Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2002:AD8770

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
30-01-2002
Datum publicatie
01-02-2002
Zaaknummer
12/015322-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

meervoudige kamer voor strafzaken

Parketnummer:12/015322-00

Datum uitspraak: 30 januari 2002

Tegenspraak

------------------------------------------------

Datum inverzekeringstelling: 13 september 2000

Datum voorlopige hechtenis: 15 september 2000

Datum invrijheidstelling: 25 oktober 2000

------------------------------------------------

V O N N I S

van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:

(NAAM VERDACHTE),

geboren op (geboortedatum) te (geboorteplaats),

wonende te (woonplaats en adres),

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting

“De Boschpoort” te Breda,

ter terechtzitting verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat te Maastricht.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2002.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.S. Flikweert en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar.

Verzoek horen getuigen

Ter terechtzitting heeft de raadsman verzocht, met het oog op artikel 344 lid 3 aanhef en onder b Wetboek van strafvordering, als getuige te horen al die personen wier identiteit niet blijkt, maar wier verklaring wel is opgenomen in enig schriftelijk bescheid.

De rechtbank wijst dat verzoek af omdat de noodzaak van het horen van die personen ontbreekt aangezien de rechtbank de betreffende bescheiden niet als bewijsmiddel zal gebruiken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding.

De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 september 2000, in de gemeente Middelburg, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, President Wilsonlaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (naam slachtoffer), welk geweld bestond uit het (gericht) schieten met (een) pisto(o)l(en), in elk geval met (een) vuurwapen(s) op genoemde (naam slachtoffer), althans op die persoon, en welk geweld zwaar lichamelijk letsel ((zenuw)letsel aan een/de be(e)n(en) en/of een/de voet(en) van blijvende aard), althans enig lichamelijk letsel voor die (naam slachtoffer) ten gevolge heeft gehad;

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 13 september 2000, in de gemeente Middelburg, opzettelijk heeft deelgenomen aan een aanval of vechterij (tegen (een) perso(o)n(en) genaamd (naam slachtoffer) en/of (naam slachtoffer 2), althans (een) perso(o)n(en)), waarin onderscheiden personen, te weten, hij, verdachte, en/of (medeverdachte 1) en/of (medeverdachte 2) en/of (medeverdachte 3) en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en), waren gewikkeld, welke aanval of vechterij zwaar lichamelijk letsel ((zenuw)letsel aan een/de be(e)n(en) en/of een/de voet(en) van blijvende aard) voor die (naam slachtoffer) ten gevolge heeft heeft gehad.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman is van mening dat artikel 5 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fun(naam verdachte)tele vrijheden is geschonden. Door het onthouden van stukken anders dan via de daartoe in het Wetboek van Strafvordering aangewezen weg heeft de officier van justitie de rechtbank, de verdediging en het Gerechtshof voor verdachte bijzonder ontlastend materiaal onthouden bij het beoordelen van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming van verdachte. De officier van justitie heeft de rechters willens en wetens laten oordelen op grond van een onvolledig samengesteld dossier. De raadsman heeft daarbij in het bijzonder op het oog een proces-verbaal van een telefoontap van 25 september 2000, 22.17 uur. De beginselen van een behoorlijke procesorde zijn daarom doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte geschonden. Die schending is bovendien dermate ernstig dat het rechtssysteem in de kern wordt getroffen. Daarop past geen andere dan de allerzwaarste sanctie, te weten het ontzeggen van het recht tot vervolging aan het openbaar ministerie.

De rechtbank oordeelt als volgt over dit verweer.

De officier van justitie heeft niet weersproken dat hij destijds, ten tijde van de voorlopige hechtenis van verdachte aan het dossier niet heeft toegevoegd het proces-verbaal van het tapgesprek van 25 september 2000, 22.17 uur. De rechtbank neemt zulks op die grond als vaststaand feit aan. Op de eerste plaats is aan de orde de vraag of dat optreden van de officier van justitie dient te worden aangemerkt als een schending van beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Voorts dient te worden onderzocht of de handelwijze van de officier moet worden aangemerkt als een handelwijze die strijdig is met de kern van het wettelijk systeem.

Voorop staat dat het hiervoor bedoelde proces-verbaal thans wel in het dossier aanwezig is. Beoordeling van de zaak kan dus mede op basis van dat stuk plaats vinden. De verdachte is derhalve in zoverre niet in zijn belangen geschaad en aan zijn recht op een eerlijk proces wordt dus in zoverre niet tekort gedaan.

Daargelaten de vraag of desondanks het handelen van de officier van justitie moet worden aangemerkt als een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde geldt dat door die eventuele schending niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen aan diens recht op een eerlijk proces is tekort gedaan.

Kern van de stelling van verdachte is dat de rechter destijds is misleid. Uit niets blijkt echter dat de officier van justitie tot zijn besluit om het proces-verbaal in kwestie (vooralsnog) niet aan het dossier toe te voegen is gekomen met als (enig) doel misleiding van de rechter. Integendeel. Het proces-verbaal betreft een in een andere zaak dan de onderhavige afgeluisterd gesprek. Het in die andere zaak lopende onderzoek strekte ertoe andere verdachten bij het schietincident van 13 september 2000 op te sporen. De officier van justitie heeft in die andere zaak na het bekend worden van het tapgesprek van 25 september 2000 kennelijk weliswaar geoordeeld dat het tapgesprek ook van belang zou kunnen zijn voor deze zaak, maar besloten dat het onderzoeksbelang zich (vooralsnog) verzette tegen toevoeging van het proces-verbaal aan deze zaak. Dat is een legitieme overweging, die niet wijst op enig opzet om de rechter te misleiden. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet gesteld. Daarvan is evenmin gebleken.

