Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2002:AE3258

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
15-05-2002
Datum publicatie
28-05-2002
Zaaknummer
648/2002
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Verdeling na verbroken samenwoning. Mogelijke natuurlijke verbintenis die is omgezet in een rechtens afdwingbare

Rep.nummer: 02/648

Uitspraak : 15 mei 2002

Rechtbank Middelburg

Sector kanton - zitting te Terneuzen

V O N N I S

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk;

het verloop van de procedure

De volgende proceshandelingen zijn verricht:

- gemeenschappelijk verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 16 april 2002,

- mondelinge behandeling op 1 mei 2002.

de beoordeling van de zaak

1. Tussen partijen staat het volgende vast:

a) Partijen hebben een aantal jaren samengewoond. Die samenwoning is op 1 november 2001 beëindigd.

b) Op 9 juni 1997 hebben partijen een notarieel verleden samenlevingscontract getekend. Dat contract bevat onder meer de volgende bepalingen:

- in art. 3.2.: dat partijen verplicht zijn naar evenredigheid van hun inkomen bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;

- in art. 3.3.: dat die bijdragen worden gestort op een gemeenschappelijke rekening of in een gemeenschappelijke kas.

- in art. 4.3: dat rente die partijen betalen op een geldlening afgesloten ter financiering van de door hen gezamenlijk bewoonde woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding gerekend worden tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;

- in art. 6.4: dat de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel heeft betaald van de koopsom en kosten van een gezamenlijk te bewonen woning voor het meerdere een vordering heeft op de andere partij, dat deze vordering opeisbaar is bij vervreemding van de woning en bij ontbinding van de samenlevingsovereenkomst en dat deze vordering geen rente zal dragen.

c) In juni 1997 hebben partijen, ieder voor de onverdeelde helft, de woning aan de [adres + woonplaats] gekocht. De leveringsakte is eveneens op 9 juni 1997 verleden. De kosten daarvan (bestaande uit koopprijs, overdrachtsbelasting, notaris-, taxatie- inrichtingskosten) hebben partijen voor 80% gefinancierd met een hypothecaire geldlening (met een rente van 7,1%) en voor het overige met

f 50.000,- eigen middelen van [eiseres] en met f 50.000,- van [gedaagde] welk bedrag hij van [eiseres] heeft geleend.

d) Die geldlening is vastgelegd in een door partijen op 9 juni 1997 getekende, door de notaris opgestelde, overeenkomst van geldlening. Daarin zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

- in art. 2a: dat [gedaagde] een rente is verschuldigd gelijk aan de rente van de hypothecaire geldlening voor de woning;

- in art. 2b: dat maandelijks, voor het eerst op 1 augustus 1997, een bedrag van

f 208,33 moet worden afgelost;

- in art. 3: dat de hoofdsom met rente en kosten onder meer opeisbaar is bij verkoop van het aandeel van [gedaagde] in de gemeenschappelijke woning;

- in art. 6: dat alle kosten die [eiseres] moet maken tot uitoefening van haar rechten en verdere kosten waartoe deze geldlening aanleiding mocht geven voor rekening van [gedaagde] zijn.

e) Ten behoeve van een deel van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding (kort gezegd: de woonlasten, bestaande uit de hypotheekrente en de kosten van nutsvoorzieningen en van verzekeringen van de woning) hebben partijen een gemeenschappelijke bankrekening geopend. Daarop heeft [eiseres] maandelijks € 317,65 gestort en [gedaagde] € 589,91.

f) Ten behoeve van de overige kosten van de gemeenschappelijke huishouding hebben partijen tijdens de samenwoning een kasboek bijgehouden. Aan het eind van iedere maand werd vastgesteld hoe de kosten werden verdeeld waarna partijen voor accoord tekenden. Eind oktober 2001 is het kasboek afgesloten; [gedaagde] diende per saldo nog f 1.287,50 aan [eiseres] te betalen, hij heeft dit bedrag betaald en partijen hebben vervolgens voor accoord getekend.

g) Tot 17 december 2000 werkte [eiseres] drie dagen per week als assistente in een huisartsenpraktijk. In verband met de geboorte van het tweede kind hebben partijen afgesproken dat [eiseres] tot 1 maart 2002 slechts twee dagen per week zou werken en dat [gedaagde] haar inkomensverlies van € 72,60 per week zou vergoeden waarvoor hij in plaats van vijf dagen per week zes dagen ging werken. In het door partijen bijgehouden kasboek is die door [gedaagde] te betalen vergoeding verwerkt en (tot en met oktober 2001) verrekend.

h) De gemeenschappelijke woning is verkocht en zal vermoedelijk op 15 mei 2002 geleverd worden. De netto-opbrengst (na aftrek van de hypothecaire geldlening en kosten) bedraagt ongeveer € 91.000,- waarvan iedere partij de helft toekomt.

