Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AE1281

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-11-2001
Datum publicatie
10-04-2002
Zaaknummer
01/433
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

ENKELVOUDIGE KAMER BESTUURSRECHT

Reg.nr.: 01/433

Uitspraak inzake :

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. drs. A.W.C. Fenijn, advocate te Middelburg,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Reimerswaal, verweerder.

1. Procesverloop.

Bij besluit van 26 februari 2001 heeft verweerder het verzoek van eiser om door middel van het toepassen van bestuursdwang handhavend op te treden tegen de door [vergunninghouder] (hierna: [vergunninghouder]) opgerichte berging alsmede de opslag en verkoop van vuurwerk op het perceel [adres] te [woonplaats], afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 juni 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het geschil is op 11 oktober 2001 behandeld ter zitting. Eiser is hierbij verschenen met zijn genoemde gemachtigde. [Vergunninghouder] is hierbij eveneens verschenen. Namens verweerder zijn verschenen J.R. Snoek en P.C.E. Kil.

2. Overwegingen.

Op 3 april 2000 is de wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in werking getreden. Op aanvragen en meldingen die voor die datum zijn ingediend, zoals hier in geding, zijn op grond van het overgangsrecht de oude artikelen van de WRO van toepassing.

Artikel 42, eerste lid aanhef en onder a, van de Woningwet bepaalt dat geen bouwvergunning is vereist voor het bouwen van bij algemene maatregel van bestuur aangegeven bouwwerken, mits het voornemen tot het bouwen van een dergelijk bouwwerk schriftelijk bij burgemeester en wethouders is gemeld. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat ingeval burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het eerste lid van toepassing is, doch het desbetreffende geldende bestemmingsplan zich tegen het bouwen van het bouwwerk verzet, zij binnen vijf weken na de dag waarop zij de melding hebben ontvangen aan de melder mededelen dat het gemelde bouwwerk een bouwwerk is als bedoeld in het eerste lid, doch dat desalniettemin niet mag worden gebouwd tenzij zij ingevolge artikel 18a van de WRO, zoals dit artikel luidde tot 3 april 2000, vrijstelling verlenen van dat plan.

Artikel 18a, eerste lid, (oud) van de WRO bepaalt dat burgemeester en wethouders ten behoeve van gedeeltelijke veranderingen of vernieuwingen van bouwwerken alsmede ten behoeve van verbouwingen of de oprichting van bouwwerken van beperkte betekenis in nader bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen vrijstelling kunnen verlenen van een bestemmingsplan. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur voorschriften worden gegeven die bij het verlenen van vrijstelling ingevolge dit artikel in acht genomen moeten worden.

Artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit meldingplichtige bouwwerken (Besluit van 27 april 1992, Stb. 196, hierna BMB) bepaalt dat voor de toepassing van artikel 18a (oud) van de WRO en artikel 42 van de Woningwet in aanmerking komt een gebouw op een zij- of achtererf van een woning of een ander gebouw dan wel op een standplaats, ten dienste van een groter genot van het gebruik van die woning, dat andere gebouw dan wel de op die standplaats geplaatste woonwagen.

Artikel 12, eerste lid aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan Bebouwde kom Yerseke (hierna: het bestemmingsplan) bepaalt dat de op de kaart voor ‘bedrijven, klasse A en klasse B met bijbehorende erven’ aangewezen gronden bestemd zijn voor de in de ‘Lijst van bedrijven’ aangekruiste bedrijven, met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en erven met uitzondering van detailhandel en horecabedrijven, met dien verstande dat de gebouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bebouwingsstroken mogen worden gebouwd.

Op 4 november 1998 heeft [vergunninghouder] een bouwvergunning bij verweerder aangevraagd voor de bouw van een schuur op zijn perceel aan de [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 9 december 1998 heeft verweerder [vergunninghouder]s bouwplan aangemerkt als een meldingsplichtig bouwwerk in de zin van artikel 42 van de Woningwet waarvoor geen bouwvergunning is vereist. In dit besluit heeft verweerder voorts meegedeeld dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, maar dat de realisering van het bouwplan van [vergunninghouder] mogelijk is door het voeren van een vrijstellingsprocedure ex artikel 18a (oud) van de WRO.

Verweerder heeft het voornemen om vrijstelling te verlenen van de bepalingen uit het bestemmingsplan gepubliceerd in Reimerswaal Informatie d.d. 16 december 1998. Hiertegen heeft eiser zijn bedenkingen ingediend.

Verweerder heeft bij besluit van 22 februari 2001 aan [vergunninghouder] met toepassing van artikel 18a (oud) vrijstelling verleend van de bepalingen uit het bestemmingsplan en positief gereageerd op de melding van [vergunninghouder]s bouwvoornemen.

Eiser, die naast het perceel van [vergunninghouder] woont, heeft verweerder op 22 december 2000 verzocht handhavend op te treden tegen het op het perceel [adres] opgerichte bouwwerk en tegen de opslag en verkoop van vuurwerk aldaar.

