Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2001:AD8595

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
07-11-2001
Datum publicatie
29-01-2002
Zaaknummer
498/00
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

d.d. 7 november 2001

De arrondissementsrechtbank te Middelburg, enkelvoudige kamer, overweegt en beslist als volgt, inzake:

rolnr. 498/00

[eiseres],

[woonplaats],

eiseres,

procureur: mr. F. te Braake,

advocaat: mr. W.J. Gelderblom te Rotterdam,

tegen:

de openbare rechtspersoon de gemeente Oostburg,

zetelend te Oostburg,

gedaagde,

procureur: mr. C.H. Brinkman,

advocaat: mr. J.M.W. Werker te Arnhem.

1. Het procesverloop

De volgende processtukken zijn gewisseld:

conclusie van eis overeenkomstig de dagvaarding;

conclusie van antwoord;

conclusie van repliek;

conclusie van dupliek.

Partijen hebben producties in het geding gebracht.

2. De feiten

2.1. Van 30 september 1998 tot 16 oktober 1998 is eiseres, verder te noemen: [eiseres], opgenomen geweest in het Ziekenhuis Zeeuws Vlaanderen, locatie St. Antonius te Oostburg, in verband met een gebroken rechterheup.

2.2. Bij brief van 5 oktober 1998 heeft [eiseres] gedaagde, verder te noemen: de gemeente, aansprakelijk gesteld voor letselschade als gevolg van een haar op 30 september 1998 overkomen ongeval.

2.3. Bij de door [eiseres] overgelegde stukken bevinden zich twee getuigenverklaringen omtrent het door [eiseres] gestelde ongeval.

[getuige 1] verklaart onder meer:

'Ik was net met mijn auto de Gerritsenstraat ingedraaid en reed rechtdoor toen ik mevrouw [eiseres] zag struikelen op de stoep, over een stoeptegel.'

3. Het geschil

3.1.1. [eiseres] stelt dat haar op 30 september 1998 in de Burgemeester Gerritsenstraat te Breskens, gemeente Oostburg, een ongeval is overkomen waarbij zij ernstig letsel heeft opgelopen in de vorm van een fractuur van de rechterheup, waardoor zij schade heeft geleden en lijdt. Zij vordert vergoeding van deze - materiële en immateriële - schade, door haar in totaal begroot op f. 48.130,54, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.1.2. [eiseres] geeft de volgende lezing van het ongeval:

Zij begaf zich op 30 september 1998 per fiets naar het woonhuis van haar dochter aan de Burgemeester Gerritsenstraat te Breskens. Nadat zij haar fiets in het steegje naast de woning had gezet ging zij te voet verder. Op korte afstand van de woning van haar dochter struikelde zij, hoewel zij de nodige voorzichtigheid betrachtte, over een uitstekende trottoirtegel, waardoor zij zodanig viel dat zij voormeld letsel bekwam.

[eiseres] houdt de gemeente aansprakelijk als beheerder van de openbare weg. Volgens [eiseres] zijn voornoemd letsel en de daaruit voortvloeiende schade een rechtstreeks gevolg van de zeer slechte staat waarin het trottoir zich bevond - oneffen oppervlak en uitstekende tegels - en is de gemeente aansprakelijk op grond van artikel 6:174 jo 6:162 BW. Ten bewijze van haar stelling heeft [eiseres] onder meer foto’s overgelegd.

3.2. De gemeente betwist dat het door [eiseres] gestelde ongeval heeft plaatsgevonden, althans de toedracht van het ongeval. Zij stelt dat de door [eiseres] overgelegde getuigenverklaringen hiertoe onvoldoende bewijs bieden. Daarnaast betwist de gemeente dat het ongeval zou zijn toe te rekenen aan de gemeente, althans aan enig gebrek van voornoemd trottoir. Indien de ongevaltoedracht conform het gestelde door [eiseres] zou komen vast te staan, betwist de gemeente dat dit ongeval de door [eiseres] gestelde schade tot gevolg heeft gehad. De gemeente voert aan dat [eiseres] (een deel van) haar vordering onvoldoende door middel van stukken heeft onderbouwd.

3.2.1. Met betrekking tot de door [eiseres] gestelde aansprakelijkheid van de gemeente stelt de gemeente zich op het standpunt dat geen sprake is van enig gebrek van het betreffende trottoir in die zin dat het niet voldoet aan de eisen die men daar in de gegeven omstandigheden aan mag stellen waardoor gevaar voor personen of zaken ontstaat.