Het is eigen aan het wettelijk systeem van verdeling van bevoegdheden dat de officier van justitie die in de ene zaak kennis krijgt van stukken die mogelijk voor de andere zaak van belang kunnen zijn dient te beslissen of hij die stukken in het dossier van die andere zaak voegt. In dit geval heeft de officier van justitie van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Naar het oordeel van verdachte is dat op onjuiste wijze gebeurd, maar dat laat onverlet dat de officier van justitie heeft gedaan wat hij moest en mocht doen: beoordelen of en wanneer het proces-verbaal aan het dossier in deze zaak kon worden toegevoegd.

Uit het voorgaande volgt dat het verweer niet slaagt.

Bewijsoverweging

Primair is tenlastegelegd een openlijke geweldpleging die plaats gevonden zou hebben op 13 september 2000. Voor die datum, namelijk per 12 mei 2000, is in werking getreden een wijziging van artikel 141 wetboek van strafrecht (Sr). Bij die wijziging is het bestanddeel "met verenigde krachten" vervangen door "in vereniging". Het tenlastegelegde feit dient derhalve beoordeeld te worden op basis van de gewijzigde wetstekst.

Blijkens de memorie van toelichting op gemelde wijziging (Kamerstukken II, 1998-1999, 25 619, nr. 3, p. 4) beoogt de aanpassing van artikel 141 Sr "te bewerkstelligen dat de verruiming van het medeplegen ook bij dit artikel doorwerkt. Hij die zich met anderen verenigt, waarbij het resultaat van die vereniging is dat openlijk geweld wordt gepleegd tegen personen of goederen, dient daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk te zijn. Wie welbewust meegaat naar een plaats waar vanuit een groep openlijk geweld zal worden gepleegd en zich daar als lid van die groep manifesteert is niet "onschuldig". Ook vocale, intellectuele en andere bijdragen aan dat verband dat het openlijk geweld pleegt, tellen mee".

Vastgesteld kan worden dat op 13 september 2000 openlijk geweld is gepleegd tegen (naam slachtoffer). Dat blijkt uit het feit dat die (naam slachtoffer) ernstig gewond is geraakt door kogels, dat getuigen hebben gezien dat een groep mannen het erf van (naam slachtoffer) betrad en dat getuigen hebben gezien dat daar geschoten is door mannen die tot gemelde groep behoorden.

Niet vastgesteld kan worden dat verdachte een van de schutters was. Evenmin kan (dus) het door (naam slachtoffer) opgelopen letsel op de voet van het in artikel 141 lid 2 onder 1° of 2° Sr aan verdachte worden toegerekend. Van die strafverzwarende omstandigheid dient verdachte daarom te worden vrijgesproken.

In het licht van de hiervoor weergegeven passage uit de memorie van toelichting kan de aan verdachte tenlastegelegde openlijke geweldpleging bewezen worden verklaard indien tussen hem en zijn mededaders sprake is geweest van een bewuste samenwerking bij en gezamenlijke uitvoering van de openlijke geweldpleging.

Uit het beschikbare bewijsmateriaal kan de volgende feitelijke toedracht worden afgeleid.

Op 13 september 2000 arriveren bij het kampje op de Breeweg te Middelburg twee auto's: een zwarte Mercedes en een Opel Omega. Een van de inzittenden vraagt naar (naam slachtoffer), het latere slachtoffer. De getuige (naam getuige 1) verklaart zich bereid de weg te wijzen en rijdt de beide auto's voor naar het adres van deze (naam slachtoffer). In een van die auto's is aanwezig (medeverdachte 4). Deze wordt tegen zijn wil in die auto meegenomen om het adres van (naam slachtoffer) aan te wijzen. Bij het erf van (naam slachtoffer) aangekomen stappen alle inzittenden van de Mercedes en de Opel uit en gaan het erf op. Dan wordt er geschoten. (naam slachtoffer) raakt gewond. Verdachte ook. Meteen daarna vluchten de inzittenden van Mercedes en Opel, waaronder verdachte. Verdachte wordt in verband met zijn verwondingen door de Mercedes afgezet bij het Gasthuis in Middelburg. De Mercedes is (feitelijk) mede van verdachte.