Op 26 februari 2001 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de berging geen illegaal bouwwerk is, nu verweerder voor het bouwen hiervan vrijstelling ex artikel 18a (oud) van de WRO heeft verleend van de bepalingen uit het bestemmingsplan. Daarnaast acht verweerder het gebruik ten behoeve van de opslag en verkoop van vuurwerk, dat weliswaar strikt formeel volgens de bij het bestemmingsplan behorende Lijst van bedrijven niet is toegestaan, niettemin aanvaardbaar. Er is namelijk slechts sprake van zéér incidentele verkoopactiviteiten gedurende 3 dagen per jaar en de opslag van vuurwerk is beperkt tot de maanden december en januari. Deze activiteiten vinden al sinds 1994 in strijd met het bestemmingsplan plaats. Bovendien is een milieuvergunning verleend voor het bedrijf van [vergunninghouder], inclusief vuurwerkopslag. Het gebruik is volgens verweerder planologisch van zo ondergeschikte betekenis dat hiervoor geen tussentijdse aanpassing van het bestemmingsplan is vereist. Verweerder is voornemens de handel en opslag in vuurwerk ter plaatse te zijner tijd bij de algehele wijziging van het bestemmingsplan Kom van Yerseke te legaliseren.

Volgens eiser is de berging in strijd met het vigerende bestemmingsplan gebouwd en had hiervoor geen vrijstelling op grond van artikel 18a WRO mogen worden verleend. Daarnaast stelt eiser dat de opslag en verkoop van vuurwerk eveneens in strijd zijn met de bepalingen van het bestemmingsplan. Legalisering van dit gebruik valt zijns inziens niet snel te verwachten. Tevens acht eiser het feit dat slechts van kortdurende opslag en verkoop sprake is, geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhaving af zou kunnen zien.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat indien door belanghebbende derden uitdrukkelijk is verzocht om tegen een illegale situatie op te treden, alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden kan worden afgezien. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er concreet uitzicht bestaat op legalisering van de illegale situatie.

Het feit dat een illegale situatie langere tijd is gedoogd vormt op zich zelf geen grond om een verzoek tot handhaving af te wijzen; er dient in elk geval een belangenafweging plaats te vinden.

Naar het oordeel van de rechtbank beroept verweerder zich er ten onrechte op dat de bouw van de berging is gelegaliseerd door met toepassing van artikel 18a (oud) van de WRO vrijstelling te verlenen van het vigerende bestemmingsplan. Bij de beoordeling van het bouwplan had verweerder acht moeten slaan op het gebruik van de berging mede als vuurwerkopslagplaats. Verweerder wist immers dat dit de bedoeling was van de berging. Dat dit gebruik slechts gedurende een beperkte periode van het jaar plaatsvindt, doet hieraan niet af.

Hierdoor kan niet gezegd worden dat de berging ten dienste staat van een groter genot van het gebruik van het bedrijf of de woning op het perceel van [vergunninghouder], zoals het BMB voorschrijft. Vanzelfsprekend is daarmee bedoeld: gebruik overeenkomstig de bestemming en niet illegaal gebruik; de strekking van artikel 18a WRO en het BMB is immers om voor zogenaamde kruimelgevallen zonder tussenkomst van Gedeputeerde Staten vrijstelling te kunnen verlenen.

Vast staat dat de opslag en verkoop van vuurwerk niet valt onder de ter plaatse geldende bestemming (bedrijf volgens een limitatieve lijst, geen detailhandel zijnde, alsmede woning).

Verweerder had derhalve, teneinde de bouw van de berging te legaliseren, andere maatregelen moeten nemen.

Verweerders besluit tot afwijzing van eisers handhavingsverzoek berust in zoverre dan ook niet op een deugdelijke motivering.

Met betrekking tot de opslag en verkoop van vuurwerk ter plaatse is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er concreet uitzicht bestaat op legalisering daarvan. Verweerder heeft weliswaar uiteengezet dat in verband met het toezicht door de Inspectie van het ministerie van VROM hoge prioriteit wordt gegeven aan het realiseren van nieuwe bestemmingsplannen. Dat neemt echter niet weg dat er ten tijde van de bestreden beslissing, en ook thans nog, slechts sprake is van een concept-voorontwerp bestemmingsplan Kom van Yerseke. Welke ruimtelijke onderbouwing dat concept bevat met betrekking tot de opslag en verkoop van vuurwerk heeft verweerder overigens volledig in het midden gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus een legalisering van de illegale activiteiten ter plaatse onvoldoende concreet gemaakt om een afwijzing van een handhavingsverzoek te kunnen rechtvaardigen.

Op grond van het bovenstaande dient verweerders besluit om niet handhavend op te treden tegen zowel de bouw van de berging door [vergunninghouder] als de verkoop en opslag van vuurwerk op zijn perceel, te worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van f 1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

3. Uitspraak.

De Rechtbank Middelburg,

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat de gemeente Reimerswaal aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van f 225,- (tweehonderdvijfentwintig gulden) vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op

f 1420,- (veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de gemeente Reimerswaal aan eiser.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2001

door mr. R.C.M. Reinarz, in tegenwoordigheid van mr. G. Oosterveld, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.