Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AD9224

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
16-05-2002
Zaaknummer
Awb 00/469
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MIDDELBURG

Meervoudige Kamer voor Bestuursgeschillen

Reg.nr.: Awb 00/469

Awb 00/469Awb 00/469

Uitspraak inzake:

Delisea B.V., gevestigd te Yerseke, eiseres,

gemachtigde: mr. M. van der Bent, advocaat en procureur te Middelburg,

tegen

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder.

1. Procesverloop.

Kroonton B.V., rechtsvoorganger van eiseres, heeft bij verweerder vergunning aangevraagd om oesters en mosselen uit het productiegebied „Wexford Harbour“ (Ierland) uit te zaaien in de Oosterschelde, nadat zij gezuiverd zijn in een E.E.G. erkend zuiveringsstation.

Bij besluit van 10 november 1999 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 december 1999 heeft verweerder met aanvulling van de gronden opnieuw geweigerd de gevraagde vergunning te verlenen.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres zowel beroep ingesteld als bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft het beroepschrift naar verweerder gezonden met het verzoek het in behandeling te nemen als een bezwaarschrift.

Bij besluit van 21 juni 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het beroep is op 1 augustus 2001 behandeld ter zitting. Voor eiseres zijn verschenen haar gemachtigden mrs. M. van der Bent en M.C.J. Meeuwsen-Dek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M. Nagel. Voorts is verschenen de Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Mosselcultuur U.A., vertegenwoordigd door haar secretaris H.J. van Geesbergen en bijgestaan door mr. P.W.H.M. Haans, advocaat te Bergen op Zoom.

2. Overwegingen.

Allereerst is de rechtbank van oordeel dat de Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Mosselcultuur, gelet op de inhoud van haar statuten, in dit geschil als derde belanghebbende kan worden aangemerkt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering, zoals neergelegd in de beslissingen van 10 november 1999 en 20 december 1999, om vergunning te verlenen voor het in de Oosterschelde uitzaaien van oesters en mosselen, afkomstig uit Ierland, gehandhaafd.

Ingevolge artikel 9, aanhef en onderdeel c van de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren, Stcrt. 1977, 255 (verder: de Beschikking) is het verboden in de kustwateren, genoemd in artikel 2, onderdelen 1, 3, 4, 5 en 6, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 oesters of mosselen uit te zaaien, die afkomstig zijn uit andere dan die onderscheidene wateren. De Oosterschelde is aangewezen als kustwater in artikel 2, onderdeel 5, van genoemd Besluit.

Artikel 11 van de Beschikking bepaalt onder meer dat het verbod van artikel 9 niet geldt voor degene, die voorzien is van een vergunning van de minister.

Ter uitvoering van de Beschikking hanteert verweerder de Beleidslijn verplaatsing schelpdieren, zoals die bij brief van 30 juni 1997 aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bekend werd gemaakt. Vergunning voor de uitzaai van oesters of mossels in de Oosterschelde wordt slechts verleend als een zending schelpdieren afkomstig is uit het boreaal gebied (globaal de Noordzee) van een A-gebied als bedoeld in de Verordening Gezondheidsvoorschriften Levende Tweekleppige Weekdieren, de aanvrager een ontheffing op grond van de Verordening Voorkoming Introductie van Uitheemse Toxische Dinoflagellaten is verleend en de aanvrager beschikt over percelen in de Oosterschelde.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde vergunning op grond van het hiervoor geformuleerde beleid in de Beleidslijn verplaatsing schelpdieren geweigerd dient te worden. Dat beleid is gebaseerd op het in redelijkheid voorkomen van risico’s. Verweerder acht zijn beleid niet in strijd met Europees beleid, omdat geen sprake is van een invoerbeperking of maatregel van gelijke strekking dan wel omdat dringende belangen van milieu vereisen dat dit strikte beleid wordt gevoerd. De Noordzee tussen de Straat van Dover enerzijds en de 62e Noorderbreedtegraad (met uitsluiting van het Skagerrak en de Oostzee) wordt als een ecologisch homogeen gebied beschouwd. Dat is voor verweerder het boreale gebied.