Uit deze feiten blijkt allereerst dat verdachte inzittende was van de Mercedes of de Opel. Hij is immers ter plaatse zwaar gewond geraakt en van een andere manier van ter plaatse komen dan middels een van beide auto's blijkt niet. De inzittenden van die beide auto's traden gezamenlijk op: ze arriveerden eerst gezamenlijk op een onjuist adres, reden vervolgens gezamenlijk naar het juiste en gingen daar allen het erf op. Na het schieten zijn zij ook allen gevlucht in die auto's, behoudens de al genoemde (medeverdachte 4). Dat de samenwerking gericht was op de openlijke geweldpleging blijkt allereerst uit het feit van die geweldpleging zelf: er zijn meerdere schoten afgevuurd en (naam slachtoffer) is door meerdere kogels getroffen. Het blijkt ook uit het feit dat (medeverdachte 4) tegen zijn wil werd meegenomen in een van de auto's en uit het feit dat men, gezamenlijk en, aanvankelijk, onder medeneming van de zwaar gewonde verdachte, vluchtte. Dat laatste is kennelijk gebeurd in een poging om de waarheidsvinding naar de toedracht van de schietpartij te frustreren. Verdachtes aandeel in het gezamenlijk optreden is daarnaast geweest dat hij zijn Mercedes ter beschikking heeft gesteld om ter plaatse te komen en vandaar te vluchten.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij "niet met kwade bedoelingen" naar (naam slachtoffer) is gegaan. Aldus heeft verdachte kennelijk bedoelen te stellen dat hij geen opzet had op de openlijke geweldpleging. Dat verweer oordeelt de rechtbank ongeloofwaardig. De hiervoor genoemde feiten weerleggen de lezing van verdachte. Bovendien echter heeft verdachte het bij de enkele stelling omtrent de niet aanwezige kwade bedoelingen gelaten. Desgevraagd heeft hij niet meegedeeld waarom hij op die 13e september 2000 naar Zeeland kwam, waarom hij met meerdere andere personen naar (naam slachtoffer) ging, wie die andere personen waren en wat hij met (naam slachtoffer) wilde bespreken. Verdachte heeft aldus geen enkel inzicht geboden in zijn motieven. Indien deze zuiver waren zou openheid daarover voor de hand hebben gelegen. Uit de zwijgzaamheid van verdachte leidt de rechtbank af dat die motieven kennelijk niet zuiver waren (en zijn verweer dus leugenachtig), hetgeen volledig correspondeert met het feit van de openlijke geweldpleging. Daarbij tekent de rechtbank nog aan dat uit niets gebleken is dat verdachte (als gevolg van zijn eigen verwondingen of anderszins) lijdt aan geheugenverlies. Verdachte antwoordt op de hem gestelde vragen wel overwegend "ik weet het niet (meer)", maar die mededeling plaatst de rechtbank eveneens in de categorie kennelijk leugenachtige verklaringen nu van een verontschuldigbare oorzaak voor het niet weten niet is gebleken.

De slotsom is dat het primair tenlastegelegde, behoudens de strafverzwarende omstandigheid van artikel 141 lid 2 Sr bewezen wordt geacht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 13 september 2000, in de gemeente Middelburg, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, President Wilsonlaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (naam slachtoffer), welk geweld bestond uit het (gericht) schieten met (een) pisto(o)l(en), in elk geval met (een) vuurwapen(s) op genoemde (naam slachtoffer), althans op die persoon,

en welk geweld zwaar lichamelijk letsel ((zenuw)letsel aan een/de be(e)n(en) en/of een/de voet(en) van blijvende aard), althans enig lichamelijk letsel voor die (naam slachtoffer) ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring:

1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting voor zover inhoudende - zakelijk

weergegeven -:

Ik kwam op 13 september 2000 ergens in Middelburg binnen. Ik ging daar vrijwillig binnen. Een mij onbekend iemand pakte een pistool. Ik wilde dat afpakken. U houdt mij diverse verklaringen voor. Ik zeg daarop dat ik niet méér weet van die dag dan ik al verklaarde. Ik weet verder dat ik door kogels van verschillend kaliber ben geraakt.

Over de zwarte Mercedes-Benz met het kenteken (kenteken Mercedes) zeg ik dat het niet mijn auto was. De auto was geleased door een bedrijf genaamd (naam bedrijf). Ik ben aandeelhouder van (naam bedrijf) en ik had de beschikking over die Mercedes-Benz; ik mocht daarin rijden, ook op 13 september 2000. Ik weet uit het dossier dat ik op 13 september 2000 als passagier van die Mercedes-Benz naar het ziekenhuis ben gereden.

2. Het dossier van de Politie Zeeland, Regionale Eenheid, afdeling RRT/ZGC, team Echo, d.d. 14 december 2000, ambtsedig opgemaakt door en ondertekend door Willem Christiaan van den Hoff, brigadier van de politie Zeeland, justitiële eenheid Walcheren, Hinke Pikstra, hoofdagent van de Politie Zeeland, afdeling RRT/ZGC en andere daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit dossier bevat onder meer de volgende processen-verbaal en bijlagen:

2.1 Als bijlage p. 1269 en volgende:

Een proces-verbaal van verhoor van de Politie Zeeland, district Walcheren, team Echo, ambtsedig opgemaakt en op 13 september 2000 ondertekend door Adrianus Jacobus van der Horst, hoofdagent van de Politie Zeeland, deel uitmakend van team Echo, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als de op 13 september 2000 tegenover die verbalisant afgelegde verklaring van getuige (naam getuige 1):

Woensdag 13 september 2000 was ik op het woonwagenkampje aan de Breeweg te Middelburg. Er stopte een grote zwarte Mercedes voor ons kampje. Ik zag dat de Mercedes was voorzien van Belgische kentekenplaten. Ik hoorde dat de bestuurder vroeg waar het kampje van (naam slachtoffer) was. (naam slachtoffer) is een oom van mij. Hij woont op het kampje in de Griffioen.