2. Tussen partijen zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van hun beëindigde relatie. Zij hebben afgesproken deze geschillen op de voet van art. 96 Rv ter beslissing aan de kantonrechter voor te leggen.

3. Deze geschillen betreffen de vraag welk bedrag [gedaagde] uit hoofde van de overeenkomst van geldlening aan [eiseres] is verschuldigd en de vraag of [gedaagde], op grond van de met [eiseres] gemaakte afspraak dat hij haar inkomensverlies tijdens het ouderschapsverlof zou vergoeden, een bedrag van € 1.306,80 (gedurende de periode 1 november 2001 t/m 1 maart 2002, 18 dinsdagen x € 72,60 per dag) moet betalen.

4. [eiseres] heeft het volgende gesteld.

4.1. Partijen zijn door het aangaan van de overeenkomst van geldlening uitdrukkelijk afgeweken van art. 6.4. van het samenlevingscontract waarin is bepaald dat over een vordering als in dat artikellid bedoeld geen rente is verschuldigd. Indien zij die bedoeling niet hadden gehad dan hadden zij kunnen volstaan met het samenlevingscontract. [gedaagde] heeft tijdens de samenwoning geen aflossing en rente betaald zodat hij € 22.689,- (f 50.000,-) moet terugbetalen met 7,1% rente vanaf 9 juni 1997 tot de dag van volledige betaling.

4.2. De gemaakte afspraak over het compenseren van haar inkomensverlies tijdens het ouderschapsverlof is geen natuurlijke verbintenis maar een rechtens afdwingbare. Een eventuele natuurlijke verbintenis is omgezet in een rechtens afdwingbare door aanbod en aanvaarding.

5. [gedaagde] heeft het volgende gesteld waarbij wordt opgemerkt dat zijn voorwaardelijk verweer, namelijk voor het geval [eiseres] ook een vordering wegens te weinig bijgedragen kosten van de gemeenschappelijke huishouding zou instellen, buiten beschouwing kan blijven omdat Verschuren zich niet op het standpunt heeft gesteld dat terzake die kosten een verrekening dient plaats te vinden.

5.1. Partijen hebben niet willen afwijken van het bepaalde in art. 6.4. van het samenlevingscontract zodat hij geen rente is verschuldigd. Dat ook [eiseres] die mening was toegedaan blijkt daaruit dat zij tijdens de samenwoning niet met een beroep op art. 2a van de overeenkomst van geldlening aanspraak heeft gemaakt op maandelijkse vergoeding van rente.

5.2. In zijn bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding was begrepen de aflossing van f 208,33 per maand, hetgeen ook in overeenstemming is met art. 4.3. van het samenlevingscontract waarin is bepaald dat hypotheekrente moet worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Tot 1 november 2001 heeft 51 termijnen afgelost hetgeen neerkomt op € 4.821,34

(f 10.624,83) en dit bedrag moet verrekend worden.

5.3. De door partijen gemaakte afspraak ter compensatie van het inkomensverlies is een natuurlijke verbintenis waarvan nakoming niet kan worden gevorderd. Die verbintenis is ook niet omgezet in een rechtens afdwingbare en [eiseres] heeft de daarvoor vereiste bijzondere omstandigheden niet gesteld en bewezen.

5.4. Subsidiair, indien wel een rechtens afdwingbare verbintenis wordt aangenomen, heeft hij aangevoerd dat zijn verplichting vanaf 1 november 2001 is vervallen omdat partijen vanaf die datum geen gemeenschappelijke huishouding meer voeren en zijn bijdrage daarvoor was bestemd, meer subsidiair dat de vrouw weer drie dagen per week had kunnen werken en uiterst subsidiair dat hij vanaf 1 november 2001 geen extra inkomen meer kan genereren door het maken van overuren doordat zijn werkgever heeft laten weten dat overuren voortaan in tijd zullen worden gecompenseerd.

6. De kantonrechter overweegt als volgt:

6.1. Tussen partijen hebben twee gemeenschappen bestaan. De eerste gemeenschap is ontstaan doordat partijen met elkaar zijn gaan samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding zijn gaan voeren. De vermogensrechtelijke gevolgen daarvan hebben zij geregeld in het op 9 juni 1997 verleden samenlevingscontract. De andere gemeenschap betreft de gemeenschappelijke woning.

6.2. In art. 4.3. van het samenlevingscontract is niet bepaald dat de hypotheekrente tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden gerekend. Partijen hebben die hypotheekrente terecht wel als zodanig opgevat aangezien duidelijk is dat zij dat bedoeld hebben en van de gemeenschappelijke bankrekening betaald.