De Oosterschelde is een kwetsbaar natuurgebied. Bij duidelijke twijfel over de mogelijke gevolgen voor het ecosysteem wordt het voorzorgprincipe toegepast. Verweerder wil eerst nader onderzoek naar de introductie van gebiedsvreemde organismen afwachten. Indien er sprake blijkt te zijn van schadelijke gevolgen door het introduceren van ongewenste organismen dan zullen de gevolgen onomkeerbaar zijn. Het voorzorgsbeginsel leent zich ertoe om hangende een onderzoek of alvorens er duidelijkheid bestaat over de gevolgen van een bepaalde handeling, de nodige maatregelen te nemen om ongewenste gevolgen te voorkomen. Ook op grond van de Natuurbeschermingswet wordt het uitzaaien van oesters en mosselen niet mogelijk geacht, aldus verweerder.

Eiseres voert hiertegen aan dat de weigering van verweerder berust op onjuiste feiten, omdat de grenzen tussen het boreaal en buitenboreaal gebied onjuist zijn getrokken. Tevens stelt eiseres dat de Nederlandse regelgeving en de Beschikking in strijd zijn met de artikelen 28 juncto 30 van het EG-verdrag. Het gemeenschapsbeleid ten aanzien van de visserij is exclusief en uitputtend, waarbij de milieubelangen gericht op het behoud van de visbestanden door het gemeenschapsbeleid worden behartigd en prevaleren boven nationaal beleid.

Indien het gemeenschapsrecht te dezen ruimte zou laten voor aanvullende regels op lidstaat niveau, is de Nederlandse wet- en regelgeving en de beleidslijn van verweerder daarmee in strijd wegens een ontoelaatbare handelsbeperking. De getroffen maatregelen zijn niet noodzakelijk en proportioneel. Zonder nader onderzoek kan een beroep op het voorzorgsbeginsel niet worden gerechtvaardigd. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres adviezen van het T.M.C. Asser Instituut overgelegd.

Met betrekking tot de vrees dat ongewenste organismen in de Oosterschelde worden gebracht wijst eiseres erop dat zij een ontheffing heeft verkregen van het Productschap Vis voor het in de Nederlandse oppervlaktewateren brengen van tweekleppige weekdieren uit Wexford Harbour, waarbij is bepaald dat de weekdieren moeten worden gezuiverd. Bovendien wordt al decennia lang proceswater van buitenlandse oesters en mosselen in de Oosterschelde gestort. Eiseres beschikt over een erkend zuiveringscentrum en over kweekpercelen voor oesters en mosselen.

Eiseres heeft tenslotte opgemerkt dat de eis van een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet, kennelijk alleen wordt gesteld voor oesters en mosselen uit niet boreale gebieden.

Naar aanleiding van het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat eiseres geen belang meer zou hebben bij een beoordeling van een beslissing met betrekking tot het jaar 2000, merkt de rechtbank op dat zij dit procesbelang, gelet op de door eiseres gestelde schade als gevolg van het niet kunnen uitzaaien van oesters en mosselen, wel aanwezig acht.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 10 november 1999 opnieuw (primair) heeft beslist bij het besluit van 20 december 1999. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, die in acht moeten worden genomen bij de behandeling van een bezwaarschrift. Nu niet is gebleken dat eiseres door deze nalatigheid in haar belangen is geschaad wordt hieraan met toepassing van artikel 6: 22 van de Algemene wet bestuursrecht voorbij gegaan.

Gelet op het gestelde in verweerders schrijven van 25 april 2001 is de weigeringsgrond dat verplaatsing van schelpdieren zonder zuivering van een productiegebied B naar een productiegebied A niet mogelijk is, komen te vervallen.