Ik ben met mijn auto naar oom (naam slachtoffer) gereden. Ik zag bij het wegrijden dat er in de Mercedes meerdere mensen zaten. Op het moment dat die Mercedes stopte had ik al gezien dat er meerdere auto's stopten. De Mercedes en de andere auto volgden mij. Ik ben de straat uitgereden en ben gekeerd. Ter hoogte van het kampje van oom (naam slachtoffer) zag ik dat de inzittenden van de Mercedes en de andere auto waren uitgestapt. Ik zag dat die mensen bij elkaar stonden. Ik denk dat het een groep van zeker zeven personen betrof. Deze groep stond voor het toegangshek van het kampje. Ik zag dat de bestuurder van de zwarte Mercedes het toegangshek opende. Vervolgens liep hij het terrein op, gevolgd door de andere mannen.

2.2 Als bijlage p. 1261 en volgende:

Een proces-verbaal van verhoor van de Politie Zeeland, district Walcheren, team Echo, ambtsedig opgemaakt en op 13 september 2000 ondertekend door Adrianus Jacobus van der Horst en Marco Simen Paauwe, beiden hoofdagent van de Politie Zeeland, deel uitmakend van team Echo, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als de op 13 september 2000 tegenover die verbalisanten afgelegde verklaring van getuige (naam getuige 2):

Ik ben gescheiden van (naam slachtoffer). Wij wonen af en toe samen op het adres President Wilsonlaan 204 in Middelburg. Op 13 september 2000 was ik thuis. (naam slachtoffer) las de krant in de keuken.

Ik zag een nieuwe zwarte Mercedes de straat inrijden. Die stopte iets voorbij het toegangshek. Achter de Mercedes reed een andere personenauto. Deze parkeerde aan de rechterzijde van de straat. Twee mannen uit de Mercedes openden het toegangshek en liepen naar de voordeur van onze woonwagen. Nadat de twee mannen mij gepasseerd waren liepen er nog drie achteraan. Een van die mannen kwam uit de Mercedes en de andere twee uit die andere auto. De mannen liepen de caravan in. De vijf mannen liepen de keuken in en bleven daar staan. Ik liep naar de woonkamer. Ik hoorde geschreeuw uit de keuken komen. Direct daarna hoorde ik een aantal knallen, ik denk zes of zeven, harde knallen.

Ik liep direct richting keuken. Ik zag dat (naam slachtoffer) bij het raam op de grond lag. Ik zag dat alle vijf de mannen over hem heen gebukt stonden of bovenop hem zaten. Ik zag op dat moment dat meerdere mannen met een vuurwapen in hun handen stonden. Een van de mannen richtte op (naam slachtoffer) hoofd en schoot. Tevens zag ik dat een andere man uit de Mercedes met zijn vuurwapen op (naam slachtoffer) zijn benen schoot.

2.3 Als bijlage p. 1252 en volgende:

Een proces-verbaal van verhoor van de Politie Zeeland, district Walcheren, team Echo, ambtsedig opgemaakt en op 13 september 2000 ondertekend door Rudolf de Leeuw en Edwin Venantius van de Wege, beiden brigadier van de Politie Zeeland, deel uitmakend van team Echo, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als de op 14 september 2000 tegenover die verbalisanten afgelegde verklaring van getuige (naam getuige 3):

Op woensdag 13 september 2000 was ik in de Wilsonlaan te Middelburg. Ik hoorde gegil en keek. Ik zag dat tegen de pilaar van het toegangshek van het woonwagen-terreintje een man geleund stond. Deze man stond met zijn gezicht in de richting van de woonwagen. Ik zag dat deze man in zijn beide handen, die hij met gestrekte armen voor zich hield, een zwart pistool of een zwarte revolver vasthield. Ik zag en hoorde dat de man drie schoten loste in de richting van de woonwagen. Daarna stond de man te prutsen aan het handvat van zijn wapen en loste nog twee schoten in dezelfde richting. Vlak naast die man stond een personenauto. Ik zag dat die auto een Belgisch kenteken met de letter C erin had.

2.4 Als bijlage p. 1336 en volgende:

Een proces-verbaal van verhoor van de Politie Zeeland, district Walcheren, team Echo, ambtsedig opgemaakt en op 13 september 2000 ondertekend door Edwin Venantius van de Wege, brigadier van de Politie Zeeland, deel uitmakend van team Echo, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als de op 13 september 2000 tegenover die verbalisant afgelegde verklaring van getuige (naam getuige 4):

Ik had zicht op het toegangshek van (naam slachtoffer). Ik zag dat daar twee mannen stonden. Ik heb mij op de rechter man geconcentreerd omdat ik zag dat deze schoot. Deze man heeft zeker vier keer geschoten richting keuken cq de ingang van de woonwagen van (naam slachtoffer). Ik zag voorts dat vanaf het terrein van (naam slachtoffer) een corpulente man kwam gekropen. Deze man stapte in de zwarte Mercedes.

2.5 Als bijlage p. 213 en volgende:

Een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Zeeland, district Walcheren, nummer 2000.10.04.1400, op ambtseed opgemaakt en op 5 oktober 2000 ondertekend door Rudolf de Leeuw, brigadier van de Politie Zeeland, district Walcheren, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als bevindingen van die verbalisant:

Op woensdag 13 september 2000 vond in de President Wilsonlaan te Middelburg een schietpartij plaats. Hierbij waren betrokken de inzittenden van een een zwarte personenauto van het merk Mercedes-Benz voorzien van het Belgische kenteken (kenteken Mercedes) en een blauwe Opel Omega voorzien van het kenteken (kenteken Opel). Aan de hand van een groot aantal getuigenverklaringen is door mij een reconstructie gemaakt van de route welke door de Mercedes-Benz en de Opel Omega op 13 september 2000 tussen 13.50 uur en 14.20 uur door Middelburg is gevolgd.