6.3. Indien een partij uit eigen middelen meer dan de helft van de koopsom van de woning zou hebben betaald, dan zou die partij voor het meerdere op grond van

art. 6.4. van het samenlevingscontract een niet-rentedragende vordering hebben op de andere partij. Die situatie deed zich echter niet voor. Zowel [eiseres] als [gedaagde] hebben niet meer betaald dan de helft van de koopsom. Ter financiering van zijn aandeel in de gemeenschappelijke woning heeft [gedaagde], naast het afsluiten van een hypothecaire geldlening, van [eiseres] f 50.000,- geleend. Zoals gezegd heeft [gedaagde] door betaling van dat bedrag geen vordering op [eiseres] verkregen als bedoeld in art. 6.4. van het samenlevingscontract.

6.4. Door het aangaan van de overeenkomst van geldlening hebben partijen dan ook niet willen afwijken van art. 6.4. van het samenlevingscontract, maar hebben zij beoogd vast te leggen welke verplichtingen voor [gedaagde] uit die overeenkomst voortvloeiden. Die verplichtingen bestonden onder meer uit het betalen van een rente van 7,1% en van aflossingen. Voor het geval [gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [eiseres] haar recht op rente heeft verwerkt doordat zij tijdens de samenwoning daarop geen aanspraak heeft gemaakt, gaat die stelling niet op aangezien enkel stilzitten onvoldoende is voor een succesvol beroep op rechtsverwerking. [gedaagde] is dan ook gehouden zijn verplichting tot betaling van rente na te komen.

6.5. [gedaagde] heeft gesteld dat hij de erkende verplichting tot betaling van aflossingen is nagekomen doordat de aflossingen waren begrepen in zijn bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. [gedaagde] heeft niet cijfermatig onderbouwd dat zijn bijdrage zodanig was dat daaruit volgt dat hij meer heeft betaald dan hij op grond van zijn inkomen diende te betalen. Bovendien heeft [eiseres] er terecht op gewezen dat een dergelijke gang van zaken zou inhouden dat zij dan een hogere bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zou hebben betaald dan zij op grond van art. 3.2. op basis van haar inkomen moest betalen. Hieruit volgt reeds dat deze stelling van [gedaagde] als ongeloofwaardig moet worden verworpen.

6.6. Wat betreft het compenseren van [eiseres] voor het inkomensverlies staat vast dat partijen daarover een afspraak hebben gemaakt. Indien betaling van een dergelijke vergoeding al zou kunnen worden aangemerkt als het nakomen van een natuurlijke verbintenis, dan hebben partijen door het maken van een afspraak op grond van art. 6:5 BW bij overeenkomst die verbintenis omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis. Die verbintenis moet [gedaagde] dan ook nakomen.

6.7. Niet aannemelijk is geworden dat is afgesproken dat [gedaagde] die verbintenis slechts tijdens de samenwoning diende na te komen en dat lijkt ook zeer onwaarschijnlijk aangezien als gevolg van het beëindigen van de samenwoning haar inkomen niet zou toenemen en de kosten van haar huishouding niet lager zouden worden dan haar bijdrage in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

6.8. Ook het argument dat [eiseres] vanaf 1 november 2001 weer drie dagen had kunnen werken gaat niet op. Indien het al mogelijk zou zijn geweest om de met haar werkgever gemaakte afspraken te herzien, hetgeen zij heeft ontkend, dan was daarmee het probleem van de kinderopvang niet opgelost en dat vormde nu juist de aanleiding om minder te gaan werken. [gedaagde] heeft niet gesteld dat hij bereid was om de kinderen voor een dag op te vangen of dat [eiseres] op een andere manier die opvang had kunnen regelen.

6.9. Tenslotte faalt ook het beroep op gewijzigde omstandigheden. Indien de werkgever van [gedaagde] vanaf 1 november 2001 niet meer toestaat dat door het maken van overuren extra inkomen kan worden verkregen dan is dat een omstandigheid die voor zijn rekening komt aangezien redelijkheid en billijkheid trouw aan het gegeven woord verlangen en afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering is toegelaten. Hetgeen [gedaagde] heeft gesteld is onvoldoende om zo'n uitzondering aan te nemen.

7. De slotsom is dat de verdeling zal worden vastgesteld op de door [eiseres] voorgestane wijze. Nu partijen met elkaar hebben samengewoond en de geschillen uit die samenwoning voortvloeien, zullen de kosten overeenkomstig art. 237 lid 1 Rv worden gecompenseerd.

de beslissing

De kantonrechter:

stelt de verdeling tussen partijen vast in die zin dat [gedaagde] van zijn aandeel in de opbrengst van de gemeenschappelijke woning aan [eiseres] zal betalen een bedrag van € 22.689,- met de overeengekomen rente van 7,1% daarover vanaf 9 juni 1997 tot de dag van betaling en een bedrag van € 1.306,80;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.R. Melens, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2002, in aanwezigheid van de griffier.