en 02/221 VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Eiser exploiteert een garagebedrijf dat zich richt op het importeren en exporteren van auto’s van en naar het buitenland waarvoor hij zevendaagse kentekens bij de RDW dient aan te vragen.

In het bestreden besluit heeft verweerder besloten eisers bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekens tijdelijk in te trekken voor de duur van zes weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

VOORZIENINGENRECHTER BESTUURSRECHT

Reg.nr.: Awb 02/220 en 02/221 VV

Uitspraak, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet, inzake:

A, wonende te B, eiser,

tegen

de algemeen directeur van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW), verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 25 januari 2002 heeft verweerder besloten om eisers bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekenbewijzen als bedoeld in de Regeling afgifte zevendaagse kentekenbewijzen tijdelijk in te trekken voor een periode van zes weken. In dit besluit heeft verweerder bepaald dat dit besluit binnen vijf werkdagen na dagtekening van het besluit in werking treedt, tenzij binnen deze termijn een bezwaarschrift is ingediend. In dat geval wordt het besluit geschorst voor de duur van de bezwaarprocedure.

Eiser heeft hiertegen op 29 januari 2002, ingekomen bij verweerder op 31 januari 2002, een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 16 april 2002 heeft verweerder besloten de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft hij zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 15 mei 2002 behandeld ter zitting. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. H. Pasman.

2. Overwegingen.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien het verzoek wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het geschil.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beoordeling van de zaak geen nader onderzoek meer vergt, terwijl ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die zich tegen toepassing van artikel 8:86 Awb zouden verzetten.

Er is derhalve aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Eiser exploiteert een garagebedrijf dat zich richt op het importeren en exporteren van auto’s van en naar het buitenland waarvoor hij zevendaagse kentekens bij de RDW dient aan te vragen.

In het bestreden besluit heeft verweerder besloten eisers bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekens tijdelijk in te trekken voor de duur van zes weken.

Eiser heeft gesteld dat hij door dit besluit zonder inkomsten komt te zitten en hij verzoekt daarom het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 50, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet stelt de minister voorschriften vast ter uitvoering van de regels over het aanvragen van een kentekenbewijs. Omtrent de voorschriften die gelden voor het aanvragen van een zogeheten zevendaags kentekenbewijs ten behoeve van het binnen of buiten Nederland brengen van een voertuig heeft de minister van Verkeer en Waterstaat de Regeling afgifte zevendaagse kentekenbewijzen (Stcrt. 64, RV 215133) (verder: de Regeling) vastgesteld.

In artikel 3, tweede lid, van de Regeling is bepaald dat het erkende bedrijf een voertuig waarvoor een zevendaags kentekenbewijs is aangevraagd voor een periode van ten hoogste 36 uur na ontvangst van die aanvraag door de Dienst Wegverkeer op de in overleg met het erkende bedrijf door de Dienst Wegverkeer vastgestelde plaats beschikbaar dient te houden.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Regeling is hetgeen in de artikelen 62 tot en met 65 van de Wegenverkeerswet en in artikel 11 van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad is bepaald over het toezicht en het treffen van sancties van overeenkomstige toepassing.

Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de regels waaraan erkende bedrijven die een zevendaags kentekenbewijs aanvragen zich dienen te houden voert de RDW een beleid dat is neergelegd in het Toezichtbeleid op de afgifte van een zevendaags kentekenbewijs (verder: het toezichtbeleid).

In dit toezichtbeleid worden als overtredingen aangemerkt de situaties waarin het voertuig niet wordt aangetroffen op de opgegeven locatie, de gegevens op het aanvraagformulier niet overeenkomen met de gegevens van het aangetroffen voertuig of waarin verzuimd wordt om (tijdig) door te geven waar het voertuig zich bevindt. Het betreft hier niet een volledige weergave van alle mogelijke overtredingen doch een opsomming van in de praktijk voorkomende situaties.

Uit het toezichtbeleid blijkt verder dat bij overtredingen de sancties van voorwaardelijke intrekking van de bevoegdheid tot het aanvragen van een zevendaags kentekenbewijs, tijdelijke intrekking daarvan voor de duur van zes weken en een definitieve intrekking van voormelde bevoegdheid kunnen worden opgelegd. Aan het opleggen van een sanctie dienen twee waarschuwingen voor overtredingen vooraf te zijn gegaan.