Bernardus Smytegeltstraat

Een inzittende van de Mercedes vraagt de weg naar een woonwagenkamp in de buurt. Inzittende wordt verwezen naar het woonwagenkamp aan de Breeweg.

Breeweg

Een zwarte Mercedes en daarachter een auto parkeren voor het woonwagenkamp.

De Mercedes en de andere auto rijden vervolgens naar het woonwagenkampje op de hoek President Wilsonlaan-Beneluxlaan.

Schietpartij

Vlak daarna vindt op dit woonwagenkampje een schietpartij plaats.

President Wilsonlaan

Gelijk na deze schietpartij rijden een zwarte Mercedes voorzien van Belgisch kenteken (kenteken Mercedes) en een blauwe Opel Omega voorzien van het kenteken (kenteken Opel) met grote snelheid de President Wilsonlaan in. De Opel Omega heeft aan de achterzijde geen kentekenplaat. De omschrijving van de Mercedes-Benz komt overeen met die van de Mercedes-Benz E-klasse. Aan het einde van dit gedeelte van de President Wilsonlaan slaan beide auto’s bij de T-kruising rechtsaf en volgen de President Wilsonlaan in oostelijke richting. Aan het eind van de President Wilsonlaan in oostelijke richting bevindt zich een parkeerplaats welke wordt afgescheiden door hoge bossages. Achter deze bossages bevindt zich de rotonde Laan der Verenigde Naties – Walcherseweg.

Laan der Verenigde Naties – Sandberglaan

Vlak na de schietpartij rijden met hoge snelheid twee auto’s vlak achter elkaar vanaf een voetpad via de grasstrook, de rijbaan van de rotonde op en vervolgen hun weg over de Laan der Verenigde Naties in de richting van de kruising met de Sandberglaan. Gekomen bij de kruising omzeilen beide auto’s de rij voor rechtsaf voorgesorteerde voertuigen en rijden met hoge snelheid door rood licht, rechtsaf de Sandberglaan op in de richting van het Seisplein en Klein Vlaanderen. Een aantal feiten wordt vastgesteld:

- een van de auto’s is zwart en heeft Belgische kentekenplaten

- een van de auto’s betreft een Mercedes-Benz, dit is mogelijk de zwarte auto

- bij een andere auto ontbreekt aan de achterzijde de kentekenplaat

- op de betreffende grasstrook worden 2 paar bandensporen onderzocht die qua spoorbreedte overeenkomen met de spoorbreedte van een Mercedes-Benz E-klasse.

Klein Vlaanderen

Vlak na de schietpartij rijden een donkerkleurige Mercedes-Benz E-klasse met Belgisch kenteken en een donkerblauwe Opel Omega bouwjaar 1995 zonder kentekenplaat aan de achterzijde met hoge snelheid over Klein Vlaanderen in de richting van “Het Gasthuis”. Aan het eind van Klein Vlaanderen rijden beide auto’s rechtsaf via het Noordpoortplein de Noordpoortstraat in.

Noordpoortstraat

In de Noordpoortstraat rijdt een zwarte Mercedes met Belgisch kenteken met piepende banden over de linker rijbaan in de richting van de watertoren. De zwarte Mercedes staat stil ter hoogte van de watertoren. Naast de Mercedes staat een donkerblauwe Opel Omega stil. Een man staat tussen beide voertuigen in. Hij haalt donkere voorwerpen uit de Mercedes-Benz met Belgisch kenteken en gooit deze in de Opel Omega.

Verpleeghuis "Het Gasthuis" Noordpoortplein 2

De zwarte Mercedes Benz met Belgisch kenteken rijdt achteruit terug door de Noordpoortstraat en parkeert vervolgens op de oprit van het "Gasthuis".

2.6 Als bijlage p. 1326:

Een proces-verbaal van verhoor van de Politie Zeeland, district Walcheren, team Echo, ambtsedig opgemaakt en op 13 september 2000 ondertekend door Herman Zwijnenberg, brigadier van de Politie Zeeland, deel uitmakend van team Echo, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als de op 13 september 2000 tegenover die verbalisant afgelegde verklaring van getuige (naam getuige 5):

Ik ben werkzaam in het Gasthuis. Ik stond zo even achter de balie. Ik zag een zwarte Mercedes met hoge snelheid de stoep voor het Gasthuis oprijden. Ik zag de bestuurder van die Mercedes uitstappen en snel naar ons toelopen. Ik hoorde deze man roepen: "Er zit een gewonde in mijn auto. Hij is neergeschoten, bel een ambulance". Ik zei tegen de man “Bel zelf maar”. Hij zei: "Ik kan niet want er zit bloed aan mijn hand.” Toen ik deze man naar de wc bracht zag ik een 2e man binnen komen lopen.

Dit is de man die nu onder behandeling staat van het ambulancepersoneel. Hij ligt op de stoel hier in de hal.