Eiseres is onder meer vergunning geweigerd, omdat de oesters en mosselen afkomstig uit het buitenboreaal gebied. Eiseres betwist de in dit kader door verweerder getrokken grenzen en zij heeft daarbij verwezen naar de opvatting van diverse deskundigen. De rechtbank wijst er allereerst op dat het door verweerder aangewezen gebied zich niet beperkt tot de landsgrenzen maar tevens de kustwateren omvat van een aantal andere landen.Voorts blijkt dat de door eiseres genoemde deskundigen geen eenduidige opvatting hanteren met betrekking tot het boreaal gebied.

Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder redelijkerwijs de omvang van het boreaal gebied heeft mogen vaststellen, zoals hij dat heeft gedaan.

Met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerders beleidslijn inbreuk maakt op het vrije verkeer tussen de Lidstaten van de E.G. overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat het gemeenschapsbeleid ten aanzien van de visserij niet exclusief en uitputtend is geregeld. Het begrip milieu is dermate ruim dat van een uitputtende regeling niet licht gesproken kan worden. De door eiseres exclusief en uitputtend genoemde visserijregelgeving omvatten alleen veterinaire aspecten alsmede de gezondheid van de consument.

De rechtbank acht in dit verband verder van belang dat naast de door eiseres genoemde Europese regelgeving op het gebied van de visserij er ook op het gebied van het milieu Europese regelgeving bestaat, zoals de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerders handelswijze niet discriminatoir in de zin dat er sprake zou zijn van een verkapte beperking van de handel. De rechtbank wijst er daartoe op dat er in de regelgeving weliswaar sprake is van een verbod, doch dat verbod kan opzij worden gezet als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

De rechtbank stelt zich verder op het standpunt dat de betrokken regelgeving noodzakelijk en proportioneel is.

Blijkens het verslag van het besprokene tijdens de workshop „Verplaatsing Schelpdieren“ op 3 juli 1995 is geconcludeerd dat uit oogpunt van de doelstelling van natuurbehoud de introductie van gebiedsvreemde soorten ongewenst is. Het risico van introductie van ongewenste organismen is, blijkens dat verslag, hoog bij het verzaaien van schelpdieren van buiten het niet-boreale gebied. Tevens is geconcludeerd dat nog voldoende kennis ontbreekt om zeker te zijn van de precieze gevolgen van introducties en de daarmede gepaard gaande eventuele risico's. Deze conclusies worden niet weersproken in de door eiseres in deze procedure ingebrachte brief van 24 augustus 2000 van de directeur van het Nederlands instituut voor oecologisch onderzoek.

Eiseres meent dat het voorzorgsbeginsel slechts kan worden ingeroepen indien aan de hand van gericht onderzoek duidelijkheid is verkregen over de potentiële gevolgen van het uitzaaien van bepaalde schelpdieren in de Oosterschelde.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat als er na de door eiseres gewenste uitzaaiing daadwerkelijk sprake zou zijn van schadelijke gevolgen, er een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Om zo'n situatie te voorkomen heeft verweerder zich dan ook redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er relatief ingrijpende maatregelen nodig zijn gedurende een nadere periode in afwachting van terzake te ontwikkelen kennis.

Ter zitting heeft verweerder in navolging van het Productschap Vis onweersproken gesteld dat voor de gewenste zuivering van de in geding zijnde oesters en mosselen twee maanden verwateren nodig is. Een zodanige termijn lijkt niet realistisch, zodat verweerder terecht aan die suggestie van eiseres voorbij is gegaan.

Het argument van eiseres dat reeds jarenlang proceswater in de Oosterschelde wordt geloosd, waardoor mogelijk al vreemde organismen zijn doorgedrongen, verwerpt de rechtbank. Het uitzaaien van mosselen en oesters moet als veel ingrijpender worden beschouwd en het beleid van verweerder is er nu juist op gericht de lozingen van het proceswater te beperken en tenslotte te beëindigen.

Tenslotte merkt de rechtbank op dat zij niet bevoegd is te oordelen over verweerders standpunt met betrekking tot de toepassing van de Natuurbeschermingswet.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard.

3. Uitspraak.

De Arrondissementsrechtbank te Middelburg,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2001

door mr. T. Damsteegt als voorzitter en mr. A. van Wamel en mr. drs. E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt als griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.