Uit de stukken blijkt dat eiser op 30 november 2001 en op 3 december 2001 schriftelijk is gewaarschuwd nadat de steekproefcontroleur van de RDW had geconstateerd dat voertuigen waarvoor eiser een zevendaags kenteken had aangevraagd niet op de opgegeven locatie aanwezig waren en dat eiser daarmee niet voldaan had aan de Regeling. Op 19 december 2001 is door de steekproefcontroleur opnieuw vastgesteld dat eiser voertuigen waarvoor een zevendaags kentekenbewijs was aangevraagd niet op de opgegeven locatie aanwezig had en dat er tevens niemand op die locatie aanwezig was om de controleur behulpzaam te zijn bij de controle. Bij besluit van 19 december 2001 heeft verweerder naar aanleiding hiervan besloten tot voorwaardelijke intrekking van bovengenoemde bevoegdheid. Blijkens dit besluit geldt de voorwaardelijke intrekking voor een periode van drie maanden. Indien binnen deze termijn opnieuw een overtreding volgt zal verweerder blijkens het besluit overgaan tot tijdelijke of definitieve intrekking van de bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekenbewijzen. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 25 januari 2002 heeft de steekproefcontroleur van de RDW bij een controle bij eisers bedrijf van voertuigen waarvoor een zevendaags kenteken was aangevraagd vastgesteld dat niemand op de opgegeven locatie aanwezig was om controle mogelijk te maken en waarbij deze controleur tevens heeft waargenomen dat geen van de te controleren voertuigen aanwezig was.

Het resultaat van deze controle, gevoegd bij de eerdere waarschuwingen voor soortgelijke overtredingen en de voorwaardelijke intrekking van eisers bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekens, heeft verweerder tot het bestreden besluit gebracht.

Eiser heeft de op 25 januari 2002 door de steekproefcontroleur geconstateerde feiten niet bestreden. Hiermee staat vast dat eiser het gestelde in artikel 3, tweede lid, van de Regeling heeft overtreden en dat verweerder gelet op het door hem gevolgde beleid, waarin de geconstateerde feiten als overtredingen worden aangemerkt, in beginsel bevoegd was een sanctie op te leggen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in het toezichtbeleid van verweerder voorziene sancties als van punitieve aard dienen te worden beschouwd omdat daarbij het bevorderen van de naleving van de voorschriften door middel van de toevoeging van extra leed, ter afschrikking, voorop staat. Hiervan uitgaande is de voorzieningenrechter tevens van oordeel dat bij het opleggen van zodanige sanctie rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke en zakelijke omstandigheden van de betrokkene.

De voorzieningenrechter merkt op dat het toezichtbeleid, afgezien van het waarschuwen en de voorwaardelijke intrekking van de bevoegdheid tot het aanvragen van zevendaagse kentekenbewijzen, slechts de keuze laat tussen de sanctie van tijdelijke intrekking van die bevoegdheid voor de duur van zes weken en de sanctie van het definitief intrekken daarvan.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit sanctiebeleid te grofmazig in een situatie als die van eiser die gesteld heeft dat de hem opgelegde sanctie het einde kan betekenen van zijn bedrijf omdat hij gedurende zes weken zijn klanten niet zal kunnen bedienen met als mogelijk gevolg dat hij deze zal verliezen en waar nog bij komt dat, zoals eiser heeft verklaard, hij naast de im- en export van auto’s geen andere handelsactiviteiten heeft. Verweerder heeft ter zitting weliswaar gesteld dat in zijn beleid de economische gevolgen van het opleggen van een sanctie zijn verdisconteerd maar daaruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat het beleid zodanig is verfijnd dat zakelijke omstandigheden zoals die door eiser zijn geschetst bij de sanctieoplegging worden betrokken in die zin dat deze grond zouden kunnen zijn voor het opleggen van een minder zware sanctie.

De voorzieningenrechter komt gelet hierop tot het oordeel dat het beleid van verweerder de redelijkheidstoets niet kan doorstaan en in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep is gegrond.

Het verzoek om voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

3. Uitspraak.

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

bepaalt dat de Dienst Wegverkeer aan eiser het door hem betaalde griffierecht in de zaken 02/220 en 02/221 in totaal ten bedrage van € 218 (tweehonderdachttien euro) vergoedt;

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2002 door mr. T. Damsteegt als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan, voorzover er op het beroep is beslist, een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.