2.7 Als bijlage p. 1225 en volgende:

Een proces-verbaal van verhoor van de Politie Zeeland, district Walcheren, team Echo, ambtsedig opgemaakt en op 21 september 2000 ondertekend door Rudolf de Leeuw en Edwin Venantius van de Wege, beiden brigadier van de Politie Zeeland, deel uitmakend van team Echo, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als de op 21 september 2000 tegenover die verbalisanten afgelegde verklaring van getuige (naam getuige 6):

Ik werk als arts in het Gasthuis. Op woensdag 13 september 2000 werd ik gebeld dat er een man was gebracht die gewond was als gevolg van schotwonden. Ik ben naar de hal gegaan en zag een man die op een bank half zat en half lag. Ik heb de man onderzocht. Hij had schotwonden aan zijn gezicht in zijn linker bovenarm, aan zijn rug en midden op de borst. De man vertelde mij dat hij (naam verdachte) heette en in (woonplaats verdachte) woonde. Daarna kwam ambulancepersoneel binnen.

2.8 Als bijlage p. 120 en volgende:

Een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Zeeland, district Walcheren, mutatienummer PL1940/00-337616, op ambtsbelofte opgemaakt en op 23 september 2000 ondertekend door Paul Eduard Sichterman, hoofdagent van de Politie Zeeland, district Walcheren, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als bevindingen van die verbalisant:

Op woensdag 13 september 2000 kreeg ik verbalisant opdracht te gaan naar de President Wilsonlaan te Middelburg alwaar een schietpartij had plaatsgevonden. Ter plaatse werd ik aangesproken door collega Ovaa welke mij vertelde dat er op het Noordpoortplein ook iets aan de hand was met betrekking tot de schietpartij. Zij vertelde mij dat daar een gewonde man naar binnen in het Gasthuis was gebracht. Hierop ben ik daar ter plaatse gegaan. Ter plaatse zag ik dat binnen in de entreehal van het Gasthuis een man op een bankje lag. Ik zag dat personeel van GG&GD met die man bezig was. Tevens zag ik dat (naam getuige 6), werkzaam in het Gasthuis ook eerste hulp aan die man verleende. Een getuige welke daar ter plaatse was verklaarde dat deze man door een andere man was binnengebracht en dat die andere man vervolgens weer is weggereden in een donkerkleurige Mercedes met Belgische kentekenplaten.

Ik vroeg het slachtoffer, welke later bleek genaamd (naam verdachte), geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum), in wat voor auto hij reed. Hierop verklaarde hij dat het een Mercedes betrof. Tevens verklaarde hij dat de auto van hemzelf was. Vervolgens zag ik dat het slachtoffer werd afgevoerd door de GG&GD naar het Oosterscheldeziekenhuis te Goes.

2.9 Als bijlage p. 134:

Een proces-verbaal van technisch onderzoek van de Politie Zeeland, district Walcheren, mutatienummer PL1940/00-337618, ambtsedig opgemaakt door Christoffel Jan Bijdevaate, inspecteur van de Politie Zeeland en Willem Johannes Ketelaar, hoofdagent van de Politie Zeeland, beiden forensisch technisch onderzoeker, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als bevindingen van die verbalisanten:

Op woensdag 13 september 2000 hebben wij een onderzoek naar sporen ingesteld in en rond perceel President Wilsonlaan 206 te Middelburg naar aanleiding van een schietincident die dag. Het incident vond plaats op het terrein van een woonwagenunit op de hoek Beneluxlaan-President Wilsonlaan.

De woonwagenunit bevindt zich op een terrein dat via een dubbel hek toegankelijk is. De unit heeft een toegang, te weten een naar buiten openslaande deur aan de voorzijde van de keuken. Op de keukenvloer lag een grote hoeveelheid bloed, kogels en hulzen. Verder was in de vloer en de wanden een aantal perforaties, vermoedelijk kogelgaten, zichtbaar.

Op het terrein tussen het toegangshek en de opgang naar de toegangsdeur van de keuken troffen wij een aantal munitiedelen aan. Deze zijn door ons veiliggesteld en gewaarmerkt e1 tot en met e9. Uit een vergelijkend onderzoek tussen de 9 mm hulzen e1, e3, e7 en i6 is gebleken dat deze uit twee verschillende wapens afkomstig zijn.

Conclusies

Er is geschoten met 9 mm munitie met twee verschillende wapens zowel binnen als buiten. Er is geschoten met 7,65 mm munitie van buitenaf.

2.10 Als bijlage p. 948 en volgende:

Het navolgende - blijkens het dossier daarbij als bijlage gevoegde en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren ambtsedig opgemaakte - proces-verbaal, nummer TMASC51A006, zijnde een proces-verbaal van bevindingen ten aanzien van het in dat proces-verbaal aangeduide en op de in dat proces-verbaal genoemde datum en tijdstip gevoerde telefoongesprek, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven -:

Datum/tijd Gesprek/Bericht

25-09-2000 22:17 Op de achtergrond is eerst M en (medeverdachte 4) te horen. Flarden van het gesprek zijn hoorbaar.

C: (medeverdachte 4)

M:

C: Die (naam verdachte).

M: Was hij dat?

C: Hij is ook gewond.

C: Gelijk bam, bam, bam, alle vier tegelijk schieten. Ja ik had hem al van tevoren gezegd, als die er aan komen, gelijk gaan schieten, niet over twijfelen, gewoon gelijk,

C: Toen kwam die ene. Want (naam slachtoffer) had daar geen erg in want die stond aan de andere kant, maar ik stond binnen met die ene. Want hij stond al binnen, die ene. En toen kreeg ik een kogel ineens hier. En toen heeft (naam slachtoffer) hem 4 a 5 kogels in zijn flikker geschoten.

2.11 Als bijlage p. 241:

Een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Zeeland, district Walcheren, team Echo, nummer 05122000WVDH.001, op ambtseed opgemaakt en op 5 december 2000 ondertekend door Willem Christiaan van den Hoff, brigadier van de Politie Zeeland, district Walcheren, deel uitmakend van team Echo, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als bevindingen van die verbalisant:

Op 5 december 2000 hoorde ik de chirurg (naam chirurg). Voornoemd chirurg heeft (naam slachtoffer) aan zijn verwondingen geholpen. Op de door mij gestelde vraag wat de gevaarzetting was van de verwondingen van (naam slachtoffer) hoorde ik dat chirurg (naam chirurg) antwoordde:

Als de kogel door het hoofd van (naam slachtoffer) niet was afgeketst op zijn schedel was hij dood geweest. De kogels in de benen van (naam slachtoffer) hebben zenuwletsel veroorzaakt wat mogelijk blijvend letsel tot gevolg heeft.

2.12 Als bijlage p. 1126 en volgende:

Een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Zeeland, district Walcheren, team Echo, ambtsedig opgemaakt en op 2 september 2000 ondertekend door Edwin Venantius van de Wege en Rudolf de Leeuw, beiden brigadier van de Politie Zeeland, deel uitmakend van team Echo, welk proces-verbaal onder inhoudt - zakelijk weergegeven -:

- als bevindingen van die verbalisanten:

Op woensdag 20 september 2000 hoorden wij de verdachte (medeverdachte 4). De verdachte deelde ons mede dat hij geen verklaring af zou gaan leggen. Tijdens het verhoor deelde (medeverdachte 4) ons desgevraagd toch enkele dingen mede die van hem niet in het proces-verbaal van verhoor vermeld mochten worden.

Op onze vraag of de mannen met wie hij meegereden was naar (naam slachtoffer) bij hem thuis aan de deur waren gekomen hoorden wij dat hij zei: Ja, ze zijn met vijf tot zeven man bij mij aan de deur gekomen.

Wij vroegen verder aan (medeverdachte 4) of hij gedwongen was om met hen mee te gaan; hij antwoordde dat dat inderdaad zo was. Hij vertelde ons dat het pure intimidatie was geweest. Verder vertelde hij dat je in zo’n situatie als eenling niets te vertellen hebt en wel mee moet gaan. Ook vertelde (medeverdachte 4) dat hij blij was dat op het moment dat die mannen bij hem aan de deur waren gekomen, zijn vrouw en kleinkind niet thuis waren.

Wij deelden (medeverdachte 4) mede dat als de eerder door hem genoemde groep een persoon zoekt, zij dit vaak doen door een bekende van die persoon te dwingen om hun de weg te wijzen. Wij vroegen aan (medeverdachte 4) of deze werkwijze op hem van toepassing was. (medeverdachte 4) bevestigde dit.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Voor het geval de rechtbank het tenlastegelegde bewezen zou verklaren heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting het verweer gevoerd dat verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en om die reden straffeloos moet blijven. Hij heeft ter onderbouwing van deze stelling aangevoerd, zakelijk weergegeven:

- dat (naam slachtoffer) met een vuurwapen op hem schoot in diens woonwagen;

- dat er voor hem geen andere mogelijkheid bestond dan de kogelregen te trotseren en het wapen van (naam slachtoffer) af te pakken;

- wegrennen onmogelijk was;

- hij zou hebben mogen schieten indien hij een vuurwapen zou hebben gehad;

- dat (naam slachtoffer) als eerste schoot zoals blijkt uit het tapgesprek van 25 september 2000, 22.17 uur.

Blijkens deze onderbouwing heeft verdachte niet enig handelen van mededaders aan zijn verweer ten grondslag gelegd, maar zich volledig geconcentreerd op zijn eigen optreden. Dat gestelde optreden (afpakken wapen) is echter niet bewezen verklaard. Straffeloosheid daarvan is reeds om die reden niet aan de orde. Of verdachte zou hebben mogen schieten als hij een wapen zou hebben gehad is niet van belang omdat de rechtbank feitelijk optreden toetst en niet gestelde theoretische situaties.

Voor zover verdachte in zijn verweer heeft bedoelen te stellen dat het schieten vanuit de groep waarvan verdachte deel uitmaakte gerechtvaardigd was omdat zich voor die groep - en daarmee ook voor verdachte - een noodweersituatie voordeed geldt dat verdachte dit verweer op geen enkele wijze feitelijk heeft onderbouwd. Zo heeft hij om te beginnen niet eens gesteld dát vanuit die groep geschoten is, laat staan door wie en wanneer. Aan een verweer mag de eis van feitelijke onderbouwing gesteld worden omdat de rechter anders niet in staat is daarop naar behoren te reageren. Dit verweer voldoet niet aan die eis.