Voorts voert de gemeente gemotiveerd aan dat zelfs indien enig verband aannemelijk zou worden geacht tussen het handelen van de gemeente en de vermeend geleden schade, voor vergoeding van de schade geen plaats is, gelet op het bepaalde in artikel 6:101 BW.

4. De beoordeling

4.1. De gemeente heeft het plaatsvinden van het door [eiseres] gestelde ongeval niet anders betwist dan door bij gebrek aan wetenschap te ontkennen dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De betwisting van het ongeval door de gemeente spitst zich verder met name toe op de toedracht van het ongeval. Gelet hierop, alsmede gelet op de inhoud van de door [eiseres] overgelegde getuigenverklaringen en het feit dat [eiseres] op 30 september 1998 in het Ziekenhuis Zeeuws Vlaanderen is opgenomen met een gebroken rechterheup, is de rechtbank van oordeel dat als onvoldoende betwist moet worden aangenomen dát het ongeval heeft plaatsgevonden.

Hiervan uitgaande staat voorts vast dat het ongeval heeft plaatsgevonden op een openbare weg als bedoeld in artikel 6:174 BW - de plaats van het ongeval is immers door de gemeente niet betwist -, waarbij de gemeente als bezitter in de zin van dat artikel geldt. De gemeente is op grond van dat artikel in beginsel aansprakelijk voor gevaar, dat zich ter plaatse verwezenlijkt, wanneer komt vast te staan dat dat gevaar is veroorzaakt doordat de openbare weg ter plaatse niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

4.2. De gemeente ontkent de door [eiseres] gestelde toedracht van het ongeval door betwisting van de door [eiseres] overgelegde getuigenverklaringen.

Het komt de rechtbank echter, mede op grond van de verklaring van [getuige 1], aannemelijk voor dat de val van [eiseres] plaatsvond als door [eiseres] gesteld, te weten doordat zij viel over een uitstekende stoeptegel. De gemeente heeft het oorzakelijk verband slechts betwist met de stelling dat de verklaring van [getuige 1] vier maanden na de ongevalsdatum op schrift is gesteld en dat het door dit tijdsverloop voor [getuige 1] onduidelijk moet zijn of [eiseres] gestruikeld is of een misstap heeft begaan, gelet op het feit dat in eerste instantie was neergeschreven 'gestruikeld op de stoep'. Dit verweer komt naar het oordeel van de rechtbank niet waarschijnlijk voor.

In het onderstaande zal de rechtbank veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat de toedracht is geweest zoals de rechtbank aannemelijk acht.

4.3. In dat geval oordeelt de rechtbank ten aanzien van de aansprakelijkheid van de gemeente als volgt. De gemeente heeft niet betwist dat de door [eiseres] overgelegde foto’s de situatie weergeven op de plaats waar en ten tijde dat [eiseres] is gevallen, zodat de rechtbank hiervan uitgaat.

Eigen waarneming van deze foto’s voert de rechtbank tot het oordeel dat het trottoir niet verkeerde beneden het niveau dat voor een trottoir ter plaatse in redelijkheid kan worden geëist.

Weliswaar is sprake van enige oneffenheden, maar deze zijn gering. Het beeld strookt met de overgelegde getuigenverklaringen inhoudende dat de betreffende tegel 2,5 tot 3 cm uitstak, niet zodanig uitzonderlijk dat dit afwijkt van het beeld dat men aantreft in een gemiddelde woonwijk in Nederland. Van de gemeente kan niet worden gevergd dat de onder haar beheer staande trottoirs te allen tijde in een perfecte effen staat verkeren. Een gebruiker dient er ook rekening mee te houden dat een trottoir niet steeds en overal in zo’n perfecte staat zal verkeren. De omstandigheid dat de rijbaan en de trottoirs van de Burgemeester Gerritsenstraat vrij kort na het ongeval zijn hersteld c.q. vernieuwd, zoals door [eiseres] onweersproken is gesteld, kan er niet toe leiden dat op die grond moet worden aangenomen dat sprake was van een gebrekkig trottoir in de zin van artikel 6:174 BW.

De rechtbank verwerpt het standpunt van [eiseres] dat het trottoir niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiseres] dient te worden afgwezen, zonder dat een onderzoek naar de juistheid van hetgeen zij over de toedracht heeft gesteld hoeft plaats te vinden. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente begroot op f. 910,-- (€ 412,94) wegens verschotten en f. 2.200,-- (€ 998,32) wegens procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R.P. Verhoeven en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 7 november 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.

FM