Voor zover verdachte aan de rechtbank heeft willen verzoeken ambtshalve te onderzoeken of van een noodweersituatie sprake was geldt het volgende. De rechtbank gaat uit van de feitelijke toedracht die hiervoor onder het kopje "bewijsoverwegingen" is geschetst. Uit die toedracht volgt, zoals daar reeds aangegeven, dat sprake was van een op openlijke geweldpleging (middels schieten) gerichte samenwerking van verdachte en de zijnen. Van feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat het ondanks deze op openlijke geweldpleging gerichte samenwerking pas tot die openlijke geweldpleging is gekomen nadat verdachte en zijn mededaders in een noodweersituatie waren gekomen is niet gebleken.

Verdachte heeft in dit verband gewezen op het reeds eerder in dit vonnis genoemde tapgesprek van 25 september 2000, 22.17 uur maar dat enkele tapgesprek levert onvoldoende aanwijzing van een noodweersituatie op. Verdachte wijst op de passage uit dat gesprek waarin (medeverdachte 4) zegt "Gelijk bam, bam, bam, alle vier tegelijk schieten. Ja ik had hem al van tevoren gezegd, als die eraan komen, gelijk gaan schieten, niet over twijfelen, gewoon gelijk". In deze passage wordt niet gezegd wie er eerst schoot. Er wordt gesproken over "tegelijk" schieten. Voorts kan uit deze passage zeer wel worden afgeleid dat de genoemde "alle vier" gelijk, dus meteen, zijn gaan schieten. (naam slachtoffer) was slechts samen met zijn echtgenote aanwezig, dus het "alle vier" slaat kennelijk op verdachte en de zijnen, die tenminste met vier man waren. Iets verderop zegt (medeverdachte 4) bovendien "Want hij stond al binnen, die ene. En toen kreeg ik een kogel ineens hier. En toen heeft (naam slachtoffer) hem 4 a 5 kogels in zijn flikker geschoten". Deze passage wijst in de richting van schieten door (naam slachtoffer) nadat vanuit de groep van verdachte geschoten was. Weer verderop in het tapgesprek komt de passage voor "C: (naam slachtoffer)…eerste, dat maakt niet uit daar heeft hij groot gelijk in. A: Die is begonnen met schieten? C: Gelijk al ja, maar daar heeft ie gelijk in. Ja, maar dat had ik hem al gezegd". Uit deze passage lijkt te volgen dat (naam slachtoffer) als eerste schoot, maar die passage sluit allerminst naadloos aan bij de hiervoor behandelde passages en kan daarom bezwaarlijk als (enige) steunpilaar voor het aannemen van een noodweersituatie worden gebezigd. Daarbij komt dat het enkele gegeven dat (naam slachtoffer) mogelijkerwijs eerst schoot nog niet betekent dat het vervolgens schieten door verdachte en de zijnen geboden was ter noodzakelijke verdediging, mede bezien in het licht van de omstandigheid dat verdachte en de zijnen kennelijk ter plaatse waren gekomen met de bedoeling om te schieten: de samenwerking was immers gericht op de openlijke geweldpleging en verdachte en de zijnen waren voorzien van (een) vuurwapen(s). Dit enkele tapgesprek kan verdachte daarom niet baten.

De slotsom is dat van een noodweersituatie niet is gebleken.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie(s)

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:

- de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan;

- de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij is betrokken geweest bij een schotenwisseling waarbij drie personen gewond zijn geraakt. Deze vorm van geweldpleging, waarbij een van de schutters zichtbaar en hoorbaar voor een aantal personen in een woonwijk op klaarlichte dag een wapen heeft gehanteerd is bijzonder ernstig. Het gebruik van vuurwapens en de met veel commotie en risico voor medeweggebruikers gepaard gaande vlucht van verdachte en een aantal mededaders was een ernstige inbreuk op de maatschappelijke orde en rust. Ook de nadien volgende gebeurtenissen waarbij vele politieauto's en ambulances met signalen in de woonwijk en directe omgeving reden, veroorzaakten gevoelens van onveiligheid en onrust bij burgers.

De rechtbank houdt bij de bepalen van de strafmaat in negatieve zin rekening met de hiervoor bedoelde ernst van de inbreuk, waaronder ook te begrijpen is de wijze waarop het slachtoffer (naam slachtoffer) tegemoet is getreden. Hij is door een overmacht van personen overvallen in zijn woonwagen en daarna blootgesteld aan wapengeweld. Daarbij is kennelijk gericht op diens hoofd en benen geschoten.

Verdachtes aandeel is niet te onderscheiden van dat van de andere bij de schietpartij betrokken personen. Daarbij past de aantekening dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte zelf een vuurwapen heeft gehanteerd zodat zij hem dat ook in het kader van de straftoemeting niet aanrekent.

Als strafverminderende factor merkt de rechtbank aan het feit dat hij ten gevolge van de schietpartij zwaar gewond is geraakt. Gelet op het aantal verwondingen en de aard daarvan had verdachte kunnen overlijden aan de gevolgen van die schietpartij.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 2 januari 2002;

- de brief d.d. 21 september 2000 van de Stichting Reclassering Nederland, Ressort Den Haag, arrondissement Middelburg inhoudende de mededeling dat met betrekking tot verdachte geen voorlichtingsrapportage zal worden uitgebracht.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 27, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt.

Zij wijst af het verzoek om getuigen te horen.

Zij verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.

Zij veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Zij beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.P.M. ter Berg, voorzitter,

mrs. A.M.P. Gaakeer en M.P. Meeuwisse, rechters,

in tegenwoordigheid van J.J.J. Schols, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2002.

Mr. Meeuwisse